Home

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 8 mei 2025

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 8 mei 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
8 mei 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

8 mei 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Richtlijn 93/13/EEG - Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 - Hypothecaire lening die is gekoppeld aan een vreemde valuta - Vordering in rechte van de consument strekkende tot nietigverklaring van de overeenkomst - Verzoek om toekenning van bewarende maatregelen die bestaan in de opschorting van de uitvoering van de overeenkomst - Richtlijn 2014/59/EU - Herstel en afwikkeling van kredietinstellingen - Bank in afwikkeling - Artikel 1, lid 2 - Machtiging aan de lidstaten om strengere regels vast te stellen dan die van de richtlijn of regels ter aanvulling daarvan - Nationale regel die de afwijzing verplicht van verzoeken om bewarende maatregelen tegen een instelling in afwikkeling”"

In zaak C‑324/23 [Myszak](2),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 26 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 25 mei 2023, in de procedure

OF,

EI,

RI

tegen

M.K., als curator van Getin Noble Bank S.A., in liquidatie,

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 oktober 2024,

gelet op de opmerkingen van:

  • OF, EI en RI, vertegenwoordigd door W. Bochenek, P. Stalski en T. Zaremba, radcowie prawni,

  • M.K., vertegenwoordigd door P. Cieślak en M. Pyziak-Waląg, adwokaci,

  • de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kozak, R. Stańczyk en B. Trocha als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Małecka, P. Ondrůšek en D. Triantafyllou als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, en in samenhang met artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190, met rectificatie in PB 2022, L 43, blz. 93).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OF, EI en RI enerzijds, en M.K., in zijn hoedanigheid van curator van Getin Noble Bank S.A. anderzijds, over het verzoek om bewarende maatregelen dat OF, EI en RI hebben ingediend in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een aan een vreemde valuta gekoppelde hypothecaire kredietovereenkomst en tot terugbetaling van de bedragen die door hen ter uitvoering van die overeenkomst met Getin Noble Bank werden betaald.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Richtlijn 2014/59

5 De overwegingen 5, 49 tot en met 51 en 131 van richtlijn 2014/59 zijn als volgt verwoord:

„(5) Er is […] behoefte aan een regeling die de autoriteiten toerust met een pakket geloofwaardige instrumenten om tijdig en snel genoeg in een zwakke of falende instelling te kunnen ingrijpen om de continuïteit van de kritieke financiële en economische functies van de instelling te waarborgen en tegelijkertijd het effect van het falen van de instelling op de economie en het financiële systeem tot een minimum te beperken. Die regeling moet tevens garanderen dat verliezen eerst door aandeelhouders worden gedragen, en daarna door schuldeisers, op voorwaarde dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen maakt dan hij zou hebben gemaakt indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd conform het beginsel, zoals geformuleerd in deze richtlijn, dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn. […]

[…]

(49) De beperkingen van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers moeten in overeenstemming zijn met artikel 52 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie]. De afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op instellingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Afwikkelingsinstrumenten dienen met name te worden toegepast wanneer de instelling niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren, de maatregelen noodzakelijk zijn om de snelle overdracht en continuïteit van systeemkritische functies te verzekeren en er geen redelijk vooruitzicht is op een alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector, zoals onder meer een zodanige kapitaalverhoging door de bestaande aandeelhouders of door een derde dat de levensvatbaarheid van de instelling volledig wordt hersteld. Bij het toepassen van afwikkelingsinstrumenten en het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden moet voorts rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en de bijzondere kenmerken van de rechtsvorm van een instelling.

(50) Er mag niet onevenredig worden ingegrepen in de eigendomsrechten. […] In geval van een gedeeltelijke overdracht van activa van een instelling in afwikkeling aan een particuliere verkrijger of aan een overbruggingsbank, dient het resterende deel van de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure te worden geliquideerd. Om de nog in de liquidatieprocedure van de instelling verwikkelde aandeelhouders en schuldeisers te beschermen, dienen zij het recht te hebben om ter betaling van of, als compensatie voor, hun vorderingen in het kader van de liquidatieprocedure niet minder te ontvangen dan het bedrag dat zij naar schatting zouden hebben teruggekregen indien de gehele instelling volgens de normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.

(51) Ter bescherming van het recht van aandeelhouders en schuldeisers moeten er duidelijke verplichtingen betreffende de waardering van de activa en de passiva van de instelling in afwikkeling worden vastgesteld en, waar dat op grond van deze richtlijn is vereist, betreffende de waardering van de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers zouden hebben genoten als de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd. […] Indien blijkt dat aandeelhouders en schuldeisers ter betaling van of, als compensatie voor, hun vorderingen minder hebben ontvangen dan het equivalent van [het] bedrag dat zij in het kader van een normale insolventieprocedure zouden hebben ontvangen, dan zouden zij, waar dat in deze richtlijn is vereist, recht moeten hebben op de betaling van het verschil. […]

[…]

(131) Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de harmonisatie van de regels en procedures voor de afwikkeling van instellingen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, gezien de effecten van het falen van een instelling in de hele [Europese] Unie, beter kan worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.”

