Home

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 januari 2025

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 januari 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 januari 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

30 januari 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Energie - Interne markt voor aardgas - Richtlijn 2009/73/EG - Artikel 3, lid 1 - Verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van aardgasbedrijven - Consumentenbescherming - Artikelen 40 en 41 - Bevoegdheden van de regulerende instantie - Niet-nakoming door een aardgasbedrijf van zijn transparantieverplichting ten aanzien van afnemers - Cumulatie van sancties wegens dezelfde inbreukmakende gedraging - Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft - Ne bis in idem - Artikel 52, lid 1 - Beperkingen op de uitoefening van dit grondrecht - Evenredigheidsbeginsel”"

In zaak C‑205/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 24 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 28 maart 2023, in de procedure

Engie România SA

tegen

Autoritatea Națională de Reglementare în Domeniul Energiei,

Het HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 april 2024,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Engie România SA, vertegenwoordigd door L. Chiurtu, N.‑V. Dinu, R. Iancu, I. Katona en A. Radu, avocați,

    • Autoritatea Națională de Reglementare în Domeniul Energiei, vertegenwoordigd door G.‑S. Niculescu, A.‑M. Riling, C. Vernea en A. Zorzoană als gemachtigden,

    • de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane, R. I. Hațieganu en A. Rotăreanu als gemachtigden,

    • de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits en C. Kokkosi als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet, L. Nicolae et T. Scharf als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB 2009, L 211, blz. 94), en van de artikelen 50 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Engie România SA (hierna: „Engie”), een aardgasbedrijf, en de Autoritate Națională de Reglementare în Domeniul Energiei (nationale regulerende instantie voor energie, Roemenië; hierna: „ANRE”) over een door laatstgenoemde opgesteld proces-verbaal tot vaststelling en sanctionering van een administratieve inbreuk die door Engie zou zijn begaan.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Handvest

3 Artikel 50 van het Handvest, met als opschrift „Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft”, bepaalt:

„Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de [Europese] Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

4 Artikel 52 van het Handvest, met als opschrift „Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen”, bepaalt in lid 1:

„Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

Richtlijn 2009/73

5 Overweging 48 van richtlijn 2009/73 luidt:

  • „De consumentenbelangen zouden in deze richtlijn centraal moeten staan, en de kwaliteit van de dienstverlening zou een kerntaak van aardgasbedrijven moeten zijn. Bestaande rechten van consumenten moeten worden versterkt en gewaarborgd, en dienen meer transparantie te omvatten. Consumentenbescherming zou moeten waarborgen dat alle consumenten in de ruimere context van de Gemeenschap profiteren van een concurrerende markt. Consumentrechten dienen door de lidstaten te worden gehandhaafd, of indien een lidstaat hierin voorziet, door de regulerende instanties.”

  • 6 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

    „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

    […]

    1. ‚huishoudelijke afnemer’: een afnemer die aardgas koopt voor eigen huishoudelijk gebruik;

    […]

    1. ‚eindafnemer’: een afnemer die aardgas koopt voor eigen gebruik;

    […]”

    7 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer”, bepaalt:

    „1.

    De lidstaten waarborgen op basis van hun institutionele organisatie en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel dat aardgasbedrijven, onverminderd lid 2, volgens de beginselen van deze richtlijn worden geëxploiteerd met het oog op de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame aardgasmarkt; wat hun rechten en plichten betreft, mogen zij deze bedrijven niet verschillend behandelen.

    2.

    Met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag, met name [artikel 106 VWEU], mogen de lidstaten in het algemeen economisch belang aan bedrijven die in de gassector actief zijn openbaredienstverplichtingen opleggen, die betrekking kunnen hebben op de zekerheid, met inbegrip van voorzienings- en leveringszekerheid, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen, en milieubescherming, waaronder energie-efficiëntie, energie uit hernieuwbare bronnen en klimaatbescherming. […]

    3.

    De lidstaten nemen passende maatregelen om eindafnemers te beschermen en voorzien met name in adequate waarborgen voor de bescherming van kwetsbare afnemers. […] Zij zorgen voor een hoog niveau van consumentenbescherming, met name met betrekking tot de transparantie van contractvoorwaarden, algemene informatie en mechanismen voor geschillenbeslechting. […] Wat ten minste de huishoudelijke afnemers betreft, omvatten deze maatregelen de in bijlage [I] beschreven maatregelen.

    […]”

    8 Artikel 40 van deze richtlijn, met als opschrift „Algemene doelstellingen van de regulerende instantie”, bepaalt:

    „Bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven reguleringstaken neemt de regulerende instantie alle redelijke maatregelen om de volgende doelstellingen te bereiken binnen het kader van haar taken en bevoegdheden zoals vastgesteld in artikel 41, waar nodig in nauw overleg met de andere betrokken nationale autoriteiten, waaronder mededingingsautoriteiten, en zonder dat wordt geraakt aan hun bevoegdheden:

    […]

    1. ervoor zorgen dat afnemers baat hebben bij een efficiënte werking van hun nationale markt, bevorderen van daadwerkelijke mededinging en bijdragen tot het waarborgen van consumentenbescherming;

    […]”

    9 Artikel 41 van richtlijn 2009/73, met als opschrift „Taken en bevoegdheden van de regulerende instantie”, bepaalt in de leden 1 en 4:

    „1.

