„Indien de schademarge op basis van een richtprijs wordt berekend, wordt de nagestreefde winst bepaald met inachtneming van factoren als de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer vanuit het aan een onderzoek onderworpen land, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge is in ieder geval niet lager dan 6 %.”
Arrest van het Gerecht (Zevende kamer - uitgebreid) van 19 maart 2025 (Uittreksels)
Arrest van het Gerecht (Zevende kamer - uitgebreid) van 19 maart 2025 (Uittreksels)
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 19 maart 2025
Uitspraak
Arrest van het Gerecht (Zevende kamer – uitgebreid)
19 maart 2025(*)
"„Dumping - Invoer van superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea - Uitvoeringsverordening (EU) 2022/547 - Definitief antidumpingrecht - Artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van verordening (EU) 2016/1036 - Artikel 9, lid 4, van verordening 2016/1036 - Vaststelling van de schade - Onderzoek van de gevolgen die de invoer met dumping heeft voor de prijzen van soortgelijke producten die worden verkocht in de Unie - Analyse van de prijsonderbieding - Toepassing van de methode van productcontrolenummers - Oorzakelijk verband - Analyse van toerekening en van niet-toerekening - Andere bekende factoren - Hoogte van het antidumpingrecht - Rechten van de verdediging - Beginsel van behoorlijk bestuur”"
In zaak T‑356/22,
LG Chem, Ltd., gevestigd te Seoel (Zuid-Korea), vertegenwoordigd door P. Vander Schueren, E. Gergondet en A. Nosowicz, advocaten,
verzoekster, tegenEuropese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo en J. Zieliński als gemachtigden,
verweerster,ondersteund door
BASF Antwerpen NV, gevestigd te Antwerpen (België),
en
Nippon Shokubai Europe NV, gevestigd te Antwerpen,
vertegenwoordigd door M.‑S. Dibling en J. Pauwelyn, advocaten,
en door
Evonik Superabsorber GmbH, gevestigd te Essen (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Wessely en T. Oeyen, advocaten, en A. Çelebi, solicitor,
interveniënten,
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Kowalik-Bańczyk, president, E. Buttigieg, G. Hesse, I. Dimitrakopoulos (rapporteur) en B. Ricziová, rechters,
griffier: M. Zwozdziak-Carbonne, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 11 april 2024,
het navolgende
Arrest(2)
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, LG Chem, Ltd., nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2022/547 van de Commissie van 5 april 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea (PB 2022, L 107, blz. 27; hierna: „bestreden verordening”), voor zover deze op haar van toepassing is.
[omissis]
II. Conclusies van partijen
23 Verzoekster verzoekt het Gerecht:
-
de bestreden verordening nietig te verklaren, voor zover deze op haar betrekking heeft;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten.
24 De Commissie, ondersteund door BASF, NSE en Evonik, verzoekt het Gerecht:
-
het beroep ongegrond te verklaren;
-
verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
25 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Het eerste middel is er in wezen aan ontleend dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt, artikel 3, lid 3, van de basisverordening heeft geschonden en verzoeksters rechten van verdediging heeft geschonden bij haar analyse van de gevolgen van de invoer uit de Republiek Korea voor de prijzen. Met het tweede middel wordt in wezen aangevoerd dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt, artikel 3, leden 2, 5, 6 en 7, van de basisverordening heeft geschonden en haar motiveringsplicht niet is nagekomen door schade van producenten van de Unie op vooringenomen wijze te analyseren en door de gestelde schade toe te schrijven aan de invoer uit Korea, in plaats van aan andere bekende factoren. Het derde middel is er in wezen op gebaseerd dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt, dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 3, lid 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening en met verzoeksters rechten van verdediging door de schademarge vast te stellen op basis van een vereenvoudigd productcontrolenummer (PCN), door geen toereikende niet-vertrouwelijke samenvattingen van de berekeningen van de schademarge te verstrekken en door andere bekende schadefactoren niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de schademarge. Het vierde middel is er in wezen aan ontleend dat de Commissie bij de uitvoering van haar onderzoek verzoeksters rechten van verdediging alsmede het recht op behoorlijk bestuur heeft geschonden.
