Home

Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 10 juli 2025

Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 10 juli 2025

Gegevens

Datum uitspraak
10 juli 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. RANTOS

van 10 juli 2025 (1)

Gevoegde zaken C722/23 [Rugu] en C91/24 [Aucroix] (i)

AR

in tegenwoordigheid van:

Procureur-generaal (C722/23)

en

Procureur-generaal van Bergen

tegen

HL (C91/24)

[verzoeken van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 1, lid 3 – Procedures van overlevering tussen de lidstaten – Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging – Eerbiediging van de grondrechten – Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat – Artikel 4, punt 6 – Facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging – Doel van reclassering – Onderdaan van een lidstaat die ingezetene is van de uitvoerende lidstaat – Voorkoming van straffeloosheid – Erkenning van vonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Artikel 25 – Tenuitvoerlegging van een vonnis in het kader van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 – Instemming van de uitvaardigende lidstaat ”






I.      Inleiding

1.        AR, een Roemeens staatsburger, en HL, een Belgisch staatsburger, die beiden ingezetene zijn van België, zijn elk het voorwerp geweest van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: „EAB”), dat respectievelijk door de Roemeense en de Griekse rechterlijke autoriteiten is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. De Belgische appelrechters waarbij de zaak aanhangig was gemaakt, hebben de tenuitvoerlegging van deze EAB’s geweigerd op grond dat AR en HL in geval van overlevering, vanwege de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaten, zouden worden blootgesteld aan het risico dat hun grondrechten worden aangetast.

2.        In deze context wenst het Hof van Cassatie (België) van het Hof van Justitie te vernemen of, in een situatie waarin de rechterlijke instanties van de uitvoerende lidstaat op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ(2) weigeren een EAB ten uitvoer te leggen, die rechterlijke instanties de in artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit bedoelde facultatieve weigeringsgrond kunnen dan wel moeten toepassen met het oog op de tenuitvoerlegging, in de uitvoerende lidstaat, van de opgelegde straf wanneer de betrokkenen onderdaan of ingezetene zijn van die lidstaat.

3.        De onderhavige gevoegde zaken passen in de context van de rechtspraak die voortkomt uit het arrest Aranyosi en Căldăraru(3), waarin het Hof voor het eerst in wezen heeft geoordeeld dat indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit in uitzonderlijke omstandigheden tot de slotsom komt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de gezochte persoon in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaat het risico loopt dat zijn grondrechten worden geschonden, en dat dit risico niet binnen een redelijke termijn kan worden afgewend, deze uitvoerende rechterlijke autoriteit, overeenkomstig artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, uitgelegd in het licht van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), geen gevolg kan geven aan het EAB. Deze zaken doen aldus de nog niet eerder gestelde vraag rijzen welke consequenties ten aanzien van de betrokkenen moeten worden getrokken uit de weigering om een EAB ten uitvoer te leggen vanwege de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, namelijk de vraag of de uitvoerende rechterlijke autoriteit hen in vrijheid moet stellen dan wel, teneinde straffeloosheid te voorkomen, op grond van artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit hun straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat ten uitvoer kan of moet laten leggen wanneer aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Kaderbesluit 2002/584

4.        De overwegingen 5, 6 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden:

„(5)      De opdracht van de [Europese] Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(6)      Het [EAB] waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

[...]

(12)      Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het [Handvest], met name in hoofdstuk VI. [...]”

5.        Artikel 1, „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het [EAB]”, van dit kaderbesluit bepaalt het volgende:

„1.      Het [EAB] is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.      De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk [EAB] ten uitvoer te leggen.

3.      Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

6.        Artikel 3 van het kaderbesluit, „Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging [van het EAB]”, bepaalt:

„De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‚de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het [EAB] in de volgende gevallen:

1.      het strafbaar feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, valt in de uitvoerende staat onder een amnestie en deze staat was krachtens zijn strafwetgeving bevoegd om dat strafbaar feit te vervolgen;

2.      uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;

3.      de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, kan krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen.”

7.        Artikel 4 van dit kaderbesluit, „Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging”, bepaalt in de aanhef en punt 6 ervan:

„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het [EAB] weigeren in de volgende gevallen:

[...]

6.      het [EAB] is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen”.

8.        Artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 heeft betrekking op beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen.

2.      Kaderbesluit 2008/909

9.        In de overwegingen 9 en 12 van kaderbesluit 2008/909/JBZ(4) staat te lezen:

„(9)      De tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat dient de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan de reclassering van de betrokkene, dient zij rekening te houden met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft.

[...]

(12)      Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 3, van kaderbesluit [2002/584]. Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 6, van kaderbesluit [2002/584], alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.”

10.      Artikel 3 van kaderbesluit 2008/909, „Doel en werking”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.

2.      Dit kaderbesluit is van toepassing indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.”

11.      Artikel 4 van dit kaderbesluit, „Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat”, bepaalt:

„1.      Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:

a)      de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)      de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen [...], of

c)      een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.

2.      Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.

3.      De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.

[...]

5.      De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. [...] Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.

6.      Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.

[...]”

12.      In artikel 8 van dat kaderbesluit, „Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie”, wordt het volgende bepaald:

„1.      De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.

2.      Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.

3.      Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.

4.      De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.”

13.      Artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, „Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een [EAB]”, luidt:

„Onverminderd kaderbesluit [2002/584] zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit [2002/584], van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, [punt] 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.”

B.      Belgisch recht

14.      Artikel 4 van de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel van 19 december 2003 (hierna: „wet van 19 december 2003”)(5) bepaalt:

„De tenuitvoerlegging van een [EAB] wordt in volgende gevallen geweigerd:

[...]

5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het [EAB] afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.”

15.      Die wet bepaalt in artikel 6, aanhef en 4° ervan:

„De tenuitvoerlegging kan worden geweigerd:

[...]

4° ingeval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, de betrokken persoon Belg is of in België verblijft, en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen.”

III. Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedures bij het Hof

A.      Zaak C722/23

16.      Op 1 augustus 2023 is door de Roemeense rechterlijke autoriteit tegen AR, een Roemeens staatsburger die ingezetene van België is, een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vier jaar. De raadkamer van de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) heeft, op basis van artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003, bij beschikking geweigerd dit EAB ten uitvoer te leggen op grond dat AR wegens de detentieomstandigheden in Roemenië zou zijn blootgesteld aan het risico dat zijn grondrechten worden geschonden, in casu de rechten bedoeld in artikel 3 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden („EVRM”)(6).