6 Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:

„Lidstaten mogen regels vaststellen of handhaven die strikter zijn dan of aanvullend zijn op de in deze richtlijn neergelegde regels of de op grond van deze richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vastgestelde regels, mits deze van algemene strekking zijn en niet in strijd zijn met deze richtlijn [of de] op grond van deze richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.”

7 Artikel 34 van die richtlijn („Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling”) bepaalt in lid 1:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen:

[…]

  1. schuldeisers van de instelling in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze richtlijn uitdrukkelijk anders is bepaald;

[…]

  1. geen enkele crediteur lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in het kader van een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit, overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75;

[…]”

8 In artikel 37, lid 6, van die richtlijn wordt bepaald:

„Indien enkel de […] afwikkelingsinstrumenten [van de verkoop van de onderneming of de overbruggingsinstelling] worden gebruikt en zij worden gebruikt om een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, wordt het resterende deel van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), waarvan activa, rechten of passiva zijn overgedragen, volgens een normale insolventieprocedure geliquideerd. Deze liquidatie geschiedt binnen een redelijke termijn, […].”

9 In artikel 70 van richtlijn 2014/59, met als opschrift „Bevoegdheid om de afdwinging van zekerheidsrechten te beperken”, wordt in de leden 1 en 4 het volgende bepaald:

„1.

De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om schuldeisers met een zekerheid van een instelling in afwikkeling te beperken in hun mogelijkheden om hun zekerheidsrechten in verband met activa van die instelling in afwikkeling af te dwingen vanaf de bekendmaking overeenkomstig artikel 83, lid 4, van een bericht betreffende de beperking tot middernacht aan het eind van de werkdag volgend op die bekendmaking in de lidstaat waar de instelling in afwikkeling is gevestigd.

[…]

4.

Bij het uitoefenen van een bevoegdheid uit hoofde van dit artikel houden de afwikkelingsautoriteiten rekening met de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor de ordelijke werking van de financiële markten.”

10 Artikel 73 van die richtlijn („Behandeling van aandeelhouders en schuldeisers in geval van gedeeltelijke overdrachten en toepassing van het instrument van bail‑in”) betreft de situatie waarin een nationale afwikkelingsautoriteit het instrument van de bail‑in toepast. Dit artikel bepaalt onder a):

„De lidstaten dragen er zorg voor dat, na toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten, en met name voor de toepassing van artikel 75:

  1. behalve indien punt b) toepassing vindt, ingeval afwikkelingsautoriteiten slechts delen van de rechten, activa en passiva van de instelling in afwikkeling overdragen, de aandeelhouders en die schuldeisers wier vorderingen niet zijn overgedragen, ter voldoening van hun vorderingen ten minste evenveel ontvangen als zij zouden hebben ontvangen mocht op het moment dat het in artikel 82 bedoelde besluit werd genomen de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd”.

11 In artikel 74 van die richtlijn, met als opschrift „Waardering van verschillen in behandeling”, wordt in de leden 1 en 2 het volgende bepaald:

„1.

Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld mocht een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling, met inbegrip van, maar niet beperkt tot de toepassing van artikel 73, dragen de lidstaten er zorg voor dat op zo kort mogelijke termijn nadat de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen heeft c.q. hebben plaatsgevonden een waardering door een onafhankelijke persoon wordt verricht. De waardering staat los van de waardering die uit hoofde van artikel 36 is verricht.

2.

Bij de waardering in de zin van lid 1 wordt het volgende bepaald:

  1. de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 82 bedoelde besluit werd genomen een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen betrekking had c.q. hadden;

  2. de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de instelling in afwikkeling; en;

  3. of er sprake is van een verschil tussen de onder a) bedoelde behandeling en de onder b) bedoelde behandeling.”

12 Artikel 75 van die richtlijn, met als opschrift „Waarborg voor aandeelhouders en schuldeisers”, luidt:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien bij de overeenkomstig artikel 74 verrichte waardering blijkt dat enige in artikel 73 bedoelde aandeelhouder of schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan deze in het kader van een normale insolventieprocedure [zou] hebben geleden, deze recht heeft op de betaling van het verschil uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling.”

Pools recht

Wet houdende het burgerlijk wetboek

13 Artikel 3851 van de ustawa Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964, in de versie van toepassing op het hoofdgeding (Dz. U van 2020, volgnr. 1740), bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.

Bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen worden vormgegeven op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijk contractueel beding). Dat geldt niet voor de bedingen over de voornaamste prestaties van de partijen, zoals de prijs of de vergoeding, indien deze ondubbelzinnig zijn geformuleerd.

2.

Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig lid 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden door de overeenkomst zonder dat beding.”

14 Artikel 405 van dat wetboek bepaalt het volgende:

„Eenieder die zonder rechtsgrond ten nadele van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is verplicht hem het voordeel in natura terug te geven en, indien dit niet mogelijk is, om de waarde ervan te vergoeden.”

15 Artikel 410, lid 2, van dat wetboek bepaalt:

„Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht niet verplicht was of niet gebonden was ten aanzien van de persoon aan wie is betaald, hetzij indien de oorzaak van de betaling is weggevallen of het beoogde doel van de betaling niet is bereikt, hetzij indien de rechtshandeling op grond waarvan zij is verricht, nietig was en na de betaling niet geldig is geworden.”

Wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering

16 In artikel 189 van de ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2021, volgnr. 1805), wordt bepaald:

„Een verzoekende partij kan de rechter verzoeken om het bestaan of het niet-bestaan van een rechtsbetrekking of een recht vast te stellen, mits zij een rechtmatig belang heeft.”

17 In artikel 7301 van dit wetboek is bepaald:

„1.

Elke procespartij of deelnemer aan de procedure kan verzoeken om een bewarende maatregel indien de betrokkene zijn vordering en rechtsbelang bij een dergelijke maatregel prima facie aannemelijk maakt.

2.

Van een rechtsbelang bij een bewarende maatregel is sprake wanneer de tenuitvoerlegging van de in de zaak te geven beslissing wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt of de verwezenlijking van het doel van de procedure anderszins wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt indien geen bewarende maatregel wordt getroffen.

[…]

3.

Bij de keuze van de specifieke bewarende maatregel houdt de rechter rekening met de belangen van de partijen in of de deelnemers aan de procedure, voor zover dat nodig is om aan de rechthebbende een passende rechtsbescherming te bieden en om degene op wie de verplichting rust niet zwaarder dan nodig te belasten.”

18 Artikel 731 van dit wetboek bepaalt:

„Een bewarende maatregel is niet bedoeld om een schuldvordering te voldoen, tenzij de wet anders bepaalt.”

19 Artikel 755 van dat wetboek bepaalt:

„1.

Indien de bewarende maatregelen geen betrekking hebben op een geldvordering, treft de rechter de bewarende maatregel die hij in de omstandigheden van het geval passend acht, zonder specifieke voorgeschreven maatregelen ten aanzien van geldelijke vorderingen uit te sluiten. In het bijzonder kan de rechter:

  1. de rechten en verplichtingen van de partijen bij of de deelnemers aan de procedure regelen voor de duur daarvan;

[…]

21.

Artikel 731 is niet van toepassing wanneer de bewarende maatregel noodzakelijk is om dreigende schade of andere nadelige gevolgen voor de rechthebbende te voorkomen.

[…]”

Faillissementswet

20 Artikel 146 van de ustawa Prawo upadłościowe (faillissementswet) van 28 februari 2003, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2022, volgnr. 1520), bepaalt:

„1.

Elke executieprocedure met betrekking tot de goederen van de insolvente boedel die is ingeleid vóór de datum van de faillietverklaring, wordt vanaf die datum van rechtswege geschorst. Die procedure wordt van rechtswege zonder voorwerp nadat het faillissementsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. […]

2.

Bedragen die voortkomen uit een geschorste executieprocedure en die nog niet zijn uitgekeerd, worden overgedragen aan de insolvente boedel nadat het faillissementsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

[…]

3.

Na de datum van de faillietverklaring is het niet meer mogelijk tot gedwongen tenuitvoerlegging over te gaan op de goederen waaruit de insolvente boedel bestaat, noch om bewarende maatregelen ten aanzien van de goederen van de gefailleerde ten uitvoer te leggen of te gelasten, met uitzondering van bewarende maatregelen ten aanzien van onderhoudsvorderingen of vorderingen die voortvloeien uit een uitkering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden, alsmede pensioenen uit hoofde van de omzetting in lijfrente van een overeenkomst waarbij de verkrijger van een onroerend goed zich jegens de vervreemder heeft verbonden hem zorg, onderhoud en huisvesting te verstrekken.”

Wet op het bankgarantiefonds

21 Artikel 135 van de ustawa o Bankowym Funduszu Gwarancyjnym, systemie gwarantowania depozytów oraz przymusowej restrukturyzacji (wet op het bankgarantiefonds, het depositogarantiestelsel en de afwikkeling), van 10 juni 2016, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2022, volgnr. 793; hierna: „BFGU”), bepaalt in de leden 1 en 4:

„1.

Er hoeft geen uitspraak te worden gedaan over procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot toekenning van bewarende maatregelen met betrekking tot het vermogen van een instelling in afwikkeling die vóór de initiëring van de gedwongen afwikkeling zijn ingeleid.

[…]

4.

Tijdens een procedure tot gedwongen afwikkeling mag ten aanzien van een marktdeelnemer in afwikkeling geen procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot het treffen van bewarende maatregelen worden ingeleid.”

22 Krachtens artikel 142, lid 1, BFGU kan de Bankowy Fundusz Gwarancyjny (bankgarantiefonds, Polen), de nationale afwikkelingsautoriteit, het recht om zekerheden in verband met de activa van een instelling in afwikkeling af te dwingen opschorten tot uiterlijk het einde van de werkdag volgend op de bekendmaking van haar bericht betreffende de opschorting van dat recht.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

23 In 2007 hebben verzoekers in het hoofdgeding, OF en haar ouders RI en EI, als consumenten met Getin Noble Bank een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten met een afbetalingsduur van 360 maanden ten bedrage van 185 375,71 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 43 000 EUR). Deze overeenkomst bevatte een beding voor de omrekening van dit bedrag in Zwitserse frank (CHF) tegen de door die bank vastgestelde aankoopkoers en met een variabele rentevoet. De in Zwitserse frank berekende maandlasten moesten in Poolse zloty worden terugbetaald tegen de eveneens eenzijdig door die bank vastgestelde verkoopkoers.