    De regulerende instantie heeft de volgende taken:

    […]

    1. toezicht houden op het transparantieniveau, met inbegrip van groothandelsprijzen, en waken over de naleving van de transparantieverplichtingen door de aardgasbedrijven;

    […]

    1. tezamen met andere betrokken instanties helpen waarborgen dat de in bijlage I genoemde maatregelen ter bescherming van de consument doeltreffend zijn en gehandhaafd worden;

    […]

    4.

    De lidstaten zorgen [ervoor] dat de regulerende instantie de bevoegdheden krijgt die hen in staat stellen de hen overeenkomstig de leden 1, 3 en 6 toevertrouwde taken op een efficiënte en snelle wijze uit te voeren. Daartoe beschikt de regulerende instantie ten minste over de volgende bevoegdheden:

    1. vaststellen van bindende besluiten voor aardgasbedrijven;

    2. onderzoeken uitvoeren naar de werking van de gasmarkten en besluiten tot en opleggen van noodzakelijke en evenredige maatregelen om daadwerkelijke mededinging te bevorderen en de goede werking van de markt te waarborgen. […];

    […]

    1. opleggen van effectieve, evenredige en afschrikkende sancties aan aardgasbedrijven die hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn of enig toepasselijk wettelijk bindend besluit van de regulerende instantie of het Agentschap niet naleven, dan wel een bevoegde rechtbank voorstellen dergelijke sancties op te leggen. […];

    […]”

    10 Bijlage I bij deze richtlijn, met als opschrift „Voorschriften inzake consumentenbescherming”, bepaalt in punt 1:

    „Onverminderd de communautaire voorschriften inzake consumentenbescherming […], houden de in artikel 3 bedoelde maatregelen in dat ervoor wordt gezorgd dat de afnemers:

    […]

    1. transparante informatie ontvangen over geldende prijzen en tarieven en over standaardvoorwaarden met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van gasdiensten;

    […]”

    Roemeens recht

    Wet nr. 363/2007

    11 Lege nr. 363/2007 privind combaterea practicilor incorecte ale comercianților în relația cu consumatorii și armonizarea reglementărilor cu legislația europeană privind protecția consumatorilor (wet nr. 363/2007 inzake bestrijding van oneerlijke praktijken van handelaren in hun betrekkingen met consumenten en tot harmonisatie van de wetgeving met de Europese wetgeving inzake consumentenbescherming) van 21 december 2007 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 899 van 28 december 2007) heeft richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22) in Roemeens recht omgezet.

    Wet nr. 123/2012

    12 Lege nr. 123/2012 energiei electrice și a gazelor naturale (wet nr. 123/2012 betreffende elektriciteit en aardgas) van 10 juli 2012 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 485 van 16 juli 2012), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt in artikel 143, lid 1, onder k):

    „De leverancier van aardgas heeft inzonderheid de volgende verplichtingen:

    […]

    1. het verschaffen van transparante informatie aan de eindafnemers over de toegepaste prijzen of tarieven, alsook over de algemene voorwaarden voor toegang tot en gebruik van de door hem aangeboden diensten.”

    13 Artikel 194, punt 24 bis, van deze wet bepaalt:

    „De volgende feiten vormen een inbreuk op de bepalingen tot regeling van de activiteiten op de markt voor aardgas: […] de niet-naleving door de deelnemers op de markt voor aardgas van de verplichtingen die op hen rusten krachtens artikel 143, lid 1, artikel 144 bis en artikel 145, lid 4, onder g).”

    14 Krachtens artikel 195, lid 1, punt 2, onder c), van genoemde wet wordt een dergelijke inbreuk bestraft met een geldboete van 20 000 tot 400 000 Roemeense leu (RON) (ongeveer 4 000 tot 80 000 EUR).

    Hoofdgeding en prejudiciële vragen

    15 Op 14 september 2021 heeft de Autoritate Națională pentru Protecția Consumatorilor (nationale instantie voor consumentenbescherming, Roemenië; hierna: „ANPC”) bij een proces-verbaal tot vaststelling en sanctionering van een administratieve inbreuk op grond van wet nr. 363/2007 vastgesteld dat Engie bij de uitoefening van haar economische activiteiten gebruik had gemaakt van misleidende en agressieve handelspraktijken. Volgens haar had Engie consumenten misleid door hen eenzijdig in kennis te stellen van een wijziging van de in de initiële offerte vastgestelde prijs na een periode van drie maanden, terwijl deze prijs geldig was voor een periode van twaalf maanden.