17.      Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België), op hoger beroep van het openbaar ministerie, deze beschikking bevestigd, maar tevens beslist dat deze gevangenisstraf van vier jaar „in België ten uitvoer kan worden gelegd” overeenkomstig artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003, aangezien het risico dat de grondrechten van AR worden geschonden geen betrekking heeft op de procedure die tot de veroordeling van betrokkene heeft geleid of op deze veroordeling zelf, maar op een wijze van tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde straf.

18.      AR is tegen die uitspraak opgekomen bij het Hof van Cassatie, de verwijzende rechter, en heeft daarbij schending van artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, van artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003 en van artikel 38, § 1, van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie(7) aangevoerd. In dit verband heeft AR betoogd dat de appelrechter, na te hebben vastgesteld dat de in artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003 bedoelde verplichte grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB van toepassing was, noch de gevolgen van de in artikel 6, 4°, van deze wet vervatte facultatieve weigeringsgrond kon toepassen noch, omdat hij ingezetene van België was, kon gelasten dat de aan hem in Roemenië opgelegde gevangenisstraf in België ten uitvoer zou worden gelegd.

19.      In die omstandigheden merkt de verwijzende rechter op dat uit het arrest Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)(8) blijkt dat de EAB-regeling met name tot doel heeft om te vermijden dat een gezochte persoon die zich in een ander land bevindt dan dat waar hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, ongestraft blijft. De verwijzende rechter refereert tevens aan het arrest Popławski I(9), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten, wanneer zij weigeren om een EAB ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de overlevering van een persoon die in de uitvaardigende lidstaat bij een onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zelf moeten garanderen dat de aan die persoon opgelegde straf daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd.

20.      Volgens de verwijzende rechter werpt het door AR aangevoerde middel de vraag op of de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin een EAB ten uitvoer moet worden gelegd – wanneer zij hebben vastgesteld dat er in geval van overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat een risico bestaat dat de grondrechten van de betrokkene worden geschonden en dat dit risico niet binnen een redelijke termijn kan worden afgewend, zodat zij verplicht zijn de tenuitvoerlegging van dit EAB te weigeren – evenwel ter voorkoming van straffeloosheid van de gezochte persoon die ingezetene is van een ander land dan dat waar hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, kunnen beslissen dat, overeenkomstig de nationale bepaling tot omzetting van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 in de nationale rechtsorde, dient te worden gelast dat de gevangenisstraf die in de uitvaardigende lidstaat aan de betrokkene werd opgelegd en waarop het EAB betrekking heeft, in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer zal worden gelegd. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de vaststelling dat er een verplichte grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB bestaat, eraan in de weg staat dat de gevolgen van de in artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit bedoelde facultatieve weigeringsgrond toepassing kunnen vinden. Deze rechter preciseert dat de onderhavige zaak, anders dan de zaak die heeft geleid tot het arrest Popławski II, wordt gekenmerkt door het feit dat de betrokkene ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en dat de in artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003 bedoelde verplichte weigeringsgrond moet worden toegepast.

21.      Daarop heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin over de tenuitvoerlegging van een [EAB] wordt beslist, hebben vastgesteld dat in geval van overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat het risico bestaat dat de grondrechten van deze persoon in verband met de uitvoering van de buitenlandse straf worden geschonden, zodat de tenuitvoerlegging van het [EAB] dient te worden geweigerd, staat artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] de rechterlijke instanties van de uitvoerende lidstaat – die vaststellen dat de gezochte persoon in laatstbedoelde staat verblijft – dan toe om vervolgens te beslissen dat de vrijheidsstraf die is opgelegd in de lidstaat die het EAB heeft uitgevaardigd en naar welke gevangenisstraf in dat bevel wordt verwezen, overeenkomstig de bepaling tot omzetting van artikel 4, [punt] 6, van [dat] kaderbesluit in de nationale rechtsorde, ten uitvoer dient te worden gelegd in de uitvoerende lidstaat?”

22.      De verwijzende rechter heeft verzocht om zaak C‑722/23 te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Op 6 december 2023 heeft de Eerste kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen.

B.      Zaak C91/24

23.      Op 9 maart 2016 is door de Griekse rechterlijke autoriteit tegen HL, een Belgisch staatsburger die ingezetene van België is, een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vijf jaar.

24.      Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) op basis van artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003 geweigerd dit EAB ten uitvoer te leggen op grond dat de verstandelijke beperkingen van HL, in combinatie met de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, het niet mogelijk maakten om te voldoen aan de waarborgen van de artikelen 3 en 5(10) EVRM, aangezien HL zou worden blootgesteld aan het risico te worden gedetineerd in een overbevolkte gevangenis waar hij niet over bij zijn medische toestand passende zorg zou kunnen beschikken.

25.      De procureur-generaal bij de cour d’appel de Mons is tegen die uitspraak opgekomen bij het Hof van Cassatie, de verwijzende rechter, met het betoog dat die kamer, na de tenuitvoerlegging van dit EAB te hebben geweigerd wegens de omstandigheden waaronder de gevangenisstraf in de uitvaardigende lidstaat zou worden uitgevoerd, had moeten overwegen de in artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 vervatte facultatieve weigeringsgrond toe te passen. Dienaangaande heeft hij aangevoerd dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat degene van wie de overlevering wordt geweigerd, ongestraft blijft.

26.      De verwijzende rechter vraagt zich om dezelfde redenen als die welke in zijn verwijzingsbeslissing in zaak C‑722/23 in wezen zijn uiteengezet af of, wanneer de rechterlijke instanties van de uitvoerende lidstaat hebben vastgesteld dat er een risico bestaat dat de grondrechten van de gezochte persoon worden geschonden indien hij aan de uitvaardigende lidstaat wordt overgeleverd, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 deze rechterlijke instanties verplicht om, teneinde te voorkomen dat de betrokkene die de nationaliteit van de uitvoerende lidstaat bezit of ingezetene van deze lidstaat is, ongestraft blijft, na te gaan of het passend is overeenkomstig die bepaling te gelasten dat de gevangenisstraf die in de uitvaardigende lidstaat aan die betrokkene is opgelegd en waarop dat EAB betrekking heeft, ten uitvoer wordt gelegd in de uitvoerende lidstaat.