24 Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst. Primair strekt die vordering tot nietigverklaring van die overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van sommige bedingen ervan, en bijgevolg tot veroordeling van Getin Noble Bank tot betaling van de bedragen van 48 352,97 PLN en 27 171,82 CHF (ongeveer 11 300 respectievelijk 29 000 EUR). Die bedragen komen overeen met de maandlasten die ter uitvoering van die overeenkomst waren betaald op de datum van indiening van hun vordering, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en de kosten. Subsidiair strekt de vordering ertoe te laten vaststellen dat de betrokken bedingen oneerlijk zijn en die ongeldig te laten verklaren.

25 Op 29 september 2022 heeft het bankgarantiefonds, nadat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering aanhangig was gemaakt, in zijn hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit een besluit vastgesteld waarbij Getin Noble Bank werd onderworpen aan een afwikkelingsprocedure. In het kader van die procedure heeft het bankgarantiefonds gebruikgemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door een bank op te richten – thans VELO Bank S.A. genaamd – waaraan nagenoeg alle activa, rechten en passiva van de Getin Noble Bank zijn overgedragen. Dat besluit sloot van de overdracht de vermogensrechten uit die voortvloeien uit feitelijke handelingen, rechtshandelingen of inbreuken op de krediet‑ en leningsovereenkomsten in Zwitserse frank of gekoppeld aan de koers van de Zwitserse frank, alsmede de uit die vermogensrechten voortvloeiende aanspraken, met inbegrip van die welke het voorwerp zijn van burgerlijke of administratieve procedures.

26 Naar aanleiding van dat besluit van het bankgarantiefonds hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter een kortgedingprocedure tegen Getin Noble Bank ingeleid. In die procedure hebben zij een verzoek om bewarende maatregelen ingediend met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de partijen in de procedure ten gronde. Dat verzoek strekte ertoe hun contractuele verplichting tot betaling van de verschuldigde maandlasten ter uitvoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst op te schorten tot de procedure in het hoofdgeding definitief was afgesloten. Tevens vorderden zij een verbod voor Getin Noble Bank om stappen te ondernemen om die overeenkomst te beëindigen en de aankondiging dat de betrokken lening niet werd terugbetaald.

27 De verwijzende rechter wijst erop dat op een dergelijk verzoek om bewarende maatregelen wordt beslist op basis van een prima-faciebeoordeling van de gegrondheid van het betoog van de partijen, rekening houdend met alle in de zaak ten gronde verzamelde bewijzen. In casu is deze rechter van oordeel dat de door verzoekers in het hoofdgeding betwiste bedingen in hun kredietovereenkomst als oneerlijk zouden kunnen worden aangemerkt en dat deze overeenkomst na de ongeldigverklaring van die bedingen niet kan voortbestaan.

28 Bijgevolg stelt de verwijzende rechter zich op het standpunt dat het mogelijk moet zijn om in te gaan op het verzoek om bewarende maatregelen dat met name bestaat in de opschorting van de verplichting van verzoekers in het hoofdgeding om de maandlasten van de in het hoofdgeding aan de orde zijn kredietovereenkomst te betalen. Hij twijfelt hierover evenwel omdat de betrokken verkoper een bank in afwikkeling is in de zin van richtlijn 2014/59.

29 De verwijzende rechter verwijst in dat verband naar artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, op grond waarvan lopende procedures inzake bewarende maatregelen met betrekking tot een bank in afwikkeling zonder beslissing moeten worden afgedaan en geen nieuwe procedure inzake dergelijke maatregelen kan worden ingeleid. Volgens die rechter komen die bepalingen neer op een onjuiste, want extensieve omzetting van artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59.

30 Naar aanleiding van een verzoek van het Hof om inlichtingen over de eventuele relevantie van artikel 142, lid 1, BFGU als omzettingsmaatregel van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59, heeft de verwijzende rechter in wezen aangegeven dat er inderdaad een overeenkomst bestaat tussen deze twee bepalingen, maar dat de toevoeging van artikel 135, leden 1 en 4, van deze wet problematisch is, aangezien laatstgenoemde bepalingen een veel ruimere werkingssfeer hebben dan artikel 70, lid 1, van de richtlijn.

31 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 135, leden 1 en 4, BFGU de consumenten de door richtlijn 93/13 geboden bescherming ontneemt, en daardoor in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De betrokken consumenten wordt immers de mogelijkheid ontnomen om tijdens de gerechtelijke procedure tot erkenning van het oneerlijke karakter van die bedingen daadwerkelijk te worden vrijgesteld van de uitvoering van een overeenkomst die mogelijk ongeldig is wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, terwijl zij het risico lopen later niet meer te kunnen profiteren van de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de eventuele vaststelling van die oneerlijkheid.

32 De verwijzende rechter benadrukt in dit verband dat in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een gedwongen tenuitvoerlegging tegen de bank is uitgesloten, een verrekening van wederzijdse vorderingen het enige effectieve middel is om deze terugbetalingsplicht uit te voeren. In geval van faillietverklaring van de bank zou echter de vordering van de consument op deze bank met betrekking tot de terugbetaling van de krachtens de kredietovereenkomst betaalde bedragen boven op het geleende kapitaal, op dezelfde wijze worden behandeld als de vorderingen van de andere schuldeisers, hetgeen in de praktijk betekent dat de consument zijn vordering niet zal kunnen innen.