[omissis]
A. Derde middel: kennelijke beoordelingsfouten alsmede schending van artikel 3, lid 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening en van de rechten van de verdediging door de schademarge vast te stellen op basis van een vereenvoudigd PCN, door geen toereikende niet-vertrouwelijke samenvattingen van de berekeningen van de schademarge te verstrekken en door andere bekende schadefactoren niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de schademarge
266 In het kader van het derde middel betoogt verzoekster in wezen dat de door de Commissie in de bestreden verordening vastgestelde schademarge onverenigbaar is met artikel 3, lid 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening en dat de Commissie haar rechten van verdediging heeft geschonden. Ter ondersteuning van dit middel voert verzoekster twee grieven aan.
[omissis]
268 In het kader van de tweede grief voert verzoekster aan dat de Commissie op grond van artikel 9, lid 4, van de basisverordening een antidumpingrecht had moeten opleggen dat niet hoger was dan noodzakelijk was om de schadelijke gevolgen van de betrokken invoer tegen te gaan en dat dit percentage derhalve niet zo hoog mag zijn dat daarmee de schadelijke effecten die worden veroorzaakt door andere factoren dan deze invoer worden weggenomen. Verzoekster meent met het derde onderdeel van het tweede middel te hebben aangetoond dat er andere bekende schadefactoren bestonden die de Commissie had moeten onderzoeken. Aangezien bij de berekening van de schademarge door de Commissie geen rekening is gehouden met deze andere factoren, kan volgens verzoekster niet worden gegarandeerd dat het opgelegde percentage van het antidumpingrecht niet tevens de schadelijke gevolgen van andere factoren dan de invoer uit de Republiek Korea opvangt. Zij voegt daaraan toe dat zij tijdens de administratieve procedure het percentage van de schade die aan andere bekende factoren had moeten worden toegeschreven, voorzichtig had beoordeeld. Met betrekking tot het argument van de Commissie dat bij de berekening van het prijsbederf per definitie geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van andere oorzaken van schade, stelt verzoekster dat dit argument indruist tegen de verplichting om de schadelijke gevolgen van andere factoren niet aan de beoogde invoer toe te rekenen en dat het onjuist is, aangezien de Koreaanse prijzen evenzeer worden gedrukt door de gevolgen van de Japanse en de Turkse laaggeprijsde invoer als door de afbraakprijsstrategie van NSE en de prijsformule voor superabsorberende polymeren (hierna: „SAP”), terwijl de kosten van de bedrijfstak van de Unie worden opgedreven door de hoge investeringskosten.
269 De Commissie, ondersteund door interveniënten, bestrijdt verzoeksters argumenten. De Commissie stelt in wezen dat de schademarge zoals berekend in de bestreden verordening enkel rekening houdt met het verschil tussen verzoeksters verkoopprijzen en de hypothetische richtprijs van de bedrijfstak van de Unie. Volgens de Commissie is de schademarge dus de uitdrukking van het recht dat noodzakelijk is om de schade op te heffen die alleen uit verzoeksters invoer voortvloeit.
270 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 9, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening bepaalt dat „het antidumpingrecht niet hoger [mag] zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en [...] lager [dient] te zijn dan de marge als een dergelijk lager recht toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie” en dat „de leden 2 bis, 2 ter, 2 quater en 2 quinquies van artikel 7 [...] van overeenkomstige toepassing [zijn]”.
271 Artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2018/825 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (PB 2018, L 143, blz. 1), bepaalt:
272 Voorts bepaalt artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening, zoals gewijzigd bij verordening 2018/825:
„Bij het vaststellen van de richtprijs worden de reële productiekosten van de bedrijfstak in de Unie, die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, of uit de in bijlage I bis bij deze verordening vermelde Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), goed tot uiting gebracht. Bovendien wordt rekening gehouden met toekomstige kosten die niet onder lid 2 quater van dit artikel vallen, die voortvloeien uit die overeenkomsten en verdragen, en die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken.”