27.      Daarop heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer de rechterlijke instanties van de lidstaat waarin over de tenuitvoerlegging van een [EAB] wordt beslist, hebben vastgesteld dat bij overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat er in verband met de tenuitvoerlegging van de buitenlandse straf een risico bestaat dat de grondrechten van deze persoon worden geschonden, zodat de tenuitvoerlegging van het [EAB] moet worden geweigerd, dient artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] dan aldus te worden uitgelegd dat het die rechterlijke instanties van de uitvoerende staat verplicht om, teneinde te voorkomen dat de gezochte persoon die in het bezit is van de nationaliteit van deze staat of daar woont, ongestraft blijft, na te gaan of het passend is om overeenkomstig de bepaling die voormeld artikel 4, [punt] 6, in nationaal recht omzet, te gelasten dat de gevangenisstraf die aan de betrokken persoon is opgelegd in de lidstaat die het [EAB] heeft uitgevaardigd, te weten de straf waarop dit bevel betrekking heeft, ten uitvoer wordt gelegd in de uitvoerende lidstaat?”

28.      Bij beslissing van het Hof van 28 januari 2025 zijn de zaken C‑722/23 en C‑91/24 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

29.      De Belgische, de Franse en de Roemeense regering alsmede de Europese Commissie hebben in elk van beide zaken schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof. De Nederlandse regering heeft enkel schriftelijke opmerkingen ingediend in zaak C‑91/24 en de Poolse regering enkel in zaak C‑722/23. Met uitzondering van de Poolse regering hebben deze partijen alsook AR eveneens mondelinge opmerkingen gemaakt tijdens de pleitzitting van 18 maart 2025.

IV.    Analyse

30.      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij op basis van de in artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit vervatte weigeringsgrond weigert een EAB ten uitvoer te leggen wegens het bestaan van een risico dat de betrokkene in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt blootgesteld aan schending van zijn grondrechten in verband met de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, de mogelijkheid heeft dan wel verplicht is om, teneinde te voorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft, te onderzoeken of dient te worden gelast dat, wanneer deze rechter vaststelt dat die betrokkene onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, die straf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van deze lidstaat.

A.      Opmerkingen vooraf

31.      Vooraf zij in herinnering gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan worden verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd, beoogt de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan. Binnen het toepassingsgebied van dit kaderbesluit komt het beginsel van wederzijdse erkenning, dat blijkens overweging 6 daarvan de hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken vormt, tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dat kaderbesluit. Daarin is bepaald dat de lidstaten zich ertoe verbinden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van genoemd kaderbesluit, elk EAB ten uitvoer te leggen. Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten slechts kunnen weigeren een EAB ten uitvoer te leggen op gronden die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van het EAB de regel en is de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd.(11) Artikel 3 van dit kaderbesluit vermeldt de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB en de artikelen 4 en 4 bis vermelden de gronden tot facultatieve weigering van die tenuitvoerlegging.(12)

32.      Voorts is volgens de rechtspraak van het Hof zowel het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten als het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten berust, in het Unierecht van fundamenteel belang, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer bepaald, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, zijn zij dus gehouden om aan te nemen dat de andere lidstaten de grondrechten eerbiedigen, zodat zij niet kunnen eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, en evenmin kunnen nagaan, behoudens uitzonderlijke gevallen, of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Europese Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd.(13)

33.      Tevens staat het volgens de rechtspraak van het Hof weliswaar aan elke lidstaat om, teneinde te waarborgen dat de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning – die ten grondslag liggen aan de werking van de EAB-regeling – ten volle worden toegepast, onder het uiteindelijke toezicht van het Hof toe te zien op de eerbiediging van de vereisten die inherent zijn aan de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, en geen enkele maatregel te nemen die daaraan afbreuk kan doen, doch kan het de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn toegestaan om op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584(14) bij wijze van uitzondering ervan af te zien om aan een EAB gevolg te geven, wanneer de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, een reëel risico loopt dat deze grondrechten zullen worden geschonden. Volgens deze bepaling kan het kaderbesluit niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.

34.      Uit de rechtspraak van het Hof over dit kaderbesluit volgt ook dat de beoordeling, in het kader van een procedure voor de tenuitvoerlegging van een EAB, van de vraag of er een reëel risico bestaat op schending van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, in beginsel moet verlopen middels een toets in twee afzonderlijke stappen die niet met elkaar mogen worden verward, aangezien zij een analyse op basis van verschillende criteria vereisen, en die bijgevolg achtereenvolgens moeten worden verricht. Daartoe moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het kader van de eerste stap bepalen of er sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die erop kunnen wijzen dat er in de uitvaardigende lidstaat een reëel risico op schending van een van deze grondrechten bestaat, hetzij wegens structurele of fundamentele gebreken, hetzij wegens gebreken die met name een objectief identificeerbare groep personen raken. In het kader van de tweede stap moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit concreet en nauwkeurig nagaan in hoeverre de gebreken die bij de eerste stap van de toets zijn geïdentificeerd, gevolgen kunnen hebben voor de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd, en of er – gelet op de persoonlijke situatie van die persoon – sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat die persoon bij overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar zal lopen dat die grondrechten zullen worden geschonden.(15) Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat zij niet over alle noodzakelijke gegevens beschikt om een beslissing over de overlevering van de betrokkene te nemen, moet zij overeenkomstig artikel 15, lid 2(16), van kaderbesluit 2002/584 de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend verzoeken om alle aanvullende gegevens te verstrekken die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de omstandigheden waaronder deze persoon naar verwachting zal worden gedetineerd.(17)

35.      Zoals advocaat-generaal Sánchez-Bordona heeft opgemerkt, is de in de punten 32 tot en met 34 van deze conclusie uiteengezette rechtspraak, die in het arrest Aranyosi en Căldăraru is vervat, een voorbeeld van pretoriaanse rechtsvorming door het Hof, die werd gerechtvaardigd door de noodzaak om een middel in te voeren tot bescherming van de grondrechten van de betrokkene in gevallen waarin door de Uniewetgever in het kader van het EAB niet uitdrukkelijk is voorzien.(18) Aldus moet worden geconstateerd dat het vereiste om de bescherming van de grondrechten van de betrokkene te waarborgen, onder de in die rechtspraak genoemde voorwaarden, een nieuwe verplichte grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB vormt, naast die welke reeds in artikel 3 van kaderbesluit zijn vervat.