    16 In een besluit van dezelfde dag heeft deze instantie Engie gelast deze praktijken te staken, haar activiteiten op te schorten tot aan de beëindiging van deze praktijken en de prijs voor levering van aardgas aan huishoudelijke afnemers niet te wijzigen.

    17 Op 11 oktober 2021 heeft de ANRE een proces-verbaal tot vaststelling en sanctionering van een administratieve inbreuk opgesteld (hierna: „proces-verbaal van de ANRE”). De ANRE heeft vastgesteld dat Engie, als erkende aardgasleverancier, onder meer de transparantieverplichting van artikel 143, lid 1, onder k), van wet nr. 123/2012, waarbij richtlijn 2009/73 in Roemeens recht is omgezet, niet was nagekomen en heeft een reeks administratieve geldboetes opgelegd van in totaal 800 000 RON (ongeveer 160 000 EUR). Deze instantie was van oordeel dat Engie, ten eerste, onregelmatigheden had begaan met betrekking tot de inhoud van bepaalde offerten voor de levering van aardgas en, ten tweede, onvoldoende duidelijk had gemaakt dat zij zich het recht voorbehield om de prijs voor de levering van aardgas die in de met haar afnemers gesloten contracten was opgenomen, achteraf te wijzigen.

    18 De ANRE heeft Engie dus gelast om de twaalf eindafnemers die in het proces-verbaal van de ANRE worden genoemd, ervan in kennis te stellen dat de door haar in het initiële contractaanbod toegezegde vaste prijs voor aardgas zou worden gehandhaafd, en om de aan deze afnemers toegezonden aanhangsels in te trekken. Bovendien heeft de ANRE Engie gelast om alle eindafnemers te identificeren die waren ingegaan op standaardofferten tegen een vaste prijs voor de daarin vastgestelde periode en aan wie op een later tijdstip kennisgevingen en aanhangsels waren toegezonden strekkende tot een verhoging van de prijs van aardgas die wordt geleverd voor afloop van die periode, om deze afnemers ervan in kennis te stellen dat de in die offerten vastgestelde vaste prijs voor aardgas wordt gehandhaafd en om de aan hen toegezonden aanhangsels in te trekken.

    19 Engie heeft tegen het proces-verbaal van de ANRE beroep ingesteld bij de Judecătorie Sectorului 4 București (rechter in eerste aanleg district 4 Boekarest, Roemenië). Bij beslissing van 14 maart 2022 is dit beroep ongegrond verklaard.

    20 Engie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Tribunal București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië), de verwijzende rechter.

    21 In de eerste plaats vraagt deze rechter zich af of de ANRE een aardgasbedrijf vanwege de beweerde niet-nakoming van de transparantieverplichting ten aanzien van de afnemers kan verplichten om een andere prijs te hanteren dan de marktprijs die is vastgesteld op basis van het beginsel van vrije prijsvorming dat volgens deze rechter voortvloeit uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73.

    22 In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter erop dat zowel de ANRE als de ANPC hetzelfde feit heeft vastgesteld, waarbij eerstgenoemde instantie het feit heeft gekwalificeerd als „niet-nakoming van de transparantieverplichting” als bedoeld in artikel 143, lid 1, onder k), van wet nr. 123/2012 en laatstgenoemde instantie het feit heeft gekwalificeerd als „misleidende en agressieve handelspraktijk jegens consumenten” in de zin van wet nr. 363/2007. Voorts stelt hij vast dat zowel de ANRE als de ANPC Engie bij afzonderlijke handelingen dezelfde regularisatieverplichting heeft opgelegd, namelijk de verplichting om terug te keren naar de prijs zoals die was vastgesteld in de standaardofferte in april 2021, die aanzienlijk lager was dan de aankoopprijs van aardgas op de vrije markt.

    23 Deze rechterlijke instantie verzoekt het Hof dus om uitlegging van de artikelen 50 en 52, leden 1 en 3, van het Handvest in het kader van de toepassing van wet nr. 363/2007 en wet nr. 123/2012, teneinde de toepasselijkheid van dat artikel 50 te verduidelijken „in het geval van een dubbele sanctie voor dezelfde feiten op basis van verschillende rechtsgrondslagen”.

    24 In deze omstandigheden heeft de Tribunal București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

    • Kan een vermeende niet-nakoming van de transparantieverplichting die is omgezet in nationale wetgeving en die rust op de leveranciers van aardgas in hun betrekkingen met huishoudelijke afnemers, waarbij die niet-nakoming in die wetgeving wordt beschouwd als een administratieve inbreuk, ertoe leiden dat de bevoegde nationale instantie een leverancier van aardgas ook verplicht om in zijn betrekkingen met consumenten een administratief vastgestelde prijs te hanteren, die geen rekening houdt met het beginsel van vrije prijsvorming op de aardgasmarkt zoals vastgesteld in artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2009/73]?

