Home

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 september 2024

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 september 2024

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
19 september 2024

Uitspraak

Arrest van het Hof (Zesde kamer)

19 september 2024(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Regelingen voor rechtstreekse steun - Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 - Steunaanvraag voor dieren - Artikel 53, lid 4 - Voorwaarden voor de toekenning van gekoppelde steunmaatregelen voor runderen - Verordening (EG) nr. 1760/2000 - Artikel 7 - Registratie van runderen - Beschikking 2001/672/EG - Artikel 2, leden 2 en 4 - Verplaatsing van runderen naar zomerweiden in bergstreken - Te late melding - Gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 - Artikel 2, lid 1, tweede alinea, punten 2, 15, 16 en 18 - Artikel 30, lid 4, onder c) - Geconstateerd dier - Verlaging van de gekoppelde steun - Artikel 15, lid 1 - Artikel 34 - Administratieve sancties - Kennisgeving van een meldingsverzuim”"

In zaak C‑350/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 1 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 7 juni 2023, in de procedure

Vorstand für den Geschäftsbereich II der Agrarmarkt Austria,

in tegenwoordigheid van:

T F,

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, P. G. Xuereb (rapporteur) en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • de Vorstand für den Geschäftsbereich II der Agrarmarkt Austria, vertegenwoordigd door M. E. Huber als gemachtigde,

    • de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll, M. Kopetzki en C. Pesendorfer als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Aquilina en A. C. Becker als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van:

  • artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB 2000, L 204, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 653/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB 2014, L 189, blz. 33) (hierna: „verordening nr. 1760/2000”);

  • artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672/EG van de Commissie van 20 augustus 2001 houdende vaststelling van bijzondere voorschriften voor het verplaatsen van runderen naar zomerweiden in bergstreken (PB 2001, L 235, blz. 23), zoals gewijzigd bij besluit 2010/300/EU van de Commissie van 25 mei 2010 (PB 2010, L 127, blz. 19) (hierna: „beschikking 2001/672”);

  • artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (PB 2014, L 181, blz. 1), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/1784 van de Commissie van 9 juli 2018 (PB 2018, L 293, blz. 1) (hierna: „gedelegeerde verordening nr. 639/2014”), en

  • artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), en punt 18, onder a), artikel 15, lid 1, artikel 30, lid 4, onder c), en artikel 34 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2014, L 181, blz. 48), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2017/723 van de Commissie van 16 februari 2017 (PB 2017, L 107, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 640/2014”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen T F en de Vorstand für den Geschäftsbereich II der Agrarmarkt Austria (bureau van activiteitensector II binnen de dienst voor toezicht op de landbouwmarkten, Oostenrijk), een publiekrechtelijke rechtspersoon die in Oostenrijk onder meer als betaalorgaan optreedt (hierna: „AMA”), over de weigering van laatstgenoemde om T F voor bepaalde runderen steun voor dieren te verlenen omdat hij de verplaatsing van deze runderen naar alpenweiden te laat had gemeld en over de oplegging door AMA aan T F van een sanctie wegens deze te late melding.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1760/2000

3 De overwegingen 4 tot en met 7 en 14 van gedelegeerde verordening nr. 1760/2000 luiden:

  • „(4) Als gevolg van de instabiliteit van de markt voor rundvlees en rundvleesproducten die door de crisis in verband met boviene spongiforme encefalopathie is ontstaan, is de transparantie wat betreft de omstandigheden van de productie en de afzet van deze producten, met name ten aanzien van de traceerbaarheid, verbeterd, wat een positief effect heeft gehad op de rundvleesconsumptie. Om het vertrouwen van de consument in rundvlees te behouden en te doen toenemen, en hem niet te misleiden dienen producten juist en duidelijk te worden geëtiketteerd.

  • (5) Te dien einde is het van wezenlijk belang te voorzien in een doeltreffende identificatie- en registratieregeling voor runderen in de productiefase, enerzijds, en in een op objectieve criteria gebaseerde specifieke communautaire etiketteringsregeling in de afzetfase, anderzijds.

  • (6) Als gevolg van de garanties die deze verbetering biedt, zal eveneens worden voldaan aan een aantal eisen van algemeen belang, zoals de bescherming van de volksgezondheid en van de gezondheid van dieren.

  • (7) Het vertrouwen van de consument in de kwaliteit van rundvlees en rundvleesproducten zal bijgevolg worden vergroot, de bescherming van de volksgezondheid zal op een hoog niveau worden gehandhaafd en de rundvleesmarkt zal duurzaam stabieler worden.

  • […]

  • (14) Met het oog op snelle en accurate tracering van dieren voor de controles uit hoofde van de communautaire steunregelingen dient elke lidstaat een gecomputeriseerd nationaal gegevensbestand op te zetten waarin de identiteit van het dier, alle bedrijven op het grondgebied van de lidstaat en alle verplaatsingen van de dieren worden opgenomen, overeenkomstig richtlijn 97/12/EG van de Raad van 17 maart 1997 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 64/432/EEG inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens [(PB 1997, L 109, blz. 1)], waarin de sanitaire vereisten met betrekking tot dit gegevensbestand duidelijk zijn aangegeven.”

  • 4 Artikel 3 van verordening nr. 1760/2000 is opgenomen in titel I („Identificatie en registratie van runderen”) en bepaalt in zijn eerste alinea:

    „De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende elementen:

    1. identificatiemiddelen om de dieren individueel te identificeren,

    2. gecomputeriseerde gegevensbestanden,

    3. dierpaspoorten,

    4. individuele registers op elk bedrijf.”

    5 In artikel 7 van die verordening is bepaald:

    „1.

    Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

    • houdt een register bij,

    • stelt de bevoegde autoriteit binnen een door de betrokken lidstaat vastgestelde maximumtermijn in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; die maximumtermijn bedraagt minstens drie en hoogstens zeven dagen na het [zich voordoen] van een van die gebeurtenissen; de lidstaten kunnen de [Europese] Commissie verzoeken de maximumtermijn van zeven dagen te verlengen.

    Teneinde rekening te houden met praktische moeilijkheden in uitzonderlijke omstandigheden, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 22 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde te bepalen in welke uitzonderlijke omstandigheden de lidstaten de termijn van zeven dagen waarin is voorzien in het tweede streepje van de eerste alinea, mogen verlengen en wat de maximumduur van die verlenging mag zijn, die ten hoogste 14 dagen volgend op de termijn van zeven dagen, bedoeld in het tweede streepje van de eerste alinea, bedraagt.

    2.

    Teneinde een adequate en effectieve traceerbaarheid van runderen te waarborgen wanneer die voor seizoensbegrazing worden verplaatst, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 22 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ten aanzien van de lidstaten of delen van lidstaten waar speciale regels inzake seizoensbegrazing gelden, inclusief de periode, de specifieke verplichtingen van de houders, en regels inzake de registratie van het bedrijf en registratie van verplaatsingen van die runderen, met inbegrip van voor de invoering ervan vereiste overgangsmaatregelen.

    […]”

    Beschikking 2001/672

    6 Beschikking 2001/672 is ingetrokken door gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PB 2019, L 314, blz. 115). Gelet op de datum van de feiten in het hoofdgeding blijft beschikking 2001/672 er evenwel op van toepassing.

    7 Overweging 3 van beschikking 2001/672 luidde als volgt:

  • „De bijzondere voorschriften moeten het mogelijk maken de verblijfplaats van elk rund op elk moment te bepalen.”

  • 8 Artikel 1 van deze beschikking bepaalde:

    „Deze beschikking is van toepassing op verplaatsingen van runderen binnen de lidstaten of delen van lidstaten die zijn vermeld in de bijlage, van verschillende bedrijven naar weiden in bergstreken om daar te grazen, in de periode van 15 april tot en met 15 oktober.”