B.      Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

36.      Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, betoogt de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen dat de context en de bewoordingen van de prejudiciële vragen slechts wijzen op een risico van schending van de grondrechten in geval van overlevering van gezochte personen in verband met de tenuitvoerlegging van de buitenlandse straf, zonder dat daarin de in de rechtspraak van het Hof verleiste en in punt 34 van deze conclusie uiteengezette nadere onderzoekshandelingen of natrekkingen in het kader van de toetsing in twee fasen aan bod komen. Er bestaat dus twijfel over of deze vragen beantwoorden aan een behoefte die verband houdt met de werkelijke beslechting van de hoofdgedingen.(19)

37.      Er zij aan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Het is echter ook vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De reden voor de prejudiciële verwijzing is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil.(20) Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU, moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak.(21)

38.      Dienaangaande blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat de aangezochte Belgische appelrechters de tenuitvoerlegging van de tegen AR en HL uitgevaardigde EAB’s hebben geweigerd op grond van artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003, waarin is bepaald dat de tenuitvoerlegging van een EAB moet worden geweigerd indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat die tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de in het Unierecht verankerde grondrechten van de betrokkene.

39.      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, staat een dergelijke bepaling, voor zover zij aldus wordt uitgelegd dat zij dezelfde strekking heeft als artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, een weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB alleen toe in het kader als bedoeld in punt 33 van deze conclusie en kan zij dus niet worden geacht een weigeringsgrond te creëren die niet uit dit kaderbesluit voortvloeit. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB niet kan weigeren op basis van een weigeringsgrond die niet uit dit kaderbesluit maar uitsluitend uit het recht van de uitvoerende lidstaat voortvloeit, maar dat deze rechterlijke autoriteit evenwel een nationale bepaling kan toepassen volgens welke de tenuitvoerlegging van een EAB wordt geweigerd wanneer die tenuitvoerlegging zou leiden tot schending van een in het Unierecht verankerd grondrecht, voor zover de strekking van deze bepaling niet verder gaat dan die van artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit, zoals uitgelegd door het Hof.(22)

40.      In casu vloeit uit de verwijzingsbeslissingen voort dat de Belgische rechterlijke instanties hebben geoordeeld dat er zwaarwegende, op feiten berustende gronden waren om aan te nemen dat de gezochte personen in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaten het risico liepen dat hun grondrechten zouden worden geschonden, en dat dit risico niet binnen een redelijke termijn kon worden afgewend. In die beslissingen gaat de verwijzende rechter dus uit van de premisse, die voortvloeit uit een onderzoek van de omstandigheden van de hoofdgedingen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de op artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 gebaseerde weigeringsgrond. Deze premisse, waarvan de verwijzende rechter het Hof niet verzoekt de gegrondheid te bevestigen, is in het kader van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing niet aan de orde gesteld. Met zijn vragen wenst deze rechter immers niet te vernemen of de voorwaarden waaronder de EAB’s niet ten uitvoer zijn gelegd rechtmatig zijn, maar welke consequenties daaruit in deze situatie in het licht van dat kaderbesluit moeten worden getrokken voor de tenuitvoerlegging van de aan die personen opgelegde straffen.

41.      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht en dat het antwoord daarop noodzakelijk en relevant lijkt voor de verwijzende rechter om uitspraak te kunnen doen. Ik ben derhalve van mening dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn.

C.      Ten gronde

1.      Kaderbesluit 2002/584

42.      De verwijzende rechter heeft er twijfels over of de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in de situatie waarin zij weigert een EAB ten uitvoer te leggen op basis van de weigeringsgrond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gehouden is – teneinde te voorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft – om met het oog op de tenuitvoerlegging, in de uitvoerende lidstaat, van de aan de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf de in artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit genoemde facultatieve weigeringsgrond toe te passen wanneer zij vaststelt dat deze persoon onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is.

43.      Volgens artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 moet voor de toepassing van de in deze bepaling vastgestelde facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten, ten eerste, de gezochte persoon verblijft in of is onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat en, ten tweede, deze staat verbindt zich ertoe de straf of maatregel waarvoor het EAB is uitgevaardigd overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen. Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat een gezochte persoon „ingezetene” is van de uitvoerende lidstaat wanneer hij zijn werkelijke verblijfplaats aldaar heeft gevestigd, en dat hij er „verblijft” wanneer hij, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene.(23) Wat de tweede voorwaarde betreft, volgt uit de bewoordingen van artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit dat de weigering om een EAB ten uitvoer te leggen veronderstelt dat de uitvoerende lidstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen.(24)

44.      Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat is voldaan aan deze twee voorwaarden moet zij nog beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat door enig legitiem belang wordt gerechtvaardigd. Deze beoordeling stelt deze autoriteit in staat rekening te houden met de doelstelling van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, die er volgens vaste rechtspraak van het Hof in bestaat de kansen op reclassering van de gezochte persoon te verhogen wanneer hij de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten.(25)

45.      In casu moet worden opgemerkt dat artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 in de hoofdgedingen is toegepast vanwege de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaten. Er is niet aangevoerd dat AR en HL met name niet het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces bij een vooraf bij wet ingesteld gerecht hebben genoten. Bijgevolg worden de strafrechtelijke sancties die hun zijn opgelegd in respectievelijk Roemenië en Griekenland, niet ter discussie gesteld en moeten zij onder de in dit kaderbesluit gestelde voorwaarden ten uitvoer worden gelegd. Bovendien wordt niet betwist dat HL een Belgisch staatsburger is en AR, een Roemeens staatsburger, „ingezetene” is van België in de zin van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit, zodat wat hen betreft is voldaan aan de eerste voorwaarde voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde facultatieve weigeringsgrond, die in punt 43 van deze conclusie in herinnering is gebracht.