    • Kan het feit dat aan een leverancier van aardgas een sanctie wordt opgelegd door zowel de instantie voor consumentenbescherming als de regulerende instantie voor energie, door middel van twee verschillende processen-verbaal houdende vaststelling van een administratieve inbreuk waarmee aan de leverancier dezelfde maatregelen worden opgelegd (duplicatie van de administratieve handelingen waarbij maatregelen worden opgelegd), worden beschouwd als een gerechtvaardigde beperking van het [recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft] in de zin van artikel [50] van het [Handvest], of is er sprake van schending van dat [recht]?

      Wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd bij een dergelijke cumulatie van handelingen waarbij dezelfde maatregelen worden opgelegd op basis van identieke feiten door verschillende instanties?”

    Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

    25 Nadat de advocaat-generaal op 11 juli 2024 conclusie had genomen heeft Engie bij een op 28 augustus 2024 ter griffie van het Hof neergelegde akte verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, teneinde aanvullende juridische argumenten aan te voeren die volgens haar een beslissende invloed konden hebben op de uitlegging van artikel 50 van het Handvest, waardoor de in de rechtspraak over deze bepaling vastgestelde beoordelingscriteria moesten worden genuanceerd.

    26 Ingevolge artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

    27 In de onderhavige zaak stelt het Hof vast, de advocaat-generaal gehoord, dat Engie geen nieuwe feiten heeft aangebracht die van beslissende invloed kunnen zijn voor de beslissing die het Hof in deze zaak dient te nemen. Bovendien is het Hof van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die nodig zijn om uitspraak te doen en dat de onderhavige zaak niet moet worden beslecht op grond van een argument waarover standpunten onvoldoende zijn uitgewisseld.

    28 In deze omstandigheden is er geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    Eerste vraag

    Ontvankelijkheid

    29 De ANRE en de Roemeense regering betogen dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is omdat zij is gebaseerd op feitelijke beoordelingen die niet overeenstemmen met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie. In het proces-verbaal van de ANRE wordt immers geen specifieke prijs opgelegd voor de levering van aardgas aan de afnemers van Engie en wordt zij evenmin bestraft voor de gehanteerde prijs. Engie wordt enkel gelast om terug te keren naar de gasleveringsprijs die werd aangerekend vóór de beweerde niet-nakoming van de transparantieverplichting ten aanzien van haar afnemers.

    30 In het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het Hof is uitsluitend bevoegd zich uit te spreken over de uitlegging of geldigheid van het Unierecht dat van toepassing is op het feitelijke en juridische kader zoals dat door de verwijzende rechterlijke instantie is beschreven, zodat het deze laatste de elementen kan verschaffen die zij nodig heeft om het bij haar aanhangige geschil te beslechten. Het staat derhalve niet aan het Hof om de feitelijke beoordelingen waarop het verzoek om een prejudiciële beslissing berust in twijfel te trekken (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Schweppes, C‑291/16, EU:C:2017:990, punten 21 en 22 ).

    31 Bovendien worden prejudiciële vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 2 april 2020, Coty Germany, C‑567/18, EU:C:2020:267, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    32 Dat is hier echter niet het geval. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat de bepalingen van richtlijn 2009/73 waarvan de uitlegging wordt gevraagd, rechtstreeks verband houden met het hoofdgeding, dat betrekking heeft op maatregelen die een nationale regulerende instantie aan een aardgasbedrijf heeft opgelegd krachtens de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn in Roemeens recht. Bovendien bevat dit verzoek voldoende informatie om de strekking van de eerste vraag te begrijpen en daarop een zinvol antwoord te geven.

    33 Bijgevolg is deze vraag ontvankelijk.

    Ten gronde

    34 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2009/73 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale regulerende instantie voor energie, wanneer zij vaststelt dat een leverancier van aardgas bij een wijziging van de prijs voor de levering van dat product zijn transparantieverplichting jegens zijn afnemers niet is nagekomen, van die leverancier verlangt dat hij de prijs handhaaft die is vastgesteld in de aanvankelijk met die afnemers gesloten overeenkomsten.

    35 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 bepaalt dat de lidstaten op basis van hun institutionele organisatie en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel waarborgen dat aardgasbedrijven volgens de beginselen van deze richtlijn worden geëxploiteerd met het oog op de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame aardgasmarkt; wat hun rechten en plichten betreft, mogen zij deze bedrijven niet verschillend behandelen.