    9 Artikel 2 van deze beschikking luidde:

    „1. Elke in artikel 1 bedoelde weide krijgt een specifieke registratiecode die wordt geregistreerd in het nationale gegevensbestand voor runderen.

    2.

    De persoon die verantwoordelijk is voor de weide, stelt een lijst op van de runderen die bij de in artikel 1 bedoelde verplaatsing betrokken zijn. Deze lijst bevat ten minste:

    • de registratiecode van de weide,

    en voor elk rund

    • het individuele identificatienummer,

    • het identificatienummer van het bedrijf van herkomst,

    • de datum van aankomst in de weide,

    • de waarschijnlijke datum van vertrek uit de weide.

    […]

    4.

    De gegevens van de in lid 2 bedoelde lijst worden uiterlijk vijftien dagen na de datum waarop de dieren naar de weide zijn gebracht, aan de bevoegde autoriteit meegedeeld overeenkomstig artikel 7, lid 1, van [verordening nr. 1760/2000].

    […]”

    Verordening nr. 1306/2013

    10 Artikel 63 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 (PB 2017, L 350, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 1306/2013”), heeft als opschrift „Onverschuldigde betalingen en administratieve sancties” en bepaalt in de leden 1 en 2:

    „1.

    Wanneer een begunstigde niet blijkt te voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria, de normen of andere verplichtingen die verbonden zijn aan de voorwaarden voor de toekenning van de bijstand of steun waarin de sectorale landbouwwetgeving voorziet, wordt de steun niet betaald of geheel of gedeeltelijk ingetrokken en worden, naargelang het geval, de desbetreffende betalingsrechten als bedoeld in artikel 21 van verordening (EU) nr. 1307/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608)] niet toegewezen of ingetrokken.

    […]

    2.

    Daarnaast leggen de lidstaten, in de in de sectorale landbouwwetgeving voorgeschreven gevallen, administratieve sancties op […].”

    11 Artikel 77 van verordening nr. 1306/2013 draagt het opschrift „Het opleggen van administratieve sancties” en bepaalt in lid 6, tweede alinea:

    „De in dit lid bedoelde administratieve sancties staan in verhouding tot de ernst, de omvang, de duur en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving.”

    Verordening nr. 1307/2013

    12 Artikel 52 („Algemene voorschriften”) van verordening nr. 1307/2013, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/288 van het Europees Parlement en de Raad van 13 februari 2019 (PB 2019, L 53, blz. 14) (hierna: „verordening nr. 1307/2013”), is opgenomen in titel IV („Gekoppelde steun”), hoofdstuk 1 („Vrijwillige gekoppelde steun”), en bepaalt:

    „1.

    De lidstaten kunnen landbouwers onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden gekoppelde steun verlenen (in dit hoofdstuk ‚gekoppelde steun’ genoemd).

    […]

    6.

    Gekoppelde steun is een productiebeperkingsregeling in de vorm van een jaarlijkse betaling op basis van vaste arealen en opbrengsten of een vast aantal dieren, die de financiële maxima in acht neemt welke door de lidstaten voor iedere maatregel worden bepaald en ter kennis van de Commissie worden gebracht.

    […]

    9.

    Teneinde een efficiënt en gericht gebruik van de middelen van de Unie te waarborgen en dubbele financiering in het kader van andere, soortgelijke steuninstrumenten te voorkomen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin het volgende wordt vastgelegd:

    1. de voorwaarden voor de verlening van gekoppelde steun;

    […]”

    Gedelegeerde verordening nr. 639/2014

    13 Overweging 74 van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 luidt:

    „Meer bepaald moet ten aanzien van de vrijwillige gekoppelde steun nader worden gespecificeerd welke informatie de lidstaten moeten melden teneinde een correcte toepassing van de voorschriften inzake die steun, alsmede de doelmatigheid van deze meldingen te waarborgen, zodat de Commissie kan nagaan of de lidstaten de eisen inzake consistentie en niet-cumulatie van de steun, alsmede de in artikel 53 van verordening [nr. 1307/2013] bedoelde maximumpercentages van de nationale maxima en de betrokken totale bedragen bij het ontwerpen van de steunmaatregelen in acht nemen.”

    14 Artikel 53 van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 heeft als opschrift „Voorwaarden voor de steunverlening” en bepaalt:

    „1. De lidstaten stellen subsidiabiliteitscriteria voor gekoppelde steunmaatregelen vast overeenkomstig het kader van verordening [nr. 1307/2013] en de voorwaarden van de onderhavige verordening.

    […]

    4.

    Wanneer de gekoppelde steunmaatregel betrekking heeft op runderen en/of schapen en geiten, stellen de lidstaten als een van de subsidiabiliteitsvoorwaarden vast dat de eisen inzake identificatie en registratie van dieren waarin respectievelijk [verordening nr. 1760/2000] en verordening (EG) nr. 21/2004 [van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1782/2003 en de richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB 2004, L 5, blz. 8)] voorzien, in acht moeten worden genomen.

    Onverminderd andere subsidiabiliteitsvoorwaarden wordt er evenwel van uitgegaan dat een dier eveneens in aanmerking komt voor steun wanneer de in de eerste alinea bedoelde identificatie- en registratievoorschriften uiterlijk op een door de lidstaat vast te stellen datum zijn nageleefd, waarbij deze datum niet later is dan:

    1. indien een aanhoudperiode van toepassing is, de eerste dag van de aanhoudperiode van het dier;

    2. indien geen aanhoudperiode van toepassing is, een datum die is bepaald op basis van objectieve criteria en die in overeenstemming is met de desbetreffende overeenkomstig bijlage I aangemelde maatregel.

    Uiterlijk op 15 september 2015 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de in de tweede alinea bedoelde data.”

    Gedelegeerde verordening nr. 640/2014

    15 Gedelegeerde verordening nr. 640/2014 is ingetrokken bij gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties (PB 2022, L 183, blz. 12). Gelet op de datum van de feiten van het hoofdgeding is gedelegeerde verordening nr. 640/2014 niettemin van toepassing op dit geding.

    16 De overwegingen 1, 2, 27, 28, 30 en 31 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 luiden:

  • „(1) […] Verordening [nr. 1306/2013] machtigt de Commissie om gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Om een soepele werking van het systeem in het nieuwe rechtskader te waarborgen, moeten bepaalde voorschriften worden vastgesteld middels dergelijke handelingen. […]

  • (2) Er moeten in het bijzonder voorschriften tot aanvulling van bepaalde niet-essentiële onderdelen van verordening [nr. 1306/2013] worden vastgesteld die betrekking hebben op de werking van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (‚geïntegreerd systeem’), op de termijnen voor de indiening van een steunaanvraag of een betalingsaanvraag, op de voorwaarden voor een gehele of gedeeltelijke intrekking van steun en de gehele of gedeeltelijke intrekking van onverschuldigde steun of bijstand en de bepaling van administratieve sancties bij niet-naleving van de voorwaarden voor steun in het kader van de bij verordening [nr. 1307/2013] ingestelde regelingen […].

  • […]

  • (27) Bij vaststelling van administratieve sancties in het kader van steunregelingen voor dieren en diergebonden bijstandsmaatregelen moet rekening worden gehouden met het beginsel dat deze sancties ontradend en evenredig moeten zijn, en met de bijzondere problemen die door natuurlijke omstandigheden worden veroorzaakt. […]

  • (28) Wat steunaanvragen in het kader van steunregelingen voor dieren en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen betreft, heeft een niet-naleving tot gevolg dat het betrokken dier niet subsidiabel is. Er moet worden voorzien in verlagingen vanaf het eerste dier waarvoor een niet-naleving wordt ontdekt, maar wanneer voor niet meer dan drie dieren een niet-naleving wordt ontdekt, moet de administratieve sanctie minder streng zijn ongeacht om welk percentage van de dieren het gaat. In alle andere gevallen moet de hoogte van de administratieve sanctie afhankelijk zijn van het percentage dieren waarvoor een niet-naleving wordt ontdekt.