273 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 9, lid 4, van de basisverordening de „regel van het laagste recht” bevat, namelijk dat het antidumpingrecht lager moet zijn dan de vastgestelde dumpingmarge als een dergelijk lager recht toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie. Deze regel heeft tot doel te voorkomen dat het ingestelde antidumpingrecht hoger is dan nodig om de schade die deze bedrijfstak door de invoer met dumping lijdt, weg te nemen. Een dergelijke regel is gerechtvaardigd in het licht van de aard en het doel van de antidumpingrechten, die geen sancties of compenserende maatregelen tot herstel van de geleden schade zijn, maar beschermende maatregelen om zich te weren tegen de oneerlijke mededinging die het gevolg is van invoer met dumping. Deze rechten hebben enkel tot doel de invoer met dumping te verhinderen of economisch oninteressant te maken en aldus een einde te maken aan de verstoring van het evenwicht op de binnenlandse markt als gevolg van deze dumping (zie arrest van 8 juni 2023, Severstal en NLMK/Commissie, C‑747/21 P en C‑748/21 P, EU:C:2023:459, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
274 Voorts bevat artikel 9, lid 4, van de basisverordening weliswaar geen enkele aanwijzing voor de concrete berekening van het antidumpingrecht en legt het de instellingen geen bijzondere methode op om ervoor te zorgen dat het antidumpingrecht niet hoger is dan noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping van het betrokken product, maar moet er in dit kader aan worden herinnerd dat deze instellingen rekening moeten houden met de conclusies die zij hebben getrokken uit de uit hoofde van artikel 3, leden 6 en 7, van deze verordening verrichte toerekenbaarheids- en niet-toerekenbaarheidsanalyses (zie in die zin arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑236/17 P, EU:C:2019:258, punten 161 en 163 ).
275 Opdat het percentage van het antidumpingrecht dat krachtens artikel 9, lid 4, van de basisverordening wordt opgelegd niet hoger is dan noodzakelijk is om het hoofd te bieden aan de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, is het noodzakelijk dat in het percentage geen rekening wordt gehouden met de schadelijke effecten die worden veroorzaakt door andere factoren dan deze invoer. Met andere woorden, de instellingen moeten met het oog op de vaststelling van dit percentage rekening houden met de conclusies die zij hebben getrokken uit het onderzoek ter vaststelling van de schade in de zin van artikel 3, leden 6 en 7, van deze verordening. Deze constatering wordt bovendien bevestigd in de formulering van artikel 9, lid 4, van de basisverordening, die ziet op „dumping [...] en [de] schade [die daardoor] wordt veroorzaakt”. Het begrip „schade” in datzelfde lid moet dus op dezelfde wijze worden opgevat, als verwijzend naar de schade die voortvloeit uit de dumping, te weten de schade die uitsluitend is veroorzaakt door de invoer met dumping (arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑236/17 P, EU:C:2019:258, punten 169 en 170 ; zie in die zin arrest van 3 december 2020, Changmao Biochemical Engineering/Distillerie Bonollo e.a., C‑461/18 P, EU:C:2020:979, punt 65 ).
276 Wat artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening betreft, zij erop gewezen dat deze bepaling in ruime mate de benadering codificeert die in het kader van de zogenoemde „prijsbederfmethode” wordt gevolgd om de zogenoemde „schademarge” vast te stellen (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de gevoegde zaken Severstal en Novolipetsk Steel/Commissie, C‑747/21 P en C‑748/21 P, EU:C:2023:20, punten 33‑35 en 57).
277 Volgens deze methode wordt de schademarge berekend door de prijs van de invoer met dumping te vergelijken met een richtverkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie. Laatstgenoemde prijs komt overeen met de prijs die de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs op de EU-markt zou kunnen verwachten als er geen invoer met dumping zou plaatsvinden. Om die hypothetische prijs vast te stellen wordt een „streefwinst” toegevoegd aan de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. Deze streefwinst komt overeen met de winstmarge die onder normale marktvoorwaarden redelijkerwijs mag worden verwacht (arrest van 8 juni 2023, Severstal en NLMK/Commissie, C‑747/21 P en C‑748/21 P, EU:C:2023:459, punt 74 ).
278 Het Hof heeft in wezen geoordeeld dat het gebruik van deze methode binnen de beoordelingsmarge van de Commissie valt. Het gebruik van een richtprijs in plaats van de werkelijke verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie voor de vaststelling van de schademarge maakt het mogelijk om rekening te houden met de neerwaartse druk die door de invoer met dumping op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie wordt uitgeoefend. Het in aanmerking nemen van die druk draagt bij tot de aannemelijkheid van de resultaten die door het gebruik van deze methode worden verkregen (arrest van 8 juni 2023, Severstal en NLMK/Commissie, C‑747/21 P en C‑748/21 P, EU:C:2023:459, punt 77 ).
