Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 april 2025

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 april 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 april 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vierde kamer)

30 april 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Bevoegdheid in verzekeringszaken - Artikel 11, lid 1, onder b) - Artikel 13, lid 2 - Rechtstreekse vordering van de getroffene tegen de verzekeraar - Begrip getroffene - Ambtenaar die het slachtoffer is geworden van een verkeersongeval - Loon doorbetaald voor de duur van zijn arbeidsongeschiktheid - Lidstaat die optreedt als werkgever die is gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van de ambtenaar - Bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de eiser - Plaats van de zetel van het overheidsorgaan dat de betrokken ambtenaar in dienst heeft”"

In zaak C‑536/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht München I (rechter in tweede aanleg München I, Duitsland) bij beslissing van 18 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 22 augustus 2023, in de procedure

Bundesrepublik Deutschland

tegen

Mutua Madrileña Automovilista,

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen (rapporteur), A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • de Bundesrepublik Deutschland, vertegenwoordigd door C. Strasser, Rechtsanwalt,

    • Mutua Madrileña Automovilista, vertegenwoordigd door O. Riedmeyer, Rechtsanwalt,

    • de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en S. Van den Bogaert als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 januari 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 11, lid 1, onder b), daarvan.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) en Mutua Madrileña Automovilista, een Spaanse verzekeringsmaatschappij, over een door deze lidstaat ingediende aanvraag tot vergoeding van het loon dat hij aan een van zijn ambtenaren heeft betaald voor de duur van diens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ongeval met een bij deze maatschappij verzekerd voertuig.

Toepasselijke bepalingen

3 De overwegingen 15, 16, 18 en 34 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:

  • „(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

  • (16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. […]

  • […]

  • (18) In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

  • […]

  • (34) De continuïteit tussen het Verdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Verdrag van Brussel”)], verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het Verdrag van Brussel […] en de verordeningen ter vervanging daarvan.”

  • 4 Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt:

    „Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).”

    5 Hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 heeft betrekking op „bevoegdheid” en bevat een afdeling 1, met als opschrift „Algemene bepalingen”, waarin de artikelen 4 tot en met 6 zijn opgenomen.

    6 Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt:

    „Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

    7 Artikel 5, lid 1, van dezelfde verordening luidt:

    „Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”

    8 Afdeling 3 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift „Bevoegdheid in verzekeringszaken”, bevat de artikelen 10 tot en met 16.

    9 Artikel 10 van deze verordening luidt als volgt:

    „De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5.”

    10 Artikel 11, lid 1, van die verordening bepaalt:

    „De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, kan worden opgeroepen:

    1. voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft;

    2. in een andere lidstaat, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft, voor het gerecht van de woonplaats van de eiser, of

    […]”

    11 Artikel 13, lid 2, van voornoemde verordening luidt:

    „De artikelen 10, 11 en 12 zijn van toepassing op de vordering die door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is.”

    12 Artikel 63, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 luidt als volgt:

    „Voor de toepassing van deze verordening hebben vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van:

    1. hun statutaire zetel,

    2. hun hoofdbestuur, of

    3. hun hoofdvestiging.”

    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

    13 Op 8 maart 2020 raakte een in München (Duitsland) woonachtige federale ambtenaar, die werkzaam is in de vestiging München van het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi‑ en merkenbureau), gewond bij een verkeersongeval in Spanje. Een voertuig dat bij dit ongeval betrokken was, was bij de Spaanse maatschappij Mutua Madrileña Automovilista verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid.

    14 Gedurende de periode waarin deze ambtenaar wegens haar verwondingen arbeidsongeschikt was, bleef haar werkgever, de Bondsrepubliek Duitsland, haar loon doorbetalen. Bij brief van 25 januari 2021 heeft de Bondsrepubliek Duitsland de door Mutua Madrileña Automovilista in Duitsland aangewezen schaderegelaar verzocht om terugbetaling van het aldus betaalde bedrag, die deze vergoeding weigerde op grond dat de betrokken ambtenaar het ongeval had veroorzaakt.