  • […]

  • (30) De voor de steunaanvraag en betalingsaanvraag geboden mogelijkheid om correcties aan te brengen zonder dat zij tot de administratieve sanctie leiden, moet ook gelden voor onjuiste gegevens in het geautomatiseerd gegevensbestand ten aanzien van aangegeven runderen waarvoor een dergelijke niet-naleving een inbreuk op een subsidiabiliteitscriterium betekent, tenzij de begunstigde op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse te verrichten, of de autoriteit de begunstigde reeds van een niet-naleving in de steunaanvraag of betalingsaanvraag in kennis heeft gesteld.

  • (31) Bij de vaststelling van weigeringen en intrekkingen van bijstand en van administratieve sancties moet rekening worden gehouden met het beginsel dat zij ontradend en evenredig moeten zijn. De weigeringen en intrekkingen moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst, de omvang, de duur en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving. Wat de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen betreft, moet bij weigeringen en intrekkingen van bijstand en bij de vaststelling van de administratieve sancties rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende bijstandsmaatregelen. Bij een ernstige niet-naleving of wanneer de begunstigde valse informatie heeft ingediend om bijstand te ontvangen, moet de bijstand worden geweigerd en moet een administratieve sanctie worden opgelegd. De administratieve sancties moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer bijstandsmaatregelen of soorten concrete acties gedurende een bepaalde periode.”

  • 17 Artikel 2 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1:

    „[…]

    Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

    […]

    (2) ‚niet-naleving’:

    1. met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen of andere verplichtingen die verbonden zijn aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun of bijstand als bedoeld in artikel 67, lid 2, van [verordening nr. 1306/2013]: de niet-inachtneming van deze subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen of andere verplichtingen, of

    […]

    1. ‚geautomatiseerd gegevensbestand voor dieren’: het geautomatiseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), en artikel 5 van verordening [nr. 1760/2000], en/of het centrale register of het geautomatiseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), en de artikelen 7 en 8 van verordening [nr. 21/2004];

    […]

    1. ‚steunregeling voor dieren’: een bij titel IV, hoofdstuk 1, van [verordening nr. 1307/2013] ingestelde maatregel inzake vrijwillige gekoppelde steun waarbij de binnen afgebakende kwantitatieve grenzen toe te kennen jaarlijkse betaling op een vast aantal dieren berust;

    […]

    1. ‚steunaanvraag voor vee’: aanvraag voor de betaling van steun waarbij de binnen afgebakende kwantitatieve grenzen toe te kennen jaarlijkse betaling berust op een vast aantal dieren in het kader van de vrijwillige gekoppelde steun waarin titel IV, hoofdstuk 1, van [verordening nr. 1307/2013] voorziet;

    2. ‚aangegeven dieren’: dieren waarvoor in het kader van de steunregeling voor dieren een steunaanvraag voor vee is ingediend of waarvoor een betalingsaanvraag op grond van een diergebonden bijstandsmaatregel is ingediend;

    3. ‚potentieel subsidiabel dier’: een dier dat a priori kan voldoen aan de voorwaarden om in het betrokken aanvraagjaar recht te geven op steun in het kader van de steunregeling voor dieren of op bijstand in het kader van een diergebonden bijstandsmaatregel;

    4. ‚geconstateerd dier’:

      1. bij een steunregeling voor dieren: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de verlening van de steun gestelde voorwaarden is voldaan, of

      2. bij een diergebonden bijstandsmaatregel: een dier dat door middel van administratieve controles of controles ter plaatse is geïdentificeerd;

      […]”

    18 Titel II van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 draagt het opschrift „Geïntegreerd beheers- en controlesysteem”. Hoofdstuk IV ervan, „Berekening van steun en administratieve sancties in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen en van de onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen”, bevat de artikelen 15 tot en met 34.

    19 Artikel 15 („Uitzonderingen op de toepassing van administratieve sancties”) bepaalt:

    „1.

    De in het onderhavige hoofdstuk bedoelde administratieve sancties zijn niet van toepassing op het gedeelte van de steunaanvraag of de betalingsaanvraag waarvoor de begunstigde de bevoegde autoriteit schriftelijk meedeelt dat de steunaanvraag of de betalingsaanvraag onjuist is of onjuist is geworden sinds de indiening ervan, tenzij de begunstigde op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse te verrichten, of de autoriteit de begunstigde reeds van een niet-naleving in de steunaanvraag of betalingsaanvraag in kennis heeft gesteld.

    2.

    De in lid 1 bedoelde mededeling van de begunstigde heeft tot gevolg dat de steunaanvraag of de betalingsaanvraag wordt aangepast aan de feitelijke situatie.”

    20 Artikel 30 („Berekeningsgrondslag”) luidt:

    „[…]

    2.

    De op het bedrijf aanwezige dieren worden slechts als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag of de betalingsaanvraag zijn geïdentificeerd. […]

    3.

    Onverminderd artikel 31 wordt, indien het in een steunaanvraag of een betalingsaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun of de bijstand berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

    […]

    4.

    Wanneer een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen wordt vastgesteld, geldt het volgende:

    […]

    1. wanneer het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register, de dierpaspoorten of het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren gaat die niet relevant zijn om voor de betrokken steunregeling of bijstandsmaatregel andere subsidiabiliteitsvoorwaarden dan die als bedoeld in artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening [nr. 639/2014], te verifiëren, wordt het betrokken dier slechts als niet-geconstateerd beschouwd indien dergelijke onjuiste vermeldingen bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de betrokken dieren na de eerste bevinding als niet-geconstateerd beschouwd.

    De vermeldingen in en meldingen aan het identificatie- en registratiesysteem voor runderen mogen te allen tijde worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit is erkend.

    […]”

    21 Artikel 31 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 draagt als opschrift „Administratieve sancties met betrekking tot dieren die zijn aangegeven in het kader van steunregelingen voor dieren of diergebonden bijstandsmaatregelen” en luidt als volgt:

    „1.

    Wanneer ten aanzien van een steunaanvraag in het kader van een steunregeling voor dieren of een betalingsaanvraag in het kader van een diergebonden bijstandsmaatregel of een soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 30, lid 3, geconstateerde aantal, wordt het totale bedrag aan steun of bijstand waarop de begunstigde in het kader van die steunregeling of bijstandsmaatregel of soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar recht heeft, verlaagd met het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel te bepalen percentage indien voor niet meer dan drie dieren een niet-naleving wordt vastgesteld.

    2.

    Indien voor meer dan drie dieren een niet-naleving wordt vastgesteld, wordt het totale bedrag aan steun of bijstand waarop de begunstigde in het kader van de in lid 1 bedoelde steunregeling of bijstandsmaatregel of soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar recht heeft, verlaagd met:

    1. het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit niet hoger is dan 10 %;

    2. tweemaal het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit hoger dan 10 % maar niet hoger dan 20 % is.

    […]

    Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 50 %, dan wordt de steun of bijstand waarop de begunstigde overeenkomstig artikel 30, lid 3, recht zou hebben gehad op grond van de steunregeling of bijstandsmaatregel of soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar, niet verleend. Bovendien wordt aan de begunstigde een extra sanctie opgelegd die gelijk is aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aantal aangegeven dieren en het overeenkomstig artikel 30, lid 3, geconstateerde aantal dieren. […]

    3.

    Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 genoemde percentages wordt het aantal dieren dat in het kader van een steunregeling voor dieren of een diergebonden bijstandsmaatregel of een soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel is aangegeven en waarvoor een niet-naleving is geconstateerd, gedeeld door het aantal dieren dat in het kader van die steunregeling voor dieren of die bijstandsmaatregel of soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar is geconstateerd met betrekking tot de steunaanvraag of betalingsaanvraag of soort concrete actie in het kader van een dergelijke bijstandsmaatregel.