33 Voorts wijst de verwijzende rechter op het in artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 genoemde beginsel dat afwikkelingsprocedures zodanig moeten worden gevoerd dat schuldeisers geen grotere verliezen mogen lijden dan in het kader van een normale insolventieprocedure. Hij twijfelt eraan of dat beginsel kan worden nageleefd indien het verboden is om een verzoek om bewarende maatregelen in te dienen dat bestaat uit de opschorting van de verplichting tot betaling van de maandlasten van een krediet dat door de bank in afwikkeling is toegekend op grond van een overeenkomst waarvan de geldigheid wordt betwist.

34 De verwijzende rechter wijst er namelijk op dat het hoofdgeding gedeeltelijk betrekking heeft op een vordering die volgens hem „niet-geldelijk” is, omdat die ertoe strekt de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst te doen vaststellen, en dat overeenkomstig artikel 146, lid 3, van de faillissementswet – in de op het hoofdgeding van toepassing zijnde versie – bewarende maatregelen in verband met een dergelijke vordering mogelijk zijn ondanks de opening van een insolventieprocedure, aangezien dergelijke maatregelen in wezen geen bewarende maatregelen ten aanzien van de goederen van de gefailleerde vormen in de zin van die bepaling. In zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof heeft de verwijzende rechter aangegeven dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoek om bewarende maatregelen ontvankelijk zou zijn geweest indien het was ingediend na de faillietverklaring van Getin Noble Bank, die ondertussen op 20 juli 2023 had plaatsgevonden.

35 Die „niet-geldelijke” vordering moet volgens die rechter worden onderscheiden van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde prestaties die voortvloeit uit de terugbetalingsverplichting die volgt uit richtlijn 93/13, welke vermogensrechtelijke gevolgen heeft voor de gefailleerde, zodat een bewarende maatregel in verband met laatstgenoemde vordering niet mogelijk is.

36 Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de bank in geval van nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal zou hebben. Bijgevolg zou het in strijd kunnen zijn met het doel van de afwikkelingsprocedure om de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van verzoekers in het hoofdgeding op te schorten voordat hun totale terugbetalingen een bedrag hebben bereikt dat overeenkomt met dat kapitaal, aangezien dit de procedure voor de inning van de schuldvorderingen van de betrokken bank, die bedoeld is om andere schuldeisers te voldoen, zou beperken of vertragen.

37 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13], gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, en artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van [richtlijn 2014/59] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan bepalingen van nationaal recht volgens welke het niet is toegestaan om ten aanzien van een bank in afwikkeling gevolg te geven aan een door een consument ingediend verzoek tot verkrijging van een door de rechter gelaste voorlopige maatregel (waarborging van een vordering) bestaande in de schorsing voor de duur van de gerechtelijke procedure van de verplichting van deze consument tot het aflossen van krediettermijnen uit hoofde van een uitgekeerde hoofdsom en de daarover verschuldigde rente, die voortvloeit uit een kredietovereenkomst die door de rechter waarschijnlijk nietig wordt verklaard als gevolg van de schrapping van de in die overeenkomst opgenomen oneerlijke contractuele bedingen, om de enkele reden dat een tot afwikkeling strekkende procedure ten aanzien van die bank is ingeleid?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

38 In de eerste plaats moet om te beginnen worden vastgesteld dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59 in aanmerking te nemen bij de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13, op grond dat artikel 135, leden 1 en 4, BFGU – dat in de verwijzingsbeslissing wordt aangeduid als de in de prejudiciële vraag bedoelde „nationale wetgeving” – de omzetting vormt van dat artikel 70, leden 1 en 4.

39 Die bepalingen van het Unierecht enerzijds, en het Pools recht anderzijds, verschillen evenwel in doelstelling en draagwijdte. Artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59 ziet op een bevoegdheid waarover een nationale afwikkelingsautoriteit moet beschikken om de afdwinging van zekerheidsrechten die verband houden met de activa van een instelling in afwikkeling over een uiterst korte periode te beperken, terwijl artikel 135, leden 1 en 4, BFGU – zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing – ziet op een verbod voor de nationale rechterlijke instanties om executieprocedures te behandelen of om bewarende maatregelen toe te kennen met betrekking tot het vermogen van die instelling, zolang zij aan die procedure is onderworpen.

40 Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 tot en met 35 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, zijn verzoekers in het hoofdgeding bovendien geen „schuldeisers met een zekerheid” van een instelling in afwikkeling in de zin van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat zij wederpartij van een dergelijke instelling zijn en dat zij die instelling in rechte hebben gedagvaard teneinde te doen erkennen dat er sprake is van, ten eerste, een „schuldvordering” bestaande in de nietigverklaring van een kredietovereenkomst en, ten tweede, een geldvordering bestaande in de terugbetaling van de bedragen die aan die instelling ter uitvoering van die overeenkomst zijn betaald. Die gestelde vorderingen gaan niet gepaard met een „zekerheidsrecht in verband met de activa van die instelling” in de zin van artikel 70, lid 1. Bovendien staat een verzoek in kort geding dat strekt tot de toekenning van bewarende maatregelen als aan de orde in het hoofdgeding, en die voornamelijk bestaan in de opschorting tijdens de procedure ten gronde van de verplichting tot betaling van de bedragen die nog verschuldigd zijn op de in die overeenkomst bepaalde toekomstige vervaltermijnen, los van een dergelijke zekerheid (zie in die zin beschikking van 20 februari 2024, Getin Noble Bank, C‑34/23, EU:C:2024:203, punt 32 ).