    15 De Bondsrepubliek Duitsland heeft – in haar hoedanigheid van werkgever – bij het Amtsgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland) een civiele vordering ingesteld tot veroordeling van Mutua Madrileña Automovilista tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de betaling van het aan de betrokken ambtenaar gewaarborgde loon. Aangezien deze maatschappij in Spanje is gevestigd, heeft zij aangevoerd dat de aangezochte rechter niet internationaal bevoegd is. Ook betwist zij de gegrondheid van het beroep.

    16 Bij vonnis van 16 februari 2022 heeft de aangezochte rechter zich internationaal onbevoegd verklaard op grond dat de Bondsrepubliek Duitsland zich niet kon beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregels voor verzekeringszaken in artikel 11, lid 1, onder b), en artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012. Na een beoordeling van de behoefte aan bescherming per categorie rechtssubject, was die rechter namelijk van oordeel dat een overheidswerkgever, vooral wanneer deze ook de rol van socialezekerheidsorgaan vervult, zich niet kan beroepen op die regels, die – aangezien zij een uitzondering vormen – strikt moeten worden uitgelegd.

    17 De Bondsrepubliek Duitsland heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Landgericht München I (rechter in tweede aanleg München I, Duitsland), die zich afvraagt of het in eerste aanleg aangezochte gerecht zich in het licht van de bepalingen van verordening nr. 1215/2012 terecht onbevoegd heeft verklaard.

    18 In dit verband betoogt de Bondsrepubliek Duitsland dat zij door rechtsovergang, voortvloeiende uit de doorbetaling van het loon van de gewonde ambtenaar van wie zij gedurende haar arbeidsongeschiktheid de werkgever is, de rechten op schadevergoeding heeft verworven die deze ambtenaar zou hebben jegens de verzekeraar van het voertuig dat betrokken was bij het ongeval waarvan zij het slachtoffer is geworden. In die hoedanigheid kan zij, net als de betrokken werknemer, zich beroepen op de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de getroffene zijn woonplaats heeft. Uit de rechtspraak van het Hof op dit gebied volgt dat een criterium in verband met de zwakke positie van de eiser niet per geval hoeft te worden beoordeeld en toegepast. Integendeel, om de voorspelbaarheid van de bevoegdheid te waarborgen, moet elke cessionaris die optreedt uit hoofde van een dergelijke wettelijke subrogatie, en niet als socialezekerheidsorgaan of verzekeraar, de mogelijkheid hebben om zich als getroffene tot die gerechten te wenden.

    19 Mutua Madrileña Automovilista stelt daarentegen dat uit de beschermingsdoelstelling van artikel 11, lid 1, onder b), en artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 volgt dat alleen een eiser met een zwakke positie ten opzichte van de verzekeraar die voor het gerecht wordt gedaagd, zich kan beroepen op deze bepalingen om zich te onttrekken aan het beginsel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Het Hof heeft deze mogelijkheid aldus reeds ontzegd aan een socialezekerheidsorgaan alsook aan beroepsbeoefenaren in de verzekeringssector. Hetzelfde moet gelden wanneer de eiser een staat is, temeer wanneer deze staat uitkeringen verstrekt die naar hun aard neerkomen op socialezekerheidsuitkeringen, hetgeen het geval is voor de Bondsrepubliek Duitsland.

    20 Volgens de verwijzende rechter wordt door partijen in het hoofdgeding niet betwist dat de Bondsrepubliek Duitsland, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Spaans recht, een rechtstreekse vordering wenst in te stellen tegen Mutua Madrileña Automovilista als verzekeraar van het voertuig dat betrokken was bij het ongeval waarbij de betrokken ambtenaar gewond is geraakt. Ook staat vast dat deze lidstaat zich tot de rechter heeft gewend uit hoofde van een wettelijke rechtsovergang die voortvloeit uit bepalingen van Duits recht op grond waarvan, wanneer een ambtenaar letsel oploopt, de werkgever die hem zijn loon heeft betaald gedurende zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van dit letsel, wordt gesubrogeerd in het recht op schadevergoeding dat de wet aan deze ambtenaar toekent jegens een derde.