    36 Ook al volgt uit geen enkele bepaling van richtlijn 2009/73 uitdrukkelijk dat de prijs voor de levering van aardgas door het spel van vraag en aanbod moet worden bepaald, dit vereiste volgt uit de doelstelling en de algemene opzet van deze richtlijn, die tot doel heeft een volledig en daadwerkelijk opengestelde en concurrerende interne aardgasmarkt tot stand te brengen waarop alle consumenten vrijelijk hun leveranciers kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren (zie in die zin arrest van 7 september 2016, ANODE, C‑121/15, EU:C:2016:637, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    37 Artikel 3, lid 2, van die richtlijn biedt de lidstaten niettemin de mogelijkheid om aan bedrijven die in de gassector actief zijn „openbaredienstverplichtingen” op te leggen die onder meer betrekking kunnen hebben op de „prijs van de leveringen”. Dergelijke maatregelen moeten in het algemeen economisch belang worden vastgesteld en duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn, teneinde te waarborgen dat aardgasbedrijven in de Unie gelijke toegang tot de nationale consument hebben, waarbij „volledige inachtneming” van de toepasselijke bepalingen van het VWEU, en met name van artikel 106 VWEU, geboden is (zie naar analogie arrest van 20 april 2010, Federutility e.a., C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 21 en 22 ).

    38 Bovendien moeten de lidstaten krachtens artikel 3, lid 3, van richtlijn 2009/73 passende maatregelen nemen om eindafnemers in de zin van artikel 2, punt 27, van die richtlijn te beschermen en moeten zij een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen, met name met betrekking tot de transparantie van contractvoorwaarden en algemene informatie. Wat ten minste de huishoudelijke afnemers in de zin van artikel 2, punt 25, van die richtlijn betreft, moeten deze maatregelen de in bijlage I bij die richtlijn beschreven maatregelen omvatten.

    39 Overeenkomstig punt 1, onder c), van die bijlage moeten de in artikel 3 van richtlijn 2009/73 bedoelde maatregelen waarborgen dat de afnemers transparante informatie krijgen over de geldende prijzen en tarieven en over de standaardvoorwaarden met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van gasdiensten, zodat zij in overeenstemming met de doelstelling van consumentenbescherming met name hun recht van opzegging van de overeenkomst of van betwisting van de wijziging van de leveringsprijs kunnen uitoefenen (zie naar analogie arrest van 2 april 2020, Stadtwerke Neuwied, C‑765/18, EU:C:2020:270, punt 29 ).

    40 Te dien einde heeft de nationale regulerende instantie overeenkomstig artikel 41, lid 1, onder i) en o), van richtlijn 2009/73 de volgende taken: waken over de naleving van de transparantieverplichtingen door de aardgasbedrijven en tezamen met andere betrokken instanties helpen waarborgen dat de maatregelen ter bescherming van de consument, inclusief die van bijlage I bij die richtlijn, doeltreffend zijn en gehandhaafd worden.

    41 Voorts volgt uit artikel 40, onder g), van richtlijn 2009/73 dat de nationale regulerende instantie gehouden is, binnen het kader van haar taken en bevoegdheden zoals vastgesteld in artikel 41 van die richtlijn, alle redelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat afnemers baat hebben bij een efficiënte werking van hun nationale markt en bij te dragen tot het waarborgen van de bescherming van consumenten, wier belangen centraal staan in deze richtlijn, zoals is uiteengezet in overweging 48 van de richtlijn.

    42 Ten slotte volgt uit artikel 41, lid 4, van richtlijn 2009/73 dat de regulerende instanties in het bijzonder in staat moeten zijn bindende besluiten voor aardgasbedrijven vast te stellen [onder a)], onderzoeken uit te voeren naar de werking van de gasmarkten, te besluiten tot noodzakelijke en evenredige maatregelen en die maatregelen op te leggen om daadwerkelijke mededinging te bevorderen en de goede werking van de markt te waarborgen [onder b)] en effectieve, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen aan aardgasbedrijven die hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn niet naleven [onder d)].

    43 In de onderhavige zaak blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de ANRE heeft vastgesteld dat Engie haar transparantieverplichting als bedoeld in artikel 143, lid 1, onder k), van wet nr. 123/2012 niet is nagekomen, omdat deze onderneming haar afnemers onvoldoende had geïnformeerd over het recht dat zij zich voorbehield om de prijs voor de levering van aardgas die was vastgesteld in de met deze afnemers gesloten contracten, op basis van een „standaardofferte”, tijdens de initiële periode van twaalf maanden aan te passen. Bijgevolg heeft de ANRE Engie een geldboete opgelegd en haar, bij wijze van regularisatiemaatregel, verplicht om terug te keren naar de prijs zoals die in het kader van het initiële contract in april 2021 was vastgesteld.

    44 Vastgesteld moet worden dat dergelijke maatregelen, waarvan de keuze – zoals blijkt uit de punten 35 en 42 van het onderhavige arrest – tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten behoort, passen in de uitoefening van de bevoegdheden die krachtens de artikelen 40 en 41 van richtlijn 2009/73 aan de nationale regulerende instanties zijn verleend om de transparantie van de voorwaarden van consumentenovereenkomsten te waarborgen. Deze maatregelen beogen derhalve te verzekeren dat de consumentenbescherming doeltreffend is.