279 Ten slotte is artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening van toepassing op procedures die vanaf 8 juni 2018 zijn ingesteld, zodat het in casu van toepassing is.
280 In casu heeft de Commissie artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening toegepast en de schademarge berekend op basis van een richtprijs.
281 In het bijzonder heeft de Commissie in afdeling 5 van de bestreden verordening aangegeven dat de invoer uit de Republiek Korea wegens de omvang en de prijzen ervan aanmerkelijke schade toebracht aan de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. In het kader van de beoordeling van artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie weliswaar erkend dat de invoer uit Turkije en Japan factoren waren die hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, maar heeft zij in wezen geconcludeerd dat die factoren niet significant genoeg waren om dat oorzakelijke verband af te zwakken.
282 In afdeling 7 van de bestreden verordening heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, onderzocht of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping op te heffen. De Commissie heeft in overweging 378 van de bestreden verordening gesteld dat dit het geval zou zijn indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken en een redelijke winst (met andere woorden een „nagestreefde winst”) te boeken door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening.
283 In de overwegingen 378 tot en met 380, 383 en 384 van de bestreden verordening heeft de Commissie haar methodologie als volgt uiteengezet:
„(378) De Commissie heeft eerst de hoogte van het recht vastgesteld dat nodig is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen. In dit geval zou de schade worden weggenomen indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken, met inbegrip van de kosten die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis bij de basisverordening vermelde IAO-verdragen, en een redelijke winst te boeken (‚nagestreefde winst’) door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening.
(379) Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, heeft de Commissie bij de vaststelling van de nagestreefde winst rekening gehouden met de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer uit het betrokken land en met de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Deze winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %.
(380) De Commissie heeft een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsomstandigheden dekt. Tijdens de gehele beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de Unie verlieslijdend. Aangezien die winstmarge lager was dan het bij artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, vereiste percentage van 6 %, is die winstmarge vervangen door een percentage van 6 %.
[...]
(383) Op basis hiervan heeft de Commissie een geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product voor de bedrijfstak van de Unie berekend door een nagestreefde winstmarge van 6 % toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening toe te passen.
(384) De Commissie heeft vervolgens het schade opheffende prijsniveau bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het betrokken land per productsoort, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vrije markt van de Unie werd verkocht. Als uit die vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer.”
284 Het schadeopheffende prijsniveau (definitieve schademarge) werd aldus voor verzoekster vastgesteld op 34,4 % (zie overweging 385 van de bestreden verordening).
285 Ten slotte heeft de Commissie het volgende gepreciseerd:
„(386) Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde [verzoekster] aan dat bij de vaststelling van de schademarge dezelfde fout is gemaakt als bij de berekening van de prijsonderbieding, en dat de opmerkingen die zij over de prijsonderbieding heeft gemaakt, mutatis mutandis van toepassing zijn. Ook de schademarge moet worden aangepast aan de gevolgen van de andere door [verzoekster] aangevoerde factoren.
(387) De Commissie verwees naar haar argumenten in de overwegingen 184 tot en met 188 en naar haar weerlegging van de argumenten van [verzoekster] over de gevolgen van de invoer uit andere landen, de SAP-prijsformule en de investeringen van de bedrijfstak van de Unie, zoals uiteengezet in de respectieve delen van de analyse van het oorzakelijk verband. Deze argumenten werden daarom ook met betrekking tot de vaststelling van de schademarge afgewezen.”
[omissis]
288 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de door de Commissie in de bestreden verordening gebruikte methode niet kon waarborgen dat in het percentage van het opgelegde antidumpingrecht geen rekening werd gehouden met de schadelijke gevolgen die werden veroorzaakt door andere factoren dan de Koreaanse invoer, te weten, ten eerste, de SAP-prijsformule en de gevolgen van de door de bedrijfstak van de Unie gedane investeringen en, ten tweede, de invoer uit Turkije en Japan.