    […]”

    22 Artikel 34 van deze gedelegeerde verordening, met het opschrift „Wijzigingen en correcties van de gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren”, luidt:

    „Ten aanzien van aangegeven dieren geldt artikel 15 voor fouten en omissies in de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens vanaf het tijdstip waarop de steunaanvraag of betalingsaanvraag wordt ingediend.”

    Uitvoeringsverordening nr. 809/2014

    23 Artikel 21 („Eisen met betrekking tot de steunaanvraag voor vee en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen”) van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69) bepaalt:

    „1.

    Een steunaanvraag voor vee als bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 15, van [gedelegeerde verordening nr. 640/2014] of een betalingsaanvraag in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 14, van die verordening bevat alle informatie die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun en/of bijstand kan worden gemaakt, en met name:

    […]

    1. het aantal dieren van elk type waarvoor een steunaanvraag voor vee of een betalingsaanvraag wordt ingediend en, voor runderen, hun identificatiecode;

    […]

    4.

    De lidstaten kunnen procedures invoeren die het mogelijk maken de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens te gebruiken ten behoeve van de steunaanvraag voor vee of de betalingsaanvraag, mits het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren de mate van zekerheid en implementatie biedt die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen of bijstandsmaatregelen op het niveau van de individuele dieren nodig is.

    De in de eerste alinea bedoelde procedures kunnen bestaan in een systeem waarbij een begunstigde steun en/of bijstand kan aanvragen voor alle dieren die op een door de lidstaat te bepalen datum of gedurende een door de lidstaat te bepalen periode op basis van de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens voor steun en/of bijstand in aanmerking komen.

    […]”

    Gedelegeerde verordening 2016/1393

    24 De op het hoofdgeding toepasselijke versie van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 vloeit voort uit de wijziging die is doorgevoerd bij gedelegeerde verordening (EU) 2016/1393 van de Commissie van 4 mei 2016 houdende wijziging van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2016, L 225, blz. 41).

    25 Overweging 11 van gedelegeerde verordening 2016/1393 luidt:

    „Krachtens artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening [nr. 639/2014] moeten de lidstaten als een van de subsidiabiliteitsvoorwaarden vaststellen dat de eis tot identificatie en registratie van dieren waarin verordening [nr. 1760/2000] voorziet, in acht moet worden genomen. De verwijzing naar de inachtneming van die verordening als systematische subsidiabiliteitsvoorwaarde moet ervoor zorgen dat de dieren die in aanmerking komen voor steun of bijstand, ondubbelzinnig worden geïdentificeerd. In dit verband moet in artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening [nr. 640/2014] worden verduidelijkt dat onjuiste vermeldingen betreffende geslacht, ras, kleur of datum die in het register, de dierpaspoorten en/of het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen zijn opgenomen, na de eerste bevinding als niet-naleving moeten worden beschouwd, indien die informatie essentieel is om te beoordelen of de dieren subsidiabel zijn in het kader van de betrokken steunregeling of bijstandsmaatregel. Anders moet het dier in kwestie als niet-geconstateerd worden beschouwd indien zulke onjuiste vermeldingen in een tijdsbestek van 24 maanden bij op zijn minst twee controles worden vastgesteld.”

    Nationaal recht

    Marktordnungsgesetz 2007

    26 § 8 van het Marktordnungsgesetz 2007 (wet marktordening van 2007) (BGBl. I, 55/2007, in de versie van BGBl. I, 46/2018), draagt het opschrift „Rechtstreekse betalingen” en bepaalt in lid 1:

    „Bij de afwikkeling van rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 1, onder a), van verordening [nr. 1307/2013] […] gelden de volgende beginselen:

    […]

    6.

    Voor de beweiding van alpenweiden wordt overeenkomstig § 8f gekoppelde steun krachtens artikel 52 van verordening [nr. 1307/2013] verleend. Overeenkomstig artikel 53, lid 1, [van die verordening] worden de voor de gekoppelde betaling beschikbare middelen vastgesteld op 2,1 % van het nationale maximum.

    […]”

    27 § 8f van de wet marktordening van 2007, met het opschrift „Vrijwillige gekoppelde steun”, bepaalt in lid 1:

    „De in § 8, lid 1, punt 6, bedoelde gekoppelde steun wordt verleend voor runderen, schapen en geiten per verplaatste, met ruwvoer gevoerde grootvee-eenheid (RGVE). […]”

    Direktzahlungs-Verordnung 2015

    28 § 13 („Vrijwillige gekoppelde steun”) van de Direktzahlungs-Verordnung 2015 (besluit inzake rechtstreekse betalingen 2015) (BGBl. II, 368/2014, in de versie van BGBl. II, 57/2018), luidt als volgt:

    „(1)

    Vrijwillige gekoppelde steun mag alleen worden verleend voor runderen, schapen en geiten die worden gehouden op alpenweiden en die overeenkomstig verordening [nr. 1760/2000] […] zijn geïdentificeerd en geregistreerd. Een dier wordt echter ook geacht voor de premie in aanmerking te komen indien de in artikel 7, lid 1, tweede streepje, van verordening [nr. 1760/2000] bedoelde gegevens zijn verstrekt op de eerste dag dat het dier op de alpenweide staat.

    (2)

    De vrijwillige gekoppelde steun wordt door de landbouwer aangevraagd bij de indiening van de meervoudige areaal-aanvraag en de lijst van naar alpenweiden verplaatst vee overeenkomstig § 22, lid 5, van de [Horizontale GAP-Verordnung (horizontaal besluit betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid; hierna: ‚horizontale GLB-verordening’)] en, voor runderen, aanvullend in samenhang met de informatie uit het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen betreffende de (alpen)weidemeldingen overeenkomstig artikel 2 van beschikking [2001/672].

    (3)

    Het voor de verlening van de vrijwillige gekoppelde steun relevante aantal wordt bepaald op basis van het aantal dieren dat de betrokken landbouwer op de referentiedatum 15 juli naar de alpenweide heeft verplaatst.

    (4)

    De dieren moeten ten minste zestig dagen op de alpenweide staan. De alpenweideperiode gaat in op de dag van de verplaatsing, maar niet meer dan 15 dagen vóór de indiening van de (alpen)weidemelding voor runderen of de lijst van de dieren die naar de alpenweiden zijn verplaatst. […]”

    Horizontale GLB-verordening

    29 § 21 („Indiening”) van de horizontale GLB-verordening (BGBl. II, 100/2015, in de versie van BGBl. II, 165/2020) bepaalt in de leden 1 en 1b:

    „(1)

    De verzamelaanvraag (meervoudige areaal-aanvraag) overeenkomstig artikel 11 van [gedelegeerde verordening nr. 640/2014] moet uiterlijk op 15 mei van elk aanvraagjaar uitsluitend overeenkomstig § 3, lid 1, worden ingediend.

    […]

    (1b)

    Voor het aanvraagjaar 2020 kan de verzamelaanvraag, in afwijking van lid 1, uiterlijk op 15 juni 2020 worden ingediend. Wijzigingen als bedoeld in artikel 15, lid 1, van uitvoeringsverordening [nr. 809/2014] kunnen voor het aanvraagjaar 2020 tot en met 30 juni 2020 worden gemeld.

    […]”

    30 In § 22 („Verzamelaanvraag”) van dit besluit wordt bepaald:

    „(1)

    De verzamelaanvraag moet door alle landbouwers die rechtstreekse betalingen […] aanvragen […], in overeenstemming met de vereisten van § 21 worden ingediend […].

    […]

    (5)

    In geval van verplaatsing van dieren naar alpenweiden en weiden die gemeenschappelijk door meerdere houders worden gebruikt, moet de lijst van naar alpenweiden verplaatste dieren uiterlijk op 15 juli van het aanvraagjaar worden ingediend.”