46.      In dergelijke omstandigheden ben ik van mening dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij weigert een EAB ten uitvoer te leggen op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, aanvullend de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit moet toepassen en gehouden is te onderzoeken of moet worden gelast dat de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat, voor zover dit gerechtvaardigd is door een legitiem belang.

47.      Wat ten eerste de bewoordingen van dit kaderbesluit betreft, geen enkele bepaling ervan schrijft immers voor dat slechts één enkele grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB kan worden aangevoerd of dat een van deze gronden voorrang heeft boven een andere. Wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit zich op artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit baseert om te weigeren een EAB ten uitvoer te leggen, mag zij, onder de in die bepaling gestelde voorwaarden, dus ook de in artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit bedoelde facultatieve weigeringsgrond parallel toepassen.

48.      In dit verband heeft de Nederlandse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd dat kaderbesluit 2002/584 een bepaalde gelaagdheid kent.(26) De Commissie van haar kant heeft in haar schriftelijke opmerkingen in zaak C‑722/23 gesteld dat, hoewel deze twee weigeringsgronden naast elkaar bestaan en hun inroepbaarheid afhangt van de vervulling van hun respectieve criteria, er geen onderlinge hiërarchie bestaat. Dit betekent dat indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit, na de in de rechtspraak van het Hof vereiste tweestappentoets te hebben verricht, van oordeel is dat er een risico bestaat dat de grondrechten van de betrokkene worden geschonden, zij de overlevering moet weigeren op grond van artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit en bovendien, wanneer aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 4, punt 6, ervan is voldaan, zich ertoe kan verbinden de sanctie overeenkomstig haar nationale recht ten uitvoer te leggen en de overlevering op grond van laatstgenoemde bepaling weigeren. Mijns inziens bestaat er wel een hiërarchie tussen deze twee weigeringsgronden, die voortvloeit uit hun aard zelf – de ene is verplicht en de andere is facultatief –, zonder dat deze hiërarchie voor een uitvoerende rechterlijke autoriteit een precieze volgorde vereist waarin die gronden kunnen worden aangevoerd.

49.      Ten tweede kan in de omstandigheden van de hoofdgedingen, onder de verschillende gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB die zijn vermeld in artikel 4 van kaderbesluit 2002/584, enkel de in punt 6 ervan bedoelde grond het mogelijk maken dat de straf die is opgelegd aan de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd, in de uitvoerende lidstaat wordt tenuitvoergelegd. Indien deze bepaling niet wordt toegepast, moet de betrokkene dus in vrijheid worden gesteld, ook al is hij onherroepelijk veroordeeld en kan hij, afhankelijk van het gepleegde strafbare feit, een hoge mate van gevaar voor de samenleving opleveren, ook in de uitvoerende lidstaat.

50.      Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, blijkt evenwel uit vaste rechtspraak van het Hof dat de EAB-regeling tot doel heeft te voorkomen dat een gezochte persoon die zich in een ander land bevindt dan dat waar hij een strafbaar feit zou hebben gepleegd, ongestraft blijft.(27) Aanvaarding van een dergelijke straffeloosheid, die afbreuk zou doen aan de rechten van de slachtoffers van de gepleegde strafbare feiten, zou onverenigbaar zijn met zowel kaderbesluit 2002/584 als artikel 3, lid 2, VEU, volgens hetwelk de Unie haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen biedt, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot met name controles aan de buitengrenzen en voorkoming en bestrijding van criminaliteit.(28) Bijgevolg heeft het Hof vastgesteld dat kaderbesluit 2002/584 weliswaar geen rechtstreekse werking heeft, maar dat de bevoegde nationale rechter, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, de aan de orde zijnde nationale voorschriften niettemin zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van dit kaderbesluit dient uit te leggen, wat in casu inhoudt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten, wanneer zij weigeren om een EAB ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de overlevering van een persoon die in de uitvaardigende lidstaat bij een onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zelf moeten garanderen dat de aan die persoon opgelegde straf daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd.(29) Uit deze rechtspraak volgt dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit, op grond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit, in staat moet zijn te verzekeren dat de aan de gezochte persoon opgelegde straf op zijn eigen grondgebied ten uitvoer wordt gelegd, opdat die persoon de straf waartoe hij onherroepelijk is veroordeeld, uitzit.

51.      Ten derde heeft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, nog steeds volgens de rechtspraak van het Hof, tot doel de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen bijzonder belang te hechten aan de mogelijkheid om de kansen op „reclassering” van de gezochte persoon te vergroten.(30) Voor deze reclassering geldt per definitie dat de straf daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd en dat de betrokkene na afloop van die straf wordt bijgestaan in het kader van de terugkeer in de maatschappij. Het feit dat een onherroepelijk veroordeelde zijn straf niet uitzit, belet niet alleen zijn terugkeer in de maatschappij, maar kan ook een gevoel van straffeloosheid ontwikkelen dat recidive kan bevorderen.

52.      Ten vierde heeft het Hof geoordeeld dat aan kaderbesluit 2002/584 een uitlegging moet worden gegeven die kan verzekeren dat de vereisten van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen worden vervuld, echter zonder dat daarbij wordt afgedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van gerechtelijke samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde EAB een van de wezenlijke elementen vormt(31).

53.      Artikel 1, lid 3, en artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 streven dus verschillende doelstellingen na die niet tegenstrijdig, maar complementair blijken te zijn in het belang van de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd. Terwijl de eerste bepaling beoogt de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten met betrekking tot de gezochte persoon te beschermen, strekt de tweede bepaling ertoe, zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerking heeft uiteengezet, de kansen op reclassering van de betrokkene nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, te vergroten. De omstandigheid dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB weigert wegens het feit dat de grondrechten van de betrokkene dreigen te worden geschonden, sluit geenszins uit dat deze autoriteit tegelijkertijd kan oordelen dat de opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat wanneer deze persoon onderdaan of ingezetene van die lidstaat is en er een legitiem belang bestaat dat rechtvaardigt dat deze straf op het grondgebied van deze staat ten uitvoer wordt gelegd. Met andere woorden, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, doet de op dat artikel 1, lid 3, gebaseerde weigering van overlevering, die verband houdt met de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, geen afbreuk aan de opgelegde veroordeling, terwijl bij de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit, die evenmin afbreuk doet aan de veroordeling, de vraag rijst welke plaats het meest geschikt is voor de tenuitvoerlegging van die straf.