289 Wat ten eerste de SAP-prijsformule en de gevolgen van de door de bedrijfstak van de Unie gedane investeringen betreft, blijkt uit het onderzoek van de eerste grief van het derde onderdeel van het tweede middel (zie punten 227‑232 hierboven) dat verzoekster niet heeft aangetoond dat dergelijke factoren hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Verzoekster kan de Commissie dus niet verwijten dat zij heeft nagelaten de vermeende schadelijke gevolgen van die factoren buiten beschouwing te laten.
290 Wat ten tweede de invoer uit Turkije en Japan betreft, moet worden opgemerkt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de door de Commissie gevolgde methode niet geschikt was om overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening het passende niveau van het recht vast te stellen om de schade weg te nemen die de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping heeft geleden. In dit verband moet worden benadrukt dat de Commissie, door ervoor te zorgen dat de schademarge enkel het verschil weergeeft tussen de gewogen gemiddelde invoerprijs en een overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening berekende richtprijs van de bedrijfstak van de Unie, heeft verzekerd dat de door andere factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met dumping werd toegerekend.
291 Zoals in de punten 276 tot en met 278 hierboven is aangegeven, is de door de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening gevolgde „prijsbederfmethode” immers gebaseerd op het gebruik van een hypothetische richtprijs van de bedrijfstak van de Unie die, anders dan de werkelijke verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie, niet wordt beïnvloed door de gevolgen van de andere door de Commissie erkende schadefactoren.
292 In dit verband voert verzoekster in haar bij het Gerecht ingediende stukken, onder verwijzing naar het arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad (C‑236/17 P, EU:C:2019:258 ), aan dat deze methode in strijd is met de in punt 169 van dat arrest geformuleerde verplichting om de schadelijke gevolgen van andere factoren niet toe te rekenen aan de beoogde invoer. Verzoekster beroept zich echter enkel op het arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad (C‑236/17 P, EU:C:2019:258 ), om het bestaan van een dergelijke verplichting aan te tonen, zonder evenwel concreet en nauwkeurig aan te voeren dat in dat arrest het gebruik van bovengenoemde methode in geval van andere schadefactoren ter discussie is gesteld. Overigens blijkt uit dat arrest geenszins dat het Hof het gebruik van de zogenoemde „prijsbederfmethode”, die thans is gecodificeerd in artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, zou hebben afgekeurd op grond dat deze methode in strijd is met de regel dat bij het percentage van het antidumpingrecht geen rekening mag worden gehouden met de schadelijke gevolgen van andere factoren dan de invoer met dumping.
293 Bovendien moet worden opgemerkt dat verzoekster in haar verzoekschrift de gewogen gemiddelde invoerprijs die de Commissie voor de vaststelling van de prijsonderbieding heeft gebruikt, niet concreet en nauwkeurig heeft betwist. In repliek stelt zij daarentegen voor het eerst dat ook de Koreaanse prijzen worden gedrukt door de gevolgen van andere factoren, zoals met name de laaggeprijsde Japanse en Turkse invoer. Vastgesteld moet worden dat deze stelling niet-ontvankelijk is, aangezien zij voor het eerst in repliek wordt aangevoerd. Hoe dan ook gaat deze stelling, die overigens nooit is aangevoerd om het oorzakelijke verband tussen de invoer uit Korea en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade te betwisten, in de repliek niet gepaard met een concrete en uitgebreide toelichting en wordt dit argument evenmin onderbouwd met concreet bewijsmateriaal over de invloed van deze andere factoren op de Koreaanse prijzen.
294 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en artikel 3, lid 3, of artikel 9, lid 4, van de basisverordening heeft geschonden door haar methode voor de berekening van de schademarge en het percentage van het antidumpingrecht toe te passen, of dat de Commissie haar rechten van verdediging heeft geschonden.
295 Derhalve moet het derde middel in zijn geheel worden afgewezen.
[omissis]
B. Conclusie
341 Gelet op het voorgaande, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
[omissis]
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
-
Het beroep wordt verworpen.
-
LG Chem, Ltd. draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie, BASF Antwerpen NV, Nippon Shokubai Europe NV en Evonik Superabsorber GmbH.
Kowalik-Bańczyk
Buttigieg
Hesse
Dimitrakopoulos
Ricziová
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 maart 2025.
ondertekeningen