    Rinderkennzeichnungs-Verordnung 2008

    31 § 6 van de Rinderkennzeichnungs-Verordnung 2008 (besluit betreffende de identificatie van runderen 2008) (BGBl. II, 201/2008, in de versie van BGBl. II, 285/2019) luidt:

    „(1)

    Binnen zeven dagen moet melding worden gedaan van:

    […]

    2.

    verplaatsingen van dieren tussen bedrijven van een en dezelfde houder van dieren in verschillende gemeenten, met vermelding van de aanvullende gegevens die nodig zijn voor het dierpaspoort.

    (1a) Binnen 15 dagen moet melding worden gedaan van:

    de verplaatsing naar (alpen)weiden, wanneer hierbij runderen van meerdere houders bij elkaar worden gevoegd,

    […]”

    Hoofdgeding en prejudiciële vragen

    32 In 2020 heeft T F een meervoudige areaal-aanvraag ingediend, waarbij hij onder andere verzocht om verlening van gekoppelde steun voor vee dat wordt gehouden op zomerweiden (alpenweiden).

    33 Op 28 mei 2020 zijn door T F vier runderen naar de alpenweiden verplaatst, wat hij bij de AMA heeft gemeld op 1 juni 2020, binnen de termijn van 15 dagen waarin § 6, lid 1a, punt 1, van het besluit betreffende de identificatie van runderen 2008 voorziet. Ook de geboorte van een kalf op 1 juli 2020 op de alpenweiden heeft hij tijdig gemeld.

    34 Daarentegen heeft T F eerst op 15 juni 2020 aan de AMA gemeld dat twaalf van zijn andere runderen, samen met runderen van andere landbouwers, al op 9 mei 2020 naar een alpenweide waren verplaatst. Deze tardieve melding bevatte de individuele identificatienummers van de twaalf verplaatste dieren en van het bedrijf van T F, alsmede de waarschijnlijke datum van vertrek uit de weide (31 oktober 2020).

    35 Bij besluit van 11 januari 2021 heeft de AMA T F rechtstreekse betalingen voor het jaar 2020 toegekend ten bedrage van 17 086,71 EUR. Dit bedrag bestond uit een basispremie, een vergroeningspremie en gekoppelde steun ten bedrage van 119,44 EUR.

    36 Met betrekking tot de gekoppelde steun heeft de AMA er echter op gewezen dat weliswaar voor alle dieren waarvan de verplaatsing door T F was gemeld, aan de eis van een weideperiode van zestig dagen was voldaan, maar dat slechts voor vijf ervan binnen de door de lidstaat overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1760/2000 vastgestelde termijn was meegedeeld dat zij naar de alpenweiden waren verplaatst. Voor de twaalf andere runderen, die op 9 mei 2020 waren verplaatst, had de kennisgeving daarentegen pas na het verstrijken van deze termijn plaatsgevonden. Derhalve moesten, overeenkomstig artikel 31 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, deze twaalf dieren worden afgewogen tegen het aantal runderen waarvoor wel aan de voorwaarden voor steunverlening was voldaan. Dit leidde tot een verlaging van de steun met 100 %, zodat er voor 2020 geen gekoppelde steun meer kon worden verleend. Bovendien moest volgens de AMA op grond van artikel 31, lid 2, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 aan T F een extra sanctie ten bedrage van 235,60 EUR worden opgelegd, die zou worden verrekend met de betalingen voor de volgende drie kalenderjaren.

    37 Op 9 februari 2021 heeft T F bij het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) beroep ingesteld tegen het volledige besluit van de AMA.

    38 Bij uitspraak van 16 november 2021 heeft het Bundesverwaltungsgericht het beroep toegewezen. Die rechter heeft zowel de vermindering van de gekoppelde steun als de administratieve sanctie ingetrokken en de AMA gelast een nieuwe berekening te maken en de steunaanvraag van T F opnieuw te beoordelen.

    39 Hij oordeelde dat de niet-naleving van de plicht om verplaatsingen van dieren tijdig te melden, overeenkomstig artikel 31 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 weliswaar tot een verlaging van de gekoppelde steun en tot een sanctie kon leiden, maar dat er ook rekening moest worden gehouden met artikel 15, lid 1, van die gedelegeerde verordening, volgens hetwelk geen sanctie mag worden opgelegd als de begunstigde de bevoegde autoriteit schriftelijk meedeelt dat de steunaanvraag onjuist is of na indiening onjuist is geworden. Laatstgenoemde bepaling is in casu van toepassing, aangezien een te late melding ook moet worden geacht een dergelijke schriftelijke kennisgeving te zijn. Het evenredigheidsbeginsel pleit eveneens voor deze uitlegging.

    40 De AMA heeft tegen die uitspraak beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter.

    41 In zijn verwijzingsbeslissing zet die rechter in de eerste plaats uiteen dat de Oostenrijkse wetgever met § 13, leden 2 en 3, van het besluit inzake rechtstreekse betalingen 2015 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die bij artikel 21, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 aan de lidstaten wordt geboden om de informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren te gebruiken bij de behandeling van alle steun- of betalingsaanvragen voor dieren. Wanneer een landbouwer een aanvraag voor gekoppelde steun indient, gebeurt dat overeenkomstig § 13, lid 2, van dit besluit dus in verschillende fasen.

    42 Zo beroept de landbouwer zich in het kader van een meervoudige areaal-aanvraag, die overeenkomstig § 21, leden 1 en 1b, van de horizontale GLB-verordening vóór 15 juni 2020 moet worden ingediend, om te beginnen op het beginsel van gekoppelde steun. De aanvraag wordt geconcretiseerd met de melding van de verplaatsing van de dieren naar zomerweiden, waarbij de in artikel 2, lid 2, van beschikking 2001/672 bedoelde gegevens worden meegedeeld. Die melding moet overeenkomstig § 6, lid 1a, van het besluit betreffende de identificatie van runderen en artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672 binnen 15 dagen na de verplaatsing van de dieren plaatsvinden.

    43 De meldingen worden opgenomen in het nationale elektronische gegevensbestand voor runderen, op basis waarvan vervolgens het aantal runderen kan worden bepaald dat op de zomerweide stond op 15 juli, de datum die overeenkomstig § 13, lid 3, van het besluit inzake rechtstreekse betalingen 2015 de referentiedatum is voor de berekening van het relevante aantal dieren. Op basis van die registraties in dat gegevensbestand wordt de vrijwillige gekoppelde steun berekend waarop de houder van de dieren recht heeft.

    44 In de zaak die bij de verwijzende rechter aanhangig is, is de melding gedaan op 15 juni 2020. Op de relevante referentiedatum voor de bepaling van het aantal dieren – 15 juli 2020 volgens § 13, lid 3, van het besluit inzake rechtstreekse betalingen 2015 – had er met betrekking tot die twaalf runderen dus al een melding plaatsgevonden en waren deze in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren geregistreerd.

    45 De verwijzende rechter onderstreept dat in casu niet is voldaan aan de verplichting tot melding binnen vijftien dagen na de verplaatsing van die runderen, zoals die voortvloeit uit artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1760/2000, of uit § 6, lid 1a, van het besluit betreffende de identificatie van runderen, aangezien die runderen op 9 mei 2020 zijn verplaatst.

    46 Hij wijst er echter op dat wanneer het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren gaat die niet relevant zijn om andere subsidiabiliteitsvoorwaarden dan die als bedoeld in artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014, te verifiëren, het betrokken dier volgens artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 slechts als niet-geconstateerd wordt beschouwd in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 indien dergelijke onjuiste vermeldingen bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld.

    47 Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of een te late melding, zoals in de zaak die bij hem aanhangig is, kan worden beschouwd als een onjuiste vermelding in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren die niet bepalend is voor de andere voorwaarden voor toekenning van de steun in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014.

    48 In de tweede plaats merkt die rechter op dat indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en er dus geen gekoppelde steun kan worden toegekend voor de twaalf runderen van T F die op 9 mei 2020 naar alpenweiden zijn verplaatst, de vraag rijst of ook de administratieve sancties van hoofdstuk IV van die gedelegeerde verordening moeten worden opgelegd.