    45 Bovendien is de maatregel betreffende de terugkeer naar de in het initiële leveringscontract vastgestelde prijs niet in strijd met het in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereiste dat de prijs voor de levering van aardgas wordt bepaald door het spel van vraag en aanbod. Met deze maatregel heeft de nationale regulerende instantie immers geen gebruikgemaakt van haar bevoegdheden om een prijs vast te stellen in de gasleveringscontracten, maar heeft zij de leverancier verplicht om in die contracten terug te keren naar de prijs die in onderlinge overeenstemming tussen de leverancier en de betrokken afnemer was overeengekomen.

    46 In het licht van het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2009/73 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een nationale regulerende instantie voor energie, wanneer zij vaststelt dat een leverancier van aardgas bij een wijziging van de prijs voor de levering van dat product zijn transparantieverplichting jegens zijn afnemers niet is nagekomen, van die leverancier verlangt dat hij de prijs handhaaft die is vastgesteld in de aanvankelijk met die afnemers gesloten overeenkomsten.

    Tweede vraag

    47 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 50 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een leverancier van aardgas, op grond van verschillende nationale wetgevingen tot omzetting van respectievelijk richtlijn 2009/73 en richtlijn 2005/29, twee sancties worden opgelegd voor identieke feiten.

    48 Artikel 50 van het Handvest bepaalt dat „[n]iemand […] opnieuw [wordt] berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet”. Dit grondrecht, dat de uitdrukking is van het ne-bis-in-idembeginsel, verbiedt de cumulatie van zowel vervolgingsmaatregelen als sancties met een strafrechtelijk karakter voor dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde persoon (zie in die zin arresten van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 25 , en  22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    49 In de eerste plaats is de toepassing van artikel 50 van het Handvest niet uitsluitend beperkt tot vervolgingsmaatregelen en sancties die naar nationaal recht als „strafrechtelijk” worden aangemerkt, maar strekt het zich – ongeacht deze kwalificatie naar nationaal recht – uit tot vervolgingsmaatregelen en sancties die wegens de aard van de inbreuk of de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd, als strafrechtelijk moeten worden beschouwd (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De zwaarte van de sanctie wordt beoordeeld aan de hand van de maximumstraf waarin de relevante bepalingen voorzien (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    50 Wat betreft het criterium dat verband houdt met de aard van de inbreuk, moet worden nagegaan of met de betrokken sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd, ongeacht het feit dat zij tevens een preventief doel heeft. Het ligt namelijk in de aard zelf van strafrechtelijke sancties besloten dat zij strekken tot zowel repressie als preventie van ongeoorloofde gedragingen. Daarentegen zijn maatregelen die enkel de schade herstellen die door de desbetreffende inbreuk is veroorzaakt, niet van strafrechtelijke aard (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    51 In het onderhavige geval blijkt allereerst dat van de in de punten 16 en 43 van dit arrest bedoelde maatregelen, de regularisatiemaatregel waarbij de leverancier wordt gelast om terug te keren naar de in april 2021 in het kader van de initiële overeenkomst vastgestelde prijs, een maatregel vormt die a priori beperkt is tot het herstel van de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade in de zin van de in het vorige punt genoemde rechtspraak, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

    52 Wat vervolgens de financiële sancties betreft die door de ANPC en de ANRE aan Engie zijn opgelegd, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat overeenkomstig artikel 194, punt 24 bis, en artikel 195, lid 1, punt 2, onder c), van wet nr. 123/2012 niet-nakoming van de transparantieverplichting van artikel 143, lid 1, onder k), van deze wet wordt bestraft met een geldboete tussen 20 000 en 400 000 RON. Op basis hiervan en rekening houdend met de verschillende administratieve inbreuken die aan Engie worden verweten, heeft de ANRE Engie een boete opgelegd van in totaal 800 000 RON (ongeveer 160 000 EUR). Daarnaast hebben de Roemeense regering en Engie respectievelijk in hun schriftelijke opmerkingen verklaard dat de ANPC Engie een boete van 150 000 RON (ongeveer 30 000 EUR) heeft opgelegd.

    53 Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle gegevens waarover hij beschikt en met de maximumbedragen die zijn vastgesteld in de relevante nationale bepalingen die door de ANPC en de ANRE op Engie zijn toegepast, na te gaan of deze sancties zwaar genoeg zijn om als „sancties van strafrechtelijke aard” te worden gekwalificeerd.

    54 In de tweede plaats moet voor de toepassing van artikel 50 van het Handvest zijn voldaan aan een tweeledige voorwaarde, namelijk dat er sprake is van een eerdere definitieve beslissing (voorwaarde „bis”) en dat deze beslissing en de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen betrekking hebben op dezelfde feiten (voorwaarde „idem”) (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 28 ).