54.      Ik voeg daaraan toe dat, wat de in artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB betreft, uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de lidstaten bij de omzetting van dit kaderbesluit in hun nationale recht over een beoordelingsmarge beschikken. Het staat hen dus vrij om deze gronden al dan niet in hun nationale recht om te zetten. Zij kunnen tevens kiezen voor een beperking van de situaties waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een EAB ten uitvoer te leggen, waardoor, in overeenstemming met het in artikel 1, lid 2, van dat kaderbesluit vastgelegde beginsel van wederzijdse erkenning, de overlevering van gezochte personen wordt gefaciliteerd. Dit geldt met name voor artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584.(32)

55.      Ik moet daarbij echter opmerken dat kaderbesluit 2002/584 in artikel 3 voorziet in slechts drie gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB, te weten amnestie, de toepassing van het beginsel ne bis in idem en de leeftijd van de persoon tegen wie het EAB is uitgevaardigd. Deze gronden houden in werkelijkheid verband met het ontbreken van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene en in die situaties lijkt de weigering van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, in de uitvaardigende dan wel in de uitvoerende lidstaat, volstrekt logisch en in overeenstemming met de EAB-regeling.

56.      Zoals ik in punt 35 van deze conclusie heb aangegeven, vormt het arrest Aranyosi en Căldăraru bovendien een rechtsschepping door het Hof, waarmee een aanvullende verplichte grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB is toegevoegd, die is gebaseerd op artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit en betrekking heeft op de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkene, met name wat de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat betreft. Deze verplichte weigeringsgrond berust niet op het ontbreken van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene. De facultatieve toepassing van de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit kan ertoe leiden dat iemand die in de uitvaardigende lidstaat onherroepelijk is veroordeeld, geen enkele straf hoeft uit te zitten louter omdat hij, door te vluchten, heeft kunnen verblijven in een andere lidstaat dan die waar hij het strafbare feit heeft gepleegd waarvoor hij definitief is veroordeeld, ook wanneer hij een hoge mate van gevaar oplevert.

57.      In de context van deze rechtspraak zou het onverenigbaar zijn met de EAB-regeling dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit louter een mogelijkheid wordt geboden om de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 toe te passen. Indien deze autoriteit op grond van artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit weigert de gezochte persoon over te leveren, zou het facultatieve karakter van dat artikel 4, punt 6, zich, gelet op de rechtsvorming door het Hof in het arrest Aranyosi en Căldăraru, waarin een nieuwe grond tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB is gecreëerd, eveneens door middel van rechtsvorming moeten omvormen tot een verplichting mits aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan, waardoor de in de lidstaten in het kader van de voorkoming van straffeloosheid gehanteerde praktijken zouden kunnen worden gelijkgetrokken.

58.      Het creëren van een verplichting tot toepassing van artikel 4, punt 6, lijkt in overeenstemming te zijn met de rechtspraak van het Hof volgens welke de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij weigert om een EAB ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de overlevering van een persoon die in de uitvaardigende lidstaat bij een onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zelf moet garanderen dat die straf daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd.(33) In diezelfde zin heeft het Hof geoordeeld dat van de mogelijkheid voor deze autoriteit om de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren slechts gebruik mag worden gemaakt indien de daadwerkelijke tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat van de aan de gezochte persoon opgelegde straf gegarandeerd is, zodat tot een oplossing wordt gekomen die in overeenstemming is met de doelstelling van kaderbesluit 2002/584 (34), te weten het voorkomen van straffeloosheid.(35)

59.      In hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen betogen de Franse regering en de Commissie dat een verplichting voor de uitvoerende lidstaat om een in de uitvaardigende lidstaat opgelegde gevangenisstraf over te nemen, erop neer zou komen dat laatstgenoemde lidstaat wordt bevrijd van zijn verplichtingen ten koste van uitvoerende lidstaat en tekortschietende lidstaten er niet toe zou aanzetten om deze tekortkomingen te verhelpen. De Franse regering voegt daaraan toe dat deze overname „ingrijpende operationele gevolgen” voor de uitvoerende lidstaat zou hebben.

60.      Ik merk echter op dat indien de uitvoerende lidstaat besluit om artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 in een bepaald geval toe te passen, dit besluit noodzakelijkerwijs gevolgen heeft die hij moet kunnen dragen met betrekking tot de overname van de gevonniste persoon op zijn grondgebied. Het is in het belang van die lidstaat zelf om deze overname te verzekeren teneinde zijn nationale veiligheid en openbare orde te beschermen. Bovendien lijkt het argument dat is ontleend aan het ontbreken van een stimulans voor de „tekortschietende” lidstaten om hun gevangeniswezen te verbeteren, zwak. De sterkste stimulans komt immers voort uit de vaststelling door internationale rechterlijke instanties dat de detentieomstandigheden niet in overeenstemming zijn met het door het Unierecht gewaarborgde beschermingsniveau van de grondrechten en in het bijzonder met artikel 4 van het Handvest.(36) Aangezien genoemd artikel 1, lid 3, zoals het Hof heeft opgemerkt, enkel in uitzonderlijke omstandigheden toepassing vindt, valt bovendien moeilijk in te zien hoe een dergelijke overname „ingrijpende operationele gevolgen” voor de uitvoerende lidstaat zou kunnen meebrengen.

61.      Hoewel de toepassing van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 facultatief van aard is en de nationale omzetting van deze bepaling van lidstaat tot lidstaat verschilt(37), lijkt het mij nuttig te preciseren dat slechts enkele lidstaten deze bepaling als facultatieve weigeringsgrond hebben omgezet, en dat de meeste lidstaten deze bepaling verplicht of gedeeltelijk verplicht hebben gesteld.(38) In het kader van de toepassing van artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit zou aan de uitvoerende rechterlijke autoriteiten een rechtsgrondslag kunnen worden ontnomen die hen in staat stelt de tenuitvoerlegging te gelasten van de straf die is opgelegd aan de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd.(39) Het verplicht stellen van deze weigeringsgrond zou dus een geschikte oplossing zijn om de praktische moeilijkheden te verhelpen die deze autoriteiten ondervinden wanneer zij artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit toepassen.(40)

62.      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit die weigert een EAB ten uitvoer te leggen op grond van de weigeringsgrond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gehouden is om, wanneer zij vaststelt dat de betrokkene onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit toe te passen en, mits aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is voldaan, te gelasten dat de door de uitvaardigende lidstaat opgelegde gevangenisstraf op zijn grondgebied ten uitvoer wordt gelegd teneinde te voorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft.