    49 In dit verband wijst hij erop dat artikel 15, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, bij wijze van uitzondering op de toepassing van de in hoofdstuk IV van deze gedelegeerde verordening bedoelde administratieve sancties, met name bepaalt dat deze sancties niet van toepassing zijn op het deel van de steunaanvraag waarvan de begunstigde schriftelijk aan de bevoegde autoriteit heeft gemeld dat het onjuist is, mits hij er niet door die autoriteit van in kennis is gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse uit te voeren of dat zij in zijn steun- of betalingsaanvraag een niet-naleving had vastgesteld.

    50 Volgens de verwijzende rechter heeft artikel 15, lid 1, van die gedelegeerde verordening weliswaar slechts betrekking op fouten in de steunaanvraag zelf, en niet op de niet-naleving van de identificatie- en registratieregeling voor dieren, maar breidt artikel 34 daarvan de toepassing van die bepaling uit tot fouten en omissies in de registratie in het geautomatiseerde gegevensbestand. Daardoor wordt de veehouders de mogelijkheid geboden om hun nalatigheden op eigen initiatief te corrigeren nog voordat de bevoegde autoriteit optreedt door een controle ter plaatse aan te kondigen of hen in kennis te stellen van een niet-naleving, en aldus administratieve sancties te vermijden.

    51 De verwijzende rechter is van oordeel dat de artikelen 15 en 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 tot doel lijken te hebben de veehouder te bevoordelen die, zonder daartoe te worden gedwongen, een overtreding corrigeert, wat hem geen steun voor de betrokken dieren oplevert, maar waardoor hij administratieve sancties voorkomt. Er is immers geen reden waarom een te late melding, zoals in de zaak die bij die rechter aanhangig is, ernstigere gevolgen zou hebben dan een andere onjuiste of nagelaten melding die leidt tot een onjuiste of onvolledige vermelding in het nationale gegevensbestand. Ook het beginsel van evenredigheid van sancties, zoals benadrukt in artikel 77, lid 6, van verordening nr. 1306/2013, zou ervoor kunnen pleiten om artikel 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 in het geval van een dergelijke te late melding toe te passen.

    52 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

    • Moet, met betrekking tot een steunaanvraag voor vee in de zin van artikel 2, lid [1], punt 15, van gedelegeerde verordening [nr. 640/2014], die voor het jaar 2020 is ingediend voor de verlening van gekoppelde steun en waarvoor, in de zin van artikel 21, lid 4, van uitvoeringsverordening [nr. 809/2014], de gegevens van het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen worden gebruikt, een melding overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking [2001/672] juncto artikel 7, lid 2, van verordening [nr. 1760/2000] die pas is gedaan na het verstrijken van de termijn van 15 dagen nadat het vee (runderen) naar een weide is verplaatst, worden aangemerkt als een onjuiste vermelding in het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen, die overeenkomstig artikel 30, lid 4, onder c), van [gedelegeerde] verordening nr. 640/2014 niet bepalend is voor de verificatie van de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden – met uitzondering van de voorwaarde van artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening [nr. 639/2014] – in het kader van de betrokken steunregeling of bijstandsmaatregel, zodat de betrokken dieren pas als niet-geconstateerd worden beschouwd wanneer een dergelijke onjuiste vermelding bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden wordt vastgesteld?

    • Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

      Zijn in de zin van artikel 15, lid 1, en artikel 34 van [gedelegeerde] verordening [nr. 640/2014] de administratieve sancties van hoofdstuk IV van [gedelegeerde] verordening [nr. 640/2014] van toepassing op de in de eerste vraag bedoelde aanvraag voor gekoppelde steun wanneer de landbouwer bij de bevoegde autoriteit een schriftelijke melding overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking [2001/672] juncto artikel 7, leden 1 en 2, van verordening [nr. 1760/2000] indient betreffende het verplaatsen van dieren naar een weide, waarbij uit de melding blijkt dat deze te laat is wat de in die bepalingen vastgestelde termijn van 15 dagen betreft, voor zover de bevoegde autoriteit de aanvrager niet vooraf in kennis heeft gesteld van een voornemen om een controle ter plaatse te verrichten en hem ook niet reeds in kennis heeft gesteld van een eventuele niet-naleving met betrekking tot de steunaanvraag?”

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    Eerste vraag

    53 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), en punt 18, onder a), en artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat een melding van de verplaatsing van runderen naar zomerweiden in bergstreken waarbij de termijn niet wordt nageleefd die door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672 juncto artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1760/2000 is gesteld, kan worden beschouwd als een onjuiste vermelding in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren die niet relevant is voor de verificatie of is voldaan aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de betrokken aanvraag in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, zodat deze dieren kunnen worden geacht onder de categorie „geconstateerd dier” in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, onder a), van deze gedelegeerde verordening te vallen.

    54 Vooraf zij opgemerkt dat deze vraag betrekking heeft op een steunaanvraag voor dieren in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 15, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, dat wil zeggen een steunaanvraag waarbij de jaarlijkse betaling die binnen bepaalde kwantitatieve grenzen moet worden verleend, is gebaseerd op een vast aantal dieren in het kader van de in titel IV, hoofdstuk 1, van verordening nr. 1307/2013 bedoelde vrijwillige gekoppelde steun, die is ingediend om in aanmerking te komen voor een steunregeling voor dieren in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 13, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, te weten een dergelijke maatregel inzake vrijwillige gekoppelde steun. Meer in het bijzonder gaat het om een aanvraag voor gekoppelde steun voor runderen die naar zomerweiden in bergstreken worden verplaatst.

    55 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt verder dat voor de melding van de verplaatsing van runderen naar die weiden, overeenkomstig artikel 21, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 9, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 wordt gebruikt.

    56 Ter beantwoording van de eerste vraag moet in de eerste plaats worden onderzocht of de naleving van de termijn om de verplaatsing van dieren naar zomerweiden in bergstreken te melden, moet worden geacht een voorwaarde voor de verlening van de steun te zijn in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014.

    57 Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 december 2023, Infraestruturas de Portugal en Futrifer Indústrias Ferroviárias, C‑66/22, EU:C:2023:1016, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    58 Uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 blijkt dat het begrip „geconstateerd dier” in het kader van een steunregeling voor dieren ziet op een dier waarvoor aan alle voorwaarden voor steunverlening is voldaan.

    59 Dienaangaande schrijft artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 de lidstaten voor om als subsidiabiliteitsvoorwaarde voor gekoppelde steunmaatregelen voor runderen vast te stellen dat de eisen inzake identificatie en registratie van dieren waarin verordening nr. 1760/2000 voorziet, in acht worden genomen. Die eisen zijn opgenomen in de artikelen 1 e.v. van titel I van deze verordening, met het opschrift „Identificatie en registratie van runderen”.

    60 Artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000 bepaalde aanvankelijk dat elke houder van dieren de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde maximumtermijn van drie tot zeven dagen in kennis stelt van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. Volgens die bepaling kon de Commissie evenwel op verzoek van een lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 23, lid 2, van die verordening, bepalen in welke gevallen de lidstaten de maximumtermijn mochten verlengen en specifieke regels mochten vaststellen voor de verplaatsingen van runderen die bestemd waren om in de zomer op verschillende plaatsen in de bergen te grazen.

    61 Na wijziging van deze verordening door verordening nr. 653/2014, werd in deze mogelijkheid voorzien door artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1760/2000, volgens hetwelk de Commissie, teneinde een adequate en effectieve traceerbaarheid van runderen te waarborgen wanneer die voor seizoensbegrazing worden verplaatst, bevoegd was om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot onder meer de regels inzake registratie van de verplaatsingen van die runderen.