    55 Wat de voorwaarde „bis” betreft, zij opgemerkt dat met een rechterlijke beslissing slechts kan worden geacht definitief uitspraak te zijn gedaan over de feiten die aan een tweede procedure zijn onderworpen, wanneer die beslissing niet alleen definitief is geworden overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, maar ook is gegeven na een beoordeling van de grond van de zaak (arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een dergelijke beslissing bestaat, verzet artikel 50 van het Handvest zich ertegen dat strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten wordt aangevat of voortgezet (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 59 ).

    56 In het onderhavige geval bevat het aan het Hof voorgelegde dossier gegevens die erop wijzen dat de door de ANPC aan Engie opgelegde sanctie voor de Roemeense rechterlijke instanties is betwist en definitief nietig is verklaard wegens onbevoegdheid van de ANPC. Indien de verwijzende rechter deze informatie bevestigt, is niet voldaan aan de in het vorige punt besproken voorwaarde „bis”.

    57 Indien de nationale rechter daarentegen vaststelt dat in het onderhavige geval aan de voorwaarde „bis” is voldaan, is het van belang er met betrekking tot de voorwaarde „idem” op te wijzen dat uit de bewoordingen zelf van artikel 50 van het Handvest volgt dat dit artikel verbiedt dat dezelfde persoon voor hetzelfde strafbare feit meer dan één keer strafrechtelijk wordt vervolgd of gestraft. Het relevante criterium daartoe is dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de vrijspraak of onherroepelijke veroordeling van de betrokkene hebben geleid. De nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en het beschermde rechtsgoed zijn irrelevant voor de constatering dat van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, aangezien de omvang van de door artikel 50 van het Handvest geboden bescherming niet van lidstaat tot lidstaat mag verschillen (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punten 31, 33 en 34).

    58 Aangezien de voorwaarde „idem” vereist dat de materiële feiten dezelfde zijn, vindt artikel 50 van het Handvest geen toepassing wanneer de feiten in kwestie slechts soortgelijk zijn. De gelijkheid van de materiële feiten wordt namelijk opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punten 36 en 37 ).

    59 In casu blijkt uit punt 22 van het onderhavige arrest dat de verwijzende rechter van oordeel is dat zowel de ANRE als de ANPC in het kader van de respectieve administratieve procedures dezelfde feiten hebben vastgesteld, waarbij eerstgenoemde instantie deze heeft gekwalificeerd als „niet-nakoming van de transparantieverplichting” als bedoeld in artikel 143, lid 1, onder k), van wet nr. 123/2012 en laatstgenoemde als „misleidende en agressieve handelspraktijk jegens consumenten” in de zin van wet nr. 363/2007.

    60 In de derde plaats kan een beperking van de uitoefening van het grondrecht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of gestraft, zoals gewaarborgd door artikel 50 van het Handvest, en dus een cumulatie van strafvervolging of strafrechtelijke sancties, worden gerechtvaardigd op grond van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Volgens de eerste zin van dat lid moeten beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Volgens de tweede zin van dat lid kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen aan die rechten en vrijheden worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

    61 Wat ten eerste de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het door artikel 50 van het Handvest gewaarborgde grondrecht betreft, wordt deze inhoud in beginsel geëerbiedigd wanneer het nationale recht enkel voorziet in de mogelijkheid tot cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties op grond van verschillende regelingen (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 43 ). Dit is in casu het geval, aangezien de aan Engie opgelegde sancties zijn vastgesteld op basis van verschillende nationale wetten tot omzetting van respectievelijk richtlijn 2009/73 en richtlijn 2005/29.

    62 Wat ten tweede de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit beginsel vereist dat een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties die mogelijk wordt gemaakt door een nationale regeling, niet buiten de grenzen treedt van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en mogen de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    63 Cumulatie van sancties kan echter worden gerechtvaardigd door het feit dat de door twee verschillende instanties ingestelde vervolgingsmaatregelen elkaar aanvullende doelstellingen nastreven die betrekking hebben op verschillende aspecten van hetzelfde inbreukmakende gedrag. De overheidsinstanties mogen er immers voor kiezen te voorzien in aanvullende juridische antwoorden op bepaalde gedragingen die schadelijk zijn voor de samenleving, door middel van verschillende procedures die een samenhangend geheel vormen, teneinde het sociale probleem in kwestie in zijn verschillende facetten te behandelen, mits het samenspel van die juridische antwoorden geen buitensporige last vormt voor de betrokken persoon (zie in die zin arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punten 49 en 50 ).

    64 Zoals in de punten 38 tot en met 41 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beogen de maatregelen betreffende de transparantie van de voorwaarden van consumentenovereenkomsten die de nationale regulerende instanties overeenkomstig richtlijn 2009/73 kunnen vaststellen, de doeltreffendheid van de consumentenbescherming te waarborgen. Zoals in punt 36 van dit arrest in herinnering is gebracht, waarborgen deze maatregelen de totstandbrenging van een volledig en daadwerkelijk opengestelde en concurrerende interne markt voor aardgas, waarop alle consumenten met name dankzij die transparantie vrijelijk hun leveranciers kunnen kiezen.