63.      In casu staat vast dat het Koninkrijk België de in artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit vervatte facultatieve weigeringsgrond in zijn nationale recht heeft omgezet door middel van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003. Bovendien is, zoals is aangegeven, in de onderhavige zaken voldaan aan de eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit.(41) De tweede voorwaarde, namelijk dat de uitvoerende lidstaat zich ertoe verbindt de straf „overeenkomstig zijn nationale recht” ten uitvoer te leggen, houdt in dat op de maatregelen tot tenuitvoerlegging van de door de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf het recht van de uitvoerende lidstaat van toepassing is en dat deze maatregelen het mogelijk moeten maken de materiële tenuitvoerlegging van die straf alsook de reclassering van de gevonniste persoon te waarborgen.

2.      Kaderbesluit 2008/909

64.      Volgens de rechtspraak van het Hof geeft kaderbesluit 2008/909, net als kaderbesluit 2002/584, op strafrechtelijk gebied concreet gestalte aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning. Zoals in overweging 5 van kaderbesluit 2008/909 wordt benadrukt, breidt dit besluit de justitiële samenwerking uit op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer EU-onderdanen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering.(42) Volgens artikel 3, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/909, welk besluit van toepassing is indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, wordt met dit kaderbesluit beoogd regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de door een andere lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer legt. Uit artikel 25 van dat kaderbesluit volgt dat de bepalingen van dit kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584, van overeenkomstige toepassing zijn op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van dat laatste kaderbesluit ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen.(43)

65.      De door de Uniewetgever bepaalde samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 moet zodoende bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling om de reclassering van de betrokkene te vergemakkelijken. Die reclassering is overigens niet alleen in het belang van de betrokkene, maar tevens in dat van de Unie in het algemeen.(44)

66.      Zoals advocaat-generaal Richard de la Tour in zijn conclusie van 13 juni 2024 in de zaak C. J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)(45) heeft beklemtoond, volgt derhalve uit artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde facultatieve weigeringsgrond slechts kan toepassen indien de procedure van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een strafvonnis in een andere lidstaat dan de uitvaardigende lidstaat is gevolgd en de in dit kaderbesluit vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.(46) Anders gezegd, om zich ertoe te kunnen verbinden de aan de betrokkene opgelegde straf ten uitvoer te leggen, door na te gaan of het daadwerkelijk mogelijk is om de straf overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen, zoals genoemd artikel 4, punt 6, vereist, en aldus elk gevaar van straffeloosheid van die persoon uit te sluiten, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit het recht hebben om de tenuitvoerlegging van die straf over te nemen met inachtneming van de regels van kaderbesluit 2008/909.

67.      Het Hof heeft gepreciseerd dat tot die regels onder andere, ten eerste, artikel 8 van dit kaderbesluit behoort, dat bepaalt dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in beginsel moet instemmen met het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, wanneer zij overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dat kaderbesluit een dergelijk verzoek toegezonden krijgt. Zij kan in de regel slechts weigeren gevolg te geven aan een dergelijk verzoek op grond van de in artikel 9 van dit kaderbesluit limitatief opgesomde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging.(47) In artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 zijn bovendien strikte voorwaarden opgenomen voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie. Enkel onder die voorwaarden kan een uitzondering worden gemaakt op de krachtens artikel 8, lid 1, van dit kaderbesluit op die autoriteit rustende beginselplicht om het haar toegezonden vonnis te erkennen en onverwijld de maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in de beslissingsstaat gewezen vonnis.(48)

68.      Ten tweede bepaalt artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 in wezen dat de uitvaardigende lidstaat aan die andere lidstaat, wanneer de gevonniste persoon zijn toestemming heeft verleend, voor zover dit krachtens artikel 6 van dat kaderbesluit vereist is, dat vonnis kan toezenden samen met het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen. Artikel 4, lid 2, van kaderbesluit 2008/909 bepaalt dat het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen. Bovendien bepaalt artikel 4, lid 5, van kaderbesluit 2008/909 dat de tenuitvoerleggingsstaat uit eigen beweging de beslissingsstaat kan verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat, en dat een verzoek op grond van dit lid voor de beslissingsstaat geen verplichting schept om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.

69.      Zoals uit deze bepalingen van kaderbesluit 2008/909 blijkt, is de toezending, door de uitvaardigende lidstaat, van het vonnis en het certificaat als bedoeld in dit kaderbesluit noodzakelijk voor de erkenning van dat vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, waarbij de toezending de instemming van deze lidstaat met de overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de uitvoerende lidstaat vormt. De erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie vinden vervolgens plaats op basis van de gegevens in het certificaat, dat overigens door de uitvaardigende lidstaat kan worden ingetrokken(49), met name indien deze van mening is dat de voorgenomen aanpassing van de sanctie voor hem niet passend is. Hieruit volgt dat, indien het vonnis en certificaat als bedoeld in dat kaderbesluit niet worden toegezonden, de uitvoerende lidstaat niet bevoegd is om een in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie op zijn grondgebied ten uitvoer te leggen, aangezien laatstbedoelde lidstaat daarmee niet heeft ingestemd. Bijgevolg ben ik van mening dat, zoals de Roemeense en de Franse regering in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen hebben betoogd, de overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de uitvoerende lidstaat alleen kan geschieden binnen het door kaderbesluit 2008/909 aangegeven kader, dat vereist dat nauw met de uitvaardigende lidstaat wordt samengewerkt en dat deze lidstaat met name ermee instemt dat de sanctie in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd.

70.      In het kader van de hoofdgedingen staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de overname, door België, van de tenuitvoerlegging van de aan AR en HL opgelegde sancties.