    62 Op grond van artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000, in de oorspronkelijke versie ervan, heeft de Commissie beschikking 2001/672 vastgesteld, waarvan artikel 2, lid 2, bepaalt dat de persoon die verantwoordelijk is voor de weide een lijst opstelt van de runderen die naar zomerweiden in bergstreken kunnen worden verplaatst, waarin met name het identificatienummer van elk rund moet worden vermeld. Krachtens artikel 2, lid 4, van die beschikking worden de in die lijst opgenomen gegevens uiterlijk 15 dagen na aankomst van de dieren op de weiden aan de bevoegde autoriteit meegedeeld overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1760/2000.

    63 Zowel artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000 als artikel 2, lid 4, van beschikking 2001/672 is gesteld in dwingende bewoordingen, waarin de omvang van de op de houders van dieren rustende meldplicht en de termijn waarbinnen deze houders aan die plicht moeten voldoen, gedetailleerd worden omschreven (zie in die zin arrest van 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, EU:C:2007:296, punt 36 ).

    64 Verder bepalen artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, in fine, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1760/2000 nauwkeurig de modaliteiten voor de verlenging van die termijn. De nauwkeurige omschrijving van die modaliteiten zou echter geen enkele nuttige werking hebben indien het de houders van dieren vrijstond om die termijn niet in acht te nemen (zie in die zin arrest van 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, EU:C:2007:296, punt 37 ).

    65 Uit de bewoordingen van artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672 en die van artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000 volgt dus dat elke houder van dieren zich moet houden aan de termijn om de verplaatsing van een rund naar of van zijn bedrijf te melden teneinde de aangevraagde gekoppelde steun te verkrijgen, en dat de naleving van die termijn dus moet worden beschouwd als een voorwaarde voor de verlening van de steun in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014.

    66 Uit artikel 53, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 blijkt dat, onverminderd andere subsidiabiliteitsvoorwaarden, een dier ook wordt geacht voor steun in aanmerking te komen wanneer de identificatie- en registratievoorschriften als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel 53, lid 4, zijn vervuld op een door de lidstaat vast te stellen datum, binnen de grenzen die in de tweede alinea van deze bepaling worden gesteld.

    67 Dienaangaande volgt uit de verwijzingsbeslissing dat een dier krachtens § 13 van het besluit inzake rechtstreekse betalingen 2015 in aanmerking kan komen voor steun in de zin van artikel 53, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 wanneer de in artikel 7, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000 bedoelde gegevens zijn meegedeeld op de eerste dag dat het betrokken dier naar de alpenwei is verplaatst. Gelet op de feiten zoals die in de verwijzingsbeslissing zijn beschreven, lijkt deze bepaling in casu echter niet relevant. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit te verifiëren.

    68 De uitlegging van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 die voortvloeit uit punt 65 van het onderhavige arrest, wordt bevestigd door de context van deze bepaling.

    69 Uit artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), en de overwegingen 2, 28 en 31 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 blijkt immers dat de term „niet-naleving” in deze gedelegeerde verordening met name wordt gebruikt om de situatie te beschrijven waarin niet aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan. Volgens artikel 30, lid 4, onder c), van deze gedelegeerde verordening moeten onjuiste vermeldingen die in het register, de dierpaspoorten of het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren zijn opgenomen, als niet-naleving worden beschouwd. In overweging 11 van gedelegeerde verordening 2016/1393, die op deze bepaling betrekking heeft, wordt de onjuiste vermelding van de datum uitdrukkelijk genoemd bij de voorbeelden van onjuiste vermeldingen.

    70 De uitlegging in punt 65 van het onderhavige arrest vindt ook steun in de doelstellingen van verordening nr. 1760/2000 en beschikking 2001/672.

    71 Zoals blijkt uit de overwegingen 4 tot en met 7 ervan, beoogt verordening nr. 1760/2000 namelijk het vertrouwen van de consument in de kwaliteit van rundvlees en rundvleesproducten te vergroten, de bescherming van de volksgezondheid te handhaven en de rundvleesmarkt duurzaam stabieler te maken (zie in die zin arrest van 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, EU:C:2007:296, punt 40 ).

    72 Om deze doelstellingen te bereiken is het absoluut noodzakelijk dat de identificatie- en registratieregeling voor runderen steeds volledig doeltreffend en betrouwbaar is, met name om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen bij de uitbraak van een dierziekte de herkomst van een dier snel te traceren en onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen ter vermijding van elk risico voor de volksgezondheid. Dit is evenwel niet mogelijk indien de houder van dieren de verplaatsingen van zijn runderen niet binnen de termijn van artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000 aan het geautomatiseerde gegevensbestand meldt (arrest van 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, EU:C:2007:296, punt 41 ).

    73 Verder blijkt in wezen uit overweging 74 van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 dat, met name wat de vrijwillige gekoppelde steun betreft, de voorschriften inzake identificatie en registratie van dieren die in verordening nr. 1760/2000 zijn vastgesteld ook tot doel hebben de Commissie in staat te stellen om bij de voorbereiding van de steunmaatregelen na te gaan of de lidstaten voldoen aan de vereisten inzake coherentie en niet-cumulatie van de steun, alsmede aan de maximumpercentages van de in artikel 53 van verordening nr. 1307/2013 bedoelde nationale maxima en de daarmee verband houdende totaalbedragen.

    74 De bepalingen van beschikking 2001/672 moeten het volgens overweging 3 ervan ook „mogelijk maken de verblijfplaats van elk rund op elk moment te bepalen”.

    75 Bijgevolg levert de niet-inachtneming van de meldtermijn van artikel 2, lid 4, van beschikking 2001/672, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr. 1760/2000, niet-naleving op van de identificatie en registratie waarin deze verordening voorziet, zodat de betrokken dieren in beginsel niet kunnen worden geacht onder de categorie „geconstateerd dier” in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 te vallen.

    76 In de tweede plaats moet worden nagegaan of er, wanneer te laat wordt gemeld dat er dieren zijn verplaatst, sprake is van een niet-naleving die niet relevant is voor de verificatie of is voldaan aan de voorwaarden voor de verlening van de betrokken steun in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014. Dienaangaande blijkt uit die bepaling dat wanneer het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register, de dierpaspoorten of het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren gaat die niet relevant zijn om voor de betrokken steunregeling of bijstandsmaatregel andere subsidiabiliteitsvoorwaarden dan die als bedoeld in artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 te verifiëren, het betrokken dier slechts als niet-geconstateerd wordt beschouwd indien dergelijke onjuiste vermeldingen bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de betrokken dieren na de eerste bevinding als niet-geconstateerd beschouwd.

    77 In dat verband moet er echter ten eerste op worden gewezen dat artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 blijkens de bewoordingen ervan enkel betrekking heeft op een niet-naleving die niet relevant is voor de verificatie of er is voldaan aan „andere subsidiabiliteitsvoorwaarden dan die als bedoeld in artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014”. Hieruit volgt dat een niet-naleving die erin bestaat dat niet is voldaan aan de eisen inzake identificatie en registratie van runderen die door artikel 7 van verordening nr. 1760/2000 worden gesteld en waarnaar in artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 wordt verwezen, is uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 30, lid 4, onder c), eerste volzin, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014.

    78 Ten tweede kan, zoals de advocaat-generaal in de punten 52 tot en met 56 van haar conclusie heeft uiteengezet, het verzuim om de vereiste melding – middels invoering van de betrokken gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren – tijdig te doen, niet op één lijn worden gesteld met een „onjuiste vermelding” in dat gegevensbestand in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014. Met een te late melding wordt namelijk slechts voor de toekomst een fout verholpen die, gelet op de vereiste permanente traceerbaarheid van de verblijfplaats van het betrokken dier, in feite niet meer kan worden gecorrigeerd voor het verleden.