41 Overigens lijkt de verwijzende rechter naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen van het Hof te hebben erkend dat, zoals de Poolse regering en de Europese Commissie in hun opmerkingen in het kader van de onderhavige procedure hebben betoogd, artikel 70 van richtlijn 2014/59 in Pools recht is omgezet bij een andere bepaling van de BFGU, namelijk artikel 142 ervan.

42 In de tweede plaats moet wat de door de verwijzende rechter in de prejudiciële vraag aangehaalde beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid betreft, worden vastgesteld dat die rechter niet nader toelicht waarom hij het tweede beginsel vermeldt. Overeenkomstig artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet elk verzoek om een prejudiciële beslissing de uiteenzetting bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht vragen te stellen, alsmede van het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wetgeving. Dit vereiste geldt ook voor de algemene beginselen van het Unierecht waarover deze rechter zich in het kader van een dergelijk verzoek vragen stelt.

43 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij de nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten en passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren.

44 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 93/13 tot doel heeft een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen [zie in die zin arresten van 19 september 2018, Bankia, C‑109/17, EU:C:2018:735, punt 36 , en  15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Die doelstelling strookt met het uit artikel 38 van het Handvest van de grondrechten voortvloeiende vereiste dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming, wat in het bijzonder geldt voor de uitvoering van die richtlijn (zie in die zin arrest van 5 september 2024, Novo Banco e.a., C‑498/22-C‑500/22, EU:C:2024:686, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Daartoe verplicht artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten erop toe te zien dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden.

46 Hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties die bedingen buiten toepassing dienen te laten zodat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

47 Wanneer het gaat om oneerlijke bedingen die de betaling van een geldsom voorschrijven, leidt die verplichting er in beginsel toe dat dat bedrag moet worden terugbetaald. Het vereiste om de situatie te herstellen waarin de betrokken consument zich zonder die oneerlijke bedingen rechtens en feitelijk zou hebben bevonden, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen, behoort tot de essentie van de aan consumenten door richtlijn 93/13 gewaarborgde bescherming [zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen), C‑170/21, EU:C:2022:518, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48 Voorts zien de lidstaten er krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 op toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

49 Er zij dienaangaande aan herinnerd dat gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, dient te worden vastgesteld dat artikel 6, lid 1, van die richtlijn moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 52 , en  17 mei 2022, Unicaja Banco, C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 24 ). Artikel 7, lid 1, van die richtlijn houdt ook rechtstreeks verband met het openbare belang (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutierrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 56 ).

50 Aangezien het Unierecht de procedures voor de beoordeling van het eventueel oneerlijke karakter van een contractueel beding niet harmoniseert, zijn deze procedures krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten, op voorwaarde evenwel dat zij voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

51 Krachtens het doeltreffendheidsbeginsel mogen de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Bij het onderzoek of dat beginsel in acht is genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken regels in de gehele procedure, met het verloop van deze procedure en met de bijzondere kenmerken van die regels voor de verschillende nationale instanties [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

52 Het dient nog te worden benadrukt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert dat moet worden gezorgd voor een doeltreffende voorziening in rechte, welk vereiste tevens in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd en in het bijzonder geldt voor procedureregels voor rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

53 Hoewel het aan de lidstaten staat om in hun nationale recht de nadere regels te bepalen op grond waarvan wordt vastgesteld dat in een overeenkomst tussen een verkoper en consumenten opgenomen bedingen oneerlijk zijn en de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling worden uitgewerkt, moet die vaststelling evenwel van dien aard zijn dat de situatie waarin de betrokken consument zich rechtens en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, kan worden hersteld, eventueel door de erkenning van een recht op terugbetaling van de door de verkoper ten onrechte verkregen voordelen. Een in het nationale recht opgenomen regeling inzake de bescherming die richtlijn 93/13 aan consumenten biedt, mag namelijk niet aan de essentie van deze bescherming afdoen [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54 In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich ertegen verzet dat een consument de mogelijkheid wordt ontnomen om een uitwinningsprocedure te laten opschorten die is ingeleid op grond van een uitvoerbare titel op basis van een contractueel beding waarvan de rechtmatigheid in rechte wordt betwist wegens het oneerlijke karakter ervan, wanneer, zonder die opschorting, de te geven beslissing ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van dat beding wordt vastgesteld, aan de consument slechts bescherming achteraf biedt die uitsluitend in schadevergoeding bestaat, onvolledig en ontoereikend is en dus geen geschikt en doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 60 ).

55 Bijgevolg vereist de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, en in het bijzonder artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, dat wanneer er voldoende aanwijzingen zijn voor de nietigheid van de door de consument betwiste contractuele bedingen of van de overeenkomst zelf zodat terugbetaling van alle of een deel van de door deze consument betaalde bedragen waarschijnlijk is, de nationale rechter een passende bewarende maatregel moet kunnen gelasten indien dit noodzakelijk is om de volle werking van de te geven beslissing over het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te waarborgen [zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punten 59, 60 en 64; 26 juni 2019, Addiko Bank, C‑407/18, EU:C:2019:537, punten 57 en 58 , en  15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punten 43 en 60 ].