    21 In het licht van de rechtspraak van het Hof en de Duitse rechtspraak vraagt de verwijzende rechter zich af of een lidstaat die als werkgever een rechtstreekse vordering instelt tegen een verzekeraar op grond van een wettelijke subrogatie in de rechten op schadevergoeding van een ambtenaar die gewond is geraakt bij een ongeval, zich kan beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregels in verzekeringszaken die ten gunste van de „getroffene” zijn opgenomen in artikel 11, lid 1, onder b), en artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, gelezen in het licht van de overwegingen 15 en 18 van deze verordening. Deze rechter benadrukt het afwijkende karakter van deze bijzondere bevoegdheidsregels en het feit dat een dergelijke eiser een subject van internationaal publiekrecht is.

    22 Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht München I de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

    „Moet artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat ook een lidstaat van de Europese Unie zelf, als werkgever die het loon van zijn door een verkeersongeval (tijdelijk) arbeidsongeschikte ambtenaar heeft doorbetaald en die in de rechten is getreden die deze ambtenaar heeft jegens de in een andere lidstaat gevestigde maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, tegen deze verzekeringsmaatschappij een vordering als ‚getroffene’ in de zin van [eerstgenoemde] bepaling kan instellen bij het gerecht van de woonplaats van de arbeidsongeschikte ambtenaar, indien een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is?”

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die als werkgever het loon van een ambtenaar die bij een verkeersongeval gewond is geraakt, gedurende diens arbeidsongeschiktheid heeft doorbetaald en in diens rechten is gesubrogeerd, als „getroffene” in de zin van dat artikel 13, lid 2, de maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, kan oproepen voor het gerecht van de woonplaats van die ambtenaar, indien een rechtstreekse vordering mogelijk is.

    24 Vooraf moet worden benadrukt dat de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de bepalingen van het Verdrag van Brussel en verordening nr. 44/2001 ook geldt voor die van verordening nr. 1215/2012 voor zover zij als „gelijkwaardig” kunnen worden beschouwd, zoals ook blijkt uit overweging 34 van laatstgenoemde verordening. In casu is dit het geval voor, ten eerste, artikel 8, eerste alinea, punt 2, van het Verdrag van Brussel, artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 44/2001 en artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012, en ten tweede, artikel 10, lid 2, van het Verdrag van Brussel, artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 en artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arresten van 31 januari 2018, Hofsoe, C‑106/17, EU:C:2018:50, punt 36 , en  30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 20‑24 en 30).

    25 Wat de gestelde vraag betreft, dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, gelezen in het licht van de overwegingen 15 en 16 daarvan, een algemene bevoegdheidsregel bevat op grond waarvan personen die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat kunnen worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat, behalve in enkele in die verordening bepaalde gevallen.

    26 Zo bepaalt artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 dat degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, in afwijking van deze algemene regel, krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van deze verordening opgenomen regels kunnen worden opgeroepen voor de gerechten van een andere lidstaat. Meer in het bijzonder bevat afdeling 3 van dit hoofdstuk II bijzondere bevoegdheidsregels voor verzekeringszaken, die zijn opgenomen in de artikelen 10 tot en met 16 van deze verordening en een autonoom stelsel vormen voor de verdeling van de gerechtelijke bevoegdheid in dergelijke zaken (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    27 Uit overweging 18 van verordening nr. 1215/2012 blijkt dat een vordering in verzekeringszaken wordt gekenmerkt door een zeker gebrek aan evenwicht tussen de partijen, welk evenwicht de bepalingen van afdeling 3 van hoofdstuk II van die verordening beogen te herstellen met bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor de zwakkere partij dan de algemene regels. Zo hebben deze bepalingen tot doel om te waarborgen dat die partij de sterkere partij kan dagvaarden voor een gerecht van een lidstaat waartoe zij gemakkelijk toegang heeft [zie in die zin arrest van 27 april 2023, A1 en A2 (Verzekering voor een pleziervaartuig), C‑352/21, EU:C:2023:344, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

    28 In het bijzonder bepaalt artikel 11, lid 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 dat een verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 11, lid 1, onder b), van deze verordening voegt hieraan toe dat een dergelijke verzekeraar ook in een andere lidstaat kan worden opgeroepen, meer bepaald voor het gerecht van de woonplaats van de eiser, indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft. Krachtens artikel 13, lid 2, van die verordening is artikel 11 daarvan van toepassing op een vordering die door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien een dergelijke vordering mogelijk is.