71.      In casu blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Roemeense regering in zaak C‑722/23 dat de Belgische rechterlijke autoriteit de Roemeense rechterlijke autoriteit heeft verzocht om haar de documenten te verstrekken die noodzakelijk zijn om de tenuitvoerlegging van de tegen AR uitgesproken gevangenisstraf van vier jaar te kunnen overnemen op het Belgische grondgebied, daaronder begrepen het certificaat waaruit de instemming van laatstgenoemde autoriteit blijkt, zoals artikel 4, lid 5, van kaderbesluit 2008/909 vereist, welke documenten zij heeft ontvangen. Derhalve moet worden geoordeeld dat aan de tweede voorwaarde voor toepassing van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 is voldaan, aangezien de Belgische rechterlijke autoriteit in staat is deze straf materieel ten uitvoer te leggen overeenkomstig haar nationale recht, te weten artikel 38, § 1, van de wet van 15 mei 2012. De Belgische rechterlijke autoriteit zal nog moeten beoordelen of er een legitiem belang is dat rechtvaardigt dat de in de uitvaardigende lidstaat aan AR opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd in de uitvoerende lidstaat. Algemeen beschouwd staat het aan de verwijzende rechter om een globale beoordeling te verrichten van alle concrete elementen die kenmerkend zijn voor de situatie van AR en die erop kunnen wijzen dat er tussen hem en België banden bestaan op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij voldoende geïntegreerd is in dit land en dat de tenuitvoerlegging in die lidstaat van de hem in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf zal bijdragen tot de verwezenlijking van het door artikel 4, punt 6, nagestreefde doel van reclassering. Niettemin ben ik van mening dat er in de bijzondere situatie waarin, zoals in casu, de straf op grond van artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit niet kan worden tenuitvoergelegd in de uitvaardigende lidstaat, louter daarom al een legitiem belang bestaat dat rechtvaardigt dat die straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd.

72.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij weigert een EAB ten uitvoer te leggen op basis van de weigeringsgrond van artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit wegens het bestaan van een risico dat de betrokkene in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt blootgesteld aan schending van zijn grondrechten in verband met de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, gehouden is, teneinde te voorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft, de tenuitvoerlegging van deze straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat te gelasten wanneer zij vaststelt dat die betrokkene onderdaan of ingezetene is van die lidstaat, voor zover de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 in acht worden genomen met het oog op de daadwerkelijke overname van die straf op dat grondgebied.

D.      Aanvullende opmerkingen

73.      Teneinde mijn analyse te vervolledigen, wens ik enkele opmerkingen te maken over situaties waarin, anders dan in de onderhavige gevoegde zaken, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 niet kan worden toegepast.

74.      In het kader van de omzetting van dit kaderbesluit in hun nationale recht kunnen de lidstaten, die over een beoordelingsmarge beschikken, er immers voor hebben gekozen de in dat artikel 4, punt 6, bedoelde facultatieve weigeringsgrond niet om te zetten.(50) Voorts is het mogelijk dat de gezochte persoon geen onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is en daar evenmin verblijft.(51) In dergelijke situaties rijst de vraag of deze persoon ongestraft blijft wanneer hij gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer om zich naar een andere lidstaat dan die van zijn strafrechtelijke veroordeling te begeven en de weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB wordt overwogen op grond van artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit.(52)

75.      De kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 mogen er niet toe leiden dat een gezochte persoon zich kan onttrekken aan de definitieve veroordeling die tegen hem is uitgesproken. Ten eerste volgt immers uit de rechtspraak van het Hof dat, teneinde met name te verzekeren dat de werking van het EAB niet wordt verlamd, de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU vervatte verplichting tot loyale samenwerking leidend moet zijn voor de dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren en steunen de lidstaten elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.(53) Ten tweede bieden deze kaderbesluiten de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten immers de middelen die zij moeten aanwenden om ervoor te zorgen dat de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd op het enige grondgebied waar dit mogelijk blijft, te weten dat van de uitvoerende lidstaat, teneinde te voldoen aan de door kaderbesluit 2002/584 nagestreefde doelstelling van voorkoming van straffeloosheid.

76.      Zoals blijkt uit artikel 4, lid 5, van kaderbesluit 2008/909, kan in dit verband de uitvoerende lidstaat op eigen initiatief de uitvaardigende lidstaat verzoeken het vonnis samen met het certificaat aan hem toe te zenden.(54) Ik ben van mening dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is een dergelijk verzoek in te dienen. Zoals de Roemeense regering ter terechtzitting heeft betoogd, draagt de autonome toepassing van artikel 4, lid 5, van dit kaderbesluit in het kader van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, immers bij tot de voorkoming van straffeloosheid en tot de reclassering van de gevonniste persoon. Een verzoek op grond van dit lid 5 schept voor de uitvaardigende lidstaat echter geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden. Bijgevolg is het verkrijgen van de instemming van die lidstaat onontbeerlijk. Naar mijn mening, en zoals de Franse regering in haar mondelinge opmerkingen heeft betoogd, zal de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit een procedure van wederzijdse erkenning van de veroordelende beslissing inleidt krachtens dat kaderbesluit, zonder daarbij de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde sanctie op onevenredige wijze aan te tasten, bereid zijn de wederzijdse erkenning te aanvaarden. Bovendien lijkt het mij in overeenstemming met de EAB-regeling dat de uitvaardigende lidstaat, indien de gevonniste persoon niet wordt overgeleverd, geneigd zal zijn om, teneinde het risico van straffeloosheid van deze persoon te voorkomen, te aanvaarden dat de straf met zijn instemming op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd.

V.      Conclusie

77.      In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van Cassatie (België) als volgt te beantwoorden:

„Artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,

moet aldus worden uitgelegd dat

de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij weigert een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op basis van de weigeringsgrond van artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit wegens het bestaan van een risico dat de betrokkene in geval van overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt blootgesteld aan schending van zijn grondrechten in verband met de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat, gehouden is, teneinde te voorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft, de tenuitvoerlegging van deze straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat te gelasten wanneer zij vaststelt dat de betrokkene onderdaan of ingezetene is van die lidstaat, voor zover de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, in acht worden genomen met het oog op de daadwerkelijke overname van die straf op dat grondgebied.”