56 De volle werking van de te geven beslissing ten gronde houdt met name in dat kan worden vermeden dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure, waarvan de duur aanzienlijk kan zijn, hogere bedragen betaalt dan die welke daadwerkelijk verschuldigd zijn indien in die beslissing zou worden vastgesteld dat de betwiste bedingen oneerlijk zijn, zodat het noodzakelijk kan zijn om in een dergelijk geval bewarende maatregelen te treffen [zie in die zin beschikking van 26 oktober 2016, Fernández Oliva e.a., C‑568/14–C‑570/14, EU:C:2016:828, punt 35 , en arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 42 ].

57 Bovendien moet de noodzaak om bewarende maatregelen te treffen worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 59 ].

58 In het geval van een kredietovereenkomst is de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om een dergelijke maatregel toe te kennen des te noodzakelijker wanneer de consument ter uitvoering van die overeenkomst reeds heeft betaald of het risico loopt aan de kredietinstelling een bedrag te moeten betalen dat hoger is dan het geleende bedrag [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C‑287/22, EU:C:2023:491, punten 52 en 59 ].

59 Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, moet echter worden opgemerkt dat de eventuele vaststelling dat de door de consument betwiste contractuele bedingen oneerlijk zijn, niet betekent dat elke schuldvordering van de kredietinstelling jegens die consument vervalt.

60 In casu hebben de twijfels van de verwijzende rechter hoofdzakelijk betrekking op het feit dat het nationale recht – in het bijzonder artikel 135, leden 1 en 4, BFGU – elke mogelijkheid uitsluit om bewarende maatregelen toe te kennen wanneer de verkoper die met een consument een overeenkomst heeft gesloten waarvan de geldigheid op basis van een prima-faciebeoordeling terecht in rechte wordt betwist, een kredietinstelling in afwikkeling is.

61 Gelet op de vraag die door die rechter is gesteld, moet derhalve worden nagegaan of – wanneer een kredietinstelling in afwikkeling is en er in het kader van de afwikkelingsprocedure gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten en passiva van die kredietinstelling is overgedragen – artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59 gevolgen heeft voor de mogelijkheid die de nationale rechter moet hebben om de door een consument gevraagde bewarende maatregelen toe te kennen en aldus de volle werking te verzekeren van de te geven rechterlijke beslissing inzake het gestelde oneerlijke karakter van een contractueel beding dat in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven.

62 Artikel 34, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/59 stelt in essentie de volgorde vast waarin de personen op wie de opening van een afwikkelingsprocedure betrekking heeft, in beginsel de verliezen dragen van de instelling die aan die procedure is onderworpen, te weten de aandeelhouders en vervolgens de schuldeisers van die instelling, die laatsten in de rangorde van hun vorderingen zoals bepaald in het kader van een normale insolventieprocedure, die overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 47, van richtlijn 2014/59 onder het nationale recht valt.

63 Artikel 34, lid 1, onder b), bevat dus geen enkele aanwijzing over de mogelijkheid voor een consument om zijn eigen verplichtingen ten aanzien van de instelling in afwikkeling te laten opschorten.

64 In artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 is het beginsel neergelegd dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen mag lijden dan hij zou hebben geleden indien de instelling in afwikkeling overeenkomstig de artikelen 73 tot en met 75 van deze richtlijn volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.

65 Zoals de advocaat-generaal in de punten 72 tot en met 74 van haar conclusie in wezen heeft uiteengezet, impliceert het feit dat deze bepaling uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 73 tot en met 75 van richtlijn 2014/59 dat zij ziet op een beschermingsmaatregel die weliswaar onder meer ten goede komt aan de schuldeisers van een instelling in afwikkeling, maar die pas achteraf van toepassing is. Die maatregel veronderstelt immers dat de verliezen die deze schuldeisers daadwerkelijk hebben geleden bij hun werkelijke behandeling in het kader van de afwikkeling van die instelling worden vergeleken met de verliezen die zij zouden hebben geleden indien ten tijde van de vaststelling van het besluit om over te gaan tot afwikkeling een normale insolventieprocedure was geopend. Indien het eerste bedrag hoger blijkt te zijn dan het tweede, stelt deze maatregel hen in staat om betaling van het verschil te ontvangen uit de financieringsregeling voor de afwikkeling.

66 Bijgevolg heeft het in overweging 5 van richtlijn 2014/59 bedoelde „beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter mag worden behandeld” in verband met artikel 34, lid 1, onder g), ervan, gelezen in samenhang met de artikelen 73 tot en met 75 van deze richtlijn, geen betrekking op een eventuele procedurele bescherming met betrekking tot de toekenning van bewarende maatregelen – zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn – die schuldeisers van het resterende deel van instelling in het kader van de afwikkelingsprocedure zouden kunnen genieten. Artikel 34, lid 1, onder g), is dus evenmin relevant voor het antwoord op de vraag of een nationale rechter de bevoegdheid moet hebben om bewarende maatregelen te gelasten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

67 Voorts moet worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie in wezen heeft gedaan, dat richtlijn 2014/59 ook geen enkele andere bepaling bevat die betrekking kan hebben op een dergelijke bescherming, bij gebreke van een specifieke bepaling betreffende verzoeken om bewarende maatregelen die schuldeisers van een instelling in afwikkeling tegen die instelling hebben ingediend.