    79 Deze uitlegging wordt bevestigd door overweging 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/1383 van de Commissie van 28 mei 2015 tot wijziging van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 wat betreft de subsidiabiliteitsvoorwaarden met betrekking tot de identificatie- en registratievoorschriften voor dieren met het oog op gekoppelde steun als bedoeld in verordening nr. 1307/2013 (PB 2015, L 214, blz. 1). Volgens die overweging volgt uit artikel 53, lid 4, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 dat „de betrokken dieren, zodra niet is voldaan aan de [met name in verordening nr. 1760/2000 vastgestelde] voorschriften inzake identificatie en registratie van dieren, definitief niet langer in aanmerking komen voor vrijwillige gekoppelde steun, ook al worden de betrokken tekortkomingen vervolgens verholpen”.

    80 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), en punt 18, onder a), en artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat een melding van de verplaatsing van runderen naar zomerweiden in bergstreken waarbij de termijn niet wordt nageleefd die door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672 juncto artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1760/2000 is gesteld, niet kan worden beschouwd als een onjuiste vermelding in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren die niet relevant is voor de verificatie of er is voldaan aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de betrokken aanvraag in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, zodat deze dieren niet kunnen worden geacht onder de categorie „geconstateerd dier” in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, onder a), van deze gedelegeerde verordening te vallen.

    Tweede vraag

    81 Met zijn tweede prejudiciële vraag, die wordt gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en er dus geen gekoppelde steun kan worden verleend voor de runderen waarvoor de meldtermijn van artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672 juncto artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1760/2000 niet is nageleefd, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, en artikel 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat de administratieve sancties van artikel 31 van deze gedelegeerde verordening ook moeten worden toegepast wanneer de begunstigde van de steun te laat heeft gemeld – middels invoering van de betrokken gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren – dat de runderen naar zomerweiden zijn verplaatst, maar hij er door de bevoegde autoriteit niet van in kennis is gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse uit te voeren of dat zij in zijn steun- of betalingsaanvraag een niet-naleving had vastgesteld.

    82 Uit artikel 31, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 blijkt dat er administratieve sancties worden opgelegd wanneer een verschil wordt vastgesteld tussen het aantal aangegeven dieren en het aantal geconstateerde dieren, dat wil zeggen wanneer er sprake is van een niet-naleving. In casu blijkt uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dat de te late melding van de verplaatsing van runderen naar zomerweiden in bergstreken een niet-naleving oplevert.

    83 Artikel 31, lid 2, derde alinea, van deze gedelegeerde verordening bepaalt dat indien het overeenkomstig artikel 31, lid 3, ervan berekende verschil tussen het aantal aangegeven dieren en het aantal geconstateerde dieren meer dan 50 % bedraagt, wat in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn, de steun of bijstand waarop de begunstigde overeenkomstig artikel 30, lid 3, recht zou hebben gehad, in het kader van de steunregeling of bijstandsmaatregel of een soort concrete actie in het kader van een dergelijke maatregel voor het betrokken aanvraagjaar, niet wordt verleend. Bovendien wordt aan de begunstigde een extra sanctie opgelegd voor een bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aantal dieren dat in de steunaanvraag is aangegeven en het overeenkomstig artikel 30, lid 3, geconstateerde aantal dieren.

    84 In een dergelijk geval verliest de houder van dieren die gekoppelde steun aanvraagt niet alleen het recht op die steun – hij krijgt bovendien een administratieve sanctie opgelegd.

    85 Krachtens artikel 15, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 zijn de administratieve sancties echter niet van toepassing op het gedeelte van de steunaanvraag of de betalingsaanvraag waarvoor de begunstigde de bevoegde autoriteit schriftelijk heeft meegedeeld dat het onjuist is of onjuist is geworden sinds de indiening ervan, tenzij hij er door die autoriteit van in kennis is gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse te verrichten of dat zij in zijn steun- of betalingsaanvraag een niet-naleving had vastgesteld.

    86 Anders dan artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, sluit dat artikel 15, lid 1, bepaalde gevallen van niet-naleving niet uit van de werkingssfeer ervan.

    87 Verder bepaalt artikel 34 van deze gedelegeerde verordening dat ten aanzien van aangegeven dieren artikel 15 ervan geldt voor fouten en omissies in de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens vanaf het tijdstip waarop de steunaanvraag of betalingsaanvraag wordt ingediend.

    88 Uit de feiten die in de verwijzingsbeslissing zijn uiteengezet lijkt naar voren te komen dat de twaalf runderen waarvan de verplaatsing naar de zomerweiden in bergstreken te laat is gemeld, reeds waren geïdentificeerd in de aanvraag voor gekoppelde steun, en dus „aangegeven dieren” waren in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 16, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014.

    89 Bovendien blijkt uit de informatie in de verwijzingsbeslissing dat de verplaatsing van de betrokken runderen naar zomerweiden in bergstreken is gemeld middels invoering van die gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren.

    90 Hieruit volgt dat er, zoals de advocaat-generaal in punt 74 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, op grond van artikel 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, gelezen in samenhang met artikel 15 van die gedelegeerde verordening, geen administratieve sanctie kan worden opgelegd op de enkele grond dat de vereiste melding te laat is gedaan, op voorwaarde evenwel dat, zoals laatstgenoemde bepaling vereist, de begunstigde er niet door de bevoegde autoriteit van in kennis was gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse uit te voeren of dat zij een niet-naleving had vastgesteld.

    91 Met deze uitlegging kunnen bovendien de door verordening nr. 1760/2000 nagestreefde doelstellingen worden bereikt, die, zoals in punt 72 van het onderhavige arrest is opgemerkt, afhangen van de daadwerkelijke traceerbaarheid van de betrokken dieren. Indien voor een te late melding een administratieve sanctie van hetzelfde bedrag zou worden opgelegd als wanneer de melding helemaal niet was gedaan, zou dat namelijk elke stimulans kunnen wegnemen om een dergelijke te late melding alsnog te verrichten.

    92 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, en artikel 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 aldus moeten worden uitgelegd dat de administratieve sancties van artikel 31 van deze gedelegeerde verordening niet kunnen worden toegepast wanneer de begunstigde van de steun te laat heeft gemeld – middels invoering van de betrokken gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren – dat de runderen naar zomerweiden zijn verplaatst, maar hij er door de bevoegde autoriteit niet van in kennis is gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse uit te voeren of dat zij in zijn steun- of betalingsaanvraag een niet-naleving had vastgesteld.

    Kosten

    93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
    1. Artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), en punt 18, onder a), en artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2017/723 van de Commissie van 16 februari 2017,

      moeten aldus worden uitgelegd dat

      een melding van de verplaatsing van runderen naar zomerweiden in bergstreken waarbij de termijn niet wordt nageleefd die door de betrokken lidstaat is gesteld overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 4, van beschikking 2001/672/EG van de Commissie van 20 augustus 2001 houdende vaststelling van bijzondere voorschriften voor het verplaatsen van runderen naar zomerweiden in bergstreken, zoals gewijzigd bij besluit 2010/300/EU van de Commissie van 25 mei 2010, juncto artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 653/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014, niet kan worden beschouwd als een onjuiste vermelding in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren die niet relevant is voor de verificatie of is voldaan aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de betrokken aanvraag in de zin van artikel 30, lid 4, onder c), van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, zodat deze dieren niet kunnen worden geacht onder de categorie „geconstateerd dier” in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 18, onder a), van deze gedelegeerde verordening te vallen.

    2. Artikel 15, lid 1, en artikel 34 van gedelegeerde verordening nr. 640/2014, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening 2017/723,

      moeten aldus worden uitgelegd dat

      de administratieve sancties van artikel 31 van deze gedelegeerde verordening niet kunnen worden toegepast wanneer de begunstigde van de steun te laat heeft gemeld – middels invoering van de betrokken gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren – dat de runderen naar zomerweiden zijn verplaatst, maar hij er door de bevoegde autoriteit niet van in kennis is gesteld dat zij voornemens was een controle ter plaatse uit te voeren of dat zij in zijn steun- of betalingsaanvraag een niet-naleving had vastgesteld.

    ondertekeningen