    65 Uit punt 1 van bijlage I bij deze richtlijn blijkt echter dat deze maatregelen de regels van de Unie inzake consumentenbescherming onverlet laten. Het staat een lidstaat dus vrij om sancties op te leggen voor inbreuken op, enerzijds, sectorspecifieke regelgeving ter liberalisering van de aardgasmarkt en, anderzijds, de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van richtlijn 2005/29, teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming in deze sector te waarborgen (zie naar analogie arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 47 ).

    66 Om de noodzaak van een dergelijke cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties vast te stellen, moet worden nagegaan of er duidelijke en nauwkeurige regels bestaan op basis waarvan kan worden voorzien voor welk handelen en nalaten vervolgingsmaatregelen en sancties kunnen worden gecumuleerd, en de twee bevoegde instanties hun optreden onderling kunnen afstemmen, alsook of de twee procedures voldoende onderling zijn afgestemd en kort na elkaar hebben plaatsgevonden, en of de sanctie die in voorkomend geval is opgelegd in het kader van de chronologisch eerst gevoerde procedure, in aanmerking is genomen bij de bepaling van de tweede sanctie, zodat de lasten die voor de betrokkene uit een dergelijke cumulatie voortvloeien beperkt zijn tot wat strikt noodzakelijk is en de opgelegde sancties in hun totaliteit beschouwd stroken met de ernst van de begane inbreuken (arrest van 22 maart 2022, bpost, C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 51 ).

    67 Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het niet ongebruikelijk dat een onderneming die actief is op de markt voor de productie of distributie van energie, moet voldoen aan uiteenlopende sectorspecifieke regelgevingen die afzonderlijke of elkaar aanvullende doelstellingen nastreven, en in voorkomend geval op grond van deze sectorspecifieke regelgevingen te maken kan krijgen met diverse sancties die voor dezelfde gedraging worden opgelegd.

    68 In het onderhavige geval bevat het dossier waarover het Hof beschikt aanwijzingen dat er een nauw verband in de tijd bestaat tussen de twee administratieve procedures die in het hoofdgeding aan de orde zijn en de besluiten die naar aanleiding van deze procedures zijn genomen, waarvan de ene is ingeleid krachtens een sectorspecifieke regeling op het gebied van energie en de andere krachtens een regeling op het gebied van consumentenbescherming, en dat de betrokken instanties hebben samengewerkt en informatie hebben uitgewisseld, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

    69 Gelet op al het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 50 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een leverancier van aardgas, op grond van verschillende nationale wetgevingen tot omzetting van respectievelijk richtlijn 2009/73 en richtlijn 2005/29, twee sancties worden opgelegd die als „sancties van strafrechtelijke aard voor dezelfde feiten” moeten worden gekwalificeerd, op voorwaarde dat:

    • er duidelijke en nauwkeurige regels bestaan op basis waarvan kan worden voorzien voor welk handelen en nalaten vervolgingsmaatregelen en sancties kunnen worden gecumuleerd, en de twee bevoegde instanties hun optreden onderling kunnen afstemmen;

    • de twee procedures in kwestie voldoende onderling zijn afgestemd en kort na elkaar hebben plaatsgevonden, en

    • de opgelegde sancties in hun totaliteit beschouwd stroken met de ernst van de begane inbreuken.

    Kosten

    70 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
    1. Artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG

      moet aldus worden uitgelegd dat

      het er niet aan in de weg staat dat een nationale regulerende instantie voor energie, wanneer zij vaststelt dat een leverancier van aardgas bij een wijziging van de prijs voor de levering van dat product zijn transparantieverplichting jegens zijn afnemers niet is nagekomen, van die leverancier verlangt dat hij de prijs handhaaft die is vastgesteld in de aanvankelijk met die afnemers gesloten overeenkomsten.

    2. Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan,

      moet aldus worden uitgelegd dat

      het er niet aan in de weg staat dat een leverancier van aardgas, op grond van verschillende nationale wetgevingen tot omzetting van respectievelijk richtlijn 2009/73 en richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), twee sancties worden opgelegd die als „sancties van strafrechtelijke aard voor dezelfde feiten” moeten worden gekwalificeerd, op voorwaarde dat:

      • er duidelijke en nauwkeurige regels bestaan op basis waarvan kan worden voorzien voor welk handelen en nalaten vervolgingsmaatregelen en sancties kunnen worden gecumuleerd, en de twee bevoegde instanties hun optreden onderling kunnen afstemmen;

      • de twee procedures in kwestie voldoende onderling zijn afgestemd en kort na elkaar hebben plaatsgevonden, en

      • de opgelegde sancties in hun totaliteit beschouwd stroken met de ernst van de begane inbreuken.

    ondertekeningen