68 Hieruit volgt dat bepalingen als artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, binnen de werkingssfeer vallen van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2014/59, dat bepaalt dat de lidstaten regels mogen vaststellen of handhaven die strikter zijn dan of aanvullend zijn op de in die richtlijn neergelegde regels of de op grond van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.

69 Overeenkomstig die bepaling kunnen lidstaten dergelijke regels vaststellen, mits deze van algemene strekking zijn met richtlijn 2014/59 of de op grond van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.

70 In die omstandigheden moet worden nagegaan of de toepassing van de relevante bepalingen van richtlijn 93/13 in een context als die van het hoofdgeding de uitvoering van de afwikkelingsprocedure niet elk nuttig effect ontneemt of belemmert.

71 Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat de doelstellingen om de stabiliteit van het bankstelsel en het financiële stelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen, door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang vormen. Richtlijn 2014/59 voorziet dus, voor het geval dat er zich een uitzonderlijke economische context voordoet, in het gebruik van een procedure die met name de rechten van schuldeisers van een kredietinstelling of beleggingsonderneming kan aantasten, teneinde de financiële stabiliteit van de lidstaten te waarborgen, door een insolventieprocedure in te voeren die afwijkt van het gemene recht inzake insolventieprocedures, die slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast en die moet worden gerechtvaardigd door een hoger algemeen belang. Het uitzonderingskarakter van deze procedure impliceert dat andere bepalingen van Unierecht buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer deze de uitvoering van de afwikkelingsprocedure elk nuttig effect ontnemen of belemmeren (arrest van 5 mei 2022, Banco Santander, C‑410/20, EU:C:2022:351, punten 36 en 37 ).

72 Niettemin moet worden opgemerkt dat in een context als die van het hoofdgeding, het nuttig effect van de afwikkelingsprocedure in beginsel is bereikt vanaf het moment waarop van het instrument van de overbruggingsinstelling gebruik is gemaakt en tegelijkertijd het grootste deel van de activa, rechten en passiva van de instelling in afwikkeling aan die overbruggingsinstelling is overgedragen, zodat procedurele incidenten in procedures betreffende activa die in het vermogen van de overbruggingsinstelling zijn gebleven dat nuttig effect niet kunnen aantasten en evenmin de uitvoering van de afwikkelingsprocedure kunnen belemmeren. Overigens moet worden benadrukt dat het resterende deel van die instelling vanaf dat moment op grond van artikel 37, lid 6, van richtlijn 2014/59 volgens een normale insolventieprocedure moet worden geliquideerd.

73 De omstandigheden van het hoofdgeding verschillen dus van die welke aan de orde waren in de arresten van 5 mei 2022, Banco Santander (C‑410/20, EU:C:2022:351 ), en  5 september 2024, Novo Banco e.a. (C‑498/22–C‑500/22, EU:C:2024:686 ), aangezien de zaken waarin die twee arresten zijn gewezen betrekking hadden op entiteiten die na de inleiding van de afwikkelingsprocedure waren opgericht, en niet op het resterende deel van een instelling.

74 Volgens de prima-faciebeoordeling van de verwijzende rechter, zoals die voortvloeit uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, zou in omstandigheden als die van het hoofdgeding de toekenning van bewarende maatregelen die ertoe strekken te voorkomen dat verdere betalingen worden verricht op basis van contractuele bedingen waarvan het oneerlijke karakter voortvloeit uit vaste nationale rechtspraak, bovendien slechts tot gevolg hebben dat wordt verhinderd dat het vermogen van het resterende deel van de instelling wordt vermeerderd met de onverschuldigde bedragen die de consumenten in de praktijk enkel moeten betalen wegens het voortduren van de procedure die zij ten gronde hebben ingeleid. In een situatie waarin, zoals in casu, de consument betalingen lijkt te hebben verricht voor een totaalbedrag dat ongeveer overeenkomt met het geleende kapitaal, is het van belang dat de nationale rechter kan beslissen om de verplichting van die consument tot betaling van de maandlasten die verschuldigd zijn uit hoofde van de kredietovereenkomst waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, op te schorten, teneinde te voorkomen dat het resterende deel van de instelling hogere bedragen ontvangt dan die waarop die instelling rechtmatig aanspraak zou kunnen maken in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.

75 Gelet op het voorgaande moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met richtlijn 2014/59, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten of passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren. In het kader van het onderzoek naar de noodzaak van die bewarende maatregelen moet de nationale rechter rekening houden met het feit dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure een hoger bedrag heeft betaald of dreigt te betalen dan het bedrag dat daadwerkelijk verschuldigd is in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.

Kosten

76 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten of passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren. In het kader van het onderzoek naar de noodzaak van die bewarende maatregelen moet de nationale rechter rekening houden met het feit dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure een hoger bedrag heeft betaald of dreigt te betalen dan het bedrag dat daadwerkelijk verschuldigd is in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.

ondertekeningen