    29 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de bevoegdheidsregels die afwijken van de algemene regel dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, strikt moeten worden uitgelegd, op een wijze die niet verder gaat dan de uitdrukkelijk in verordening nr. 1215/2012 vermelde gevallen, met name wat de bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de eiser betreft, waarin artikel 11, lid 1, onder b), daarvan voorziet (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    30 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat het doel van bescherming dat wordt nagestreefd met de bijzondere bevoegdheidsregels van afdeling 3 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, en voorheen door die van afdeling 3 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met zich meebrengt dat de toepassing van deze regels niet mag worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben [zie in die zin arresten van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punten 40 en 41 , en  21 oktober 2021, T.B. en D. (Bevoegdheid in verzekeringszaken), C‑393/20, EU:C:2021:871, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

    31 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat zowel artikel 11, lid 2, juncto artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 44/2001 als artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012, aldus moet worden uitgelegd dat de bijzondere bevoegdheidsregels in verzekeringszaken ten goede komen aan personen die schade hebben geleden, zonder dat de kring van deze personen is beperkt tot degenen die rechtstreeks schade hebben geleden (zie in die zin, met betrekking tot de eerste verordening, arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C‑340/16, EU:C:2017:576, punt 33 , en, met betrekking tot de tweede verordening, arrest van 31 januari 2018, Hofsoe, C‑106/17, EU:C:2018:50, punt 37 ).

    32 Aldus kunnen bepaalde categorieën personen die zijn gesubrogeerd in de rechten van de rechtstreeks getroffene, zich ook beroepen op de bevoegdheidsregels van artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 om een verzekeraar te dagen voor een ander gerecht dan dat van de woonplaats van die verzekeraar, wanneer deze gesubrogeerde personen kunnen worden aangemerkt als „getroffenen” in de zin van dat artikel 13, lid 2.

    33 Het Hof heeft evenwel verduidelijkt dat niet per geval hoeft te worden beoordeeld of degene die de vordering tegen de betrokken verzekeraar heeft ingesteld kan worden beschouwd als een „zwakkere partij”, om onder het begrip „getroffene” in de zin van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 te kunnen vallen. Zoals het Hof reeds heeft benadrukt, zou een dergelijke beoordeling een risico van rechtsonzekerheid doen ontstaan en in strijd zijn met de in overweging 15 van verordening nr. 1215/2012 geformuleerde doelstelling dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar zijn [zie in die zin arresten van 20 juli 2017, MMA IARD, C‑340/16, EU:C:2017:576, punt 34 , en  21 oktober 2021, T.B. en D. (Bevoegdheid in verzekeringszaken), C‑393/20, EU:C:2021:871, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

    34 Binnen het aldus geschetste kader heeft het Hof – na vast te stellen dat er geen bijzondere bescherming nodig is wanneer het gaat om betrekkingen tussen beroepsbeoefenaren in de verzekeringssector, die geen van allen kunnen worden geacht in een zwakkere positie te verkeren dan de andere – de toepassing van artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 uitgesloten in gevallen waarin de in de rechten van de rechtstreeks getroffene gesubrogeerde persoon een dergelijke beroepsbeoefenaar is (zie in die zin arresten van 31 januari 2018, Hofsoe, C‑106/17, EU:C:2018:50, punten 41‑43 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  20 mei 2021, CNP, C‑913/19, EU:C:2021:399, punten 40‑43 ).

    35 Zo ook heeft het Hof de toepassing van artikel 11, lid 2, juncto artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 44/2001 – dat overeenkomt met de hierboven aangehaalde bepalingen van verordening nr. 1215/2012 – uitgesloten in gevallen waarin de persoon die gesubrogeerd is in de rechten van de rechtstreeks getroffene een socialezekerheidsorgaan is dat optreedt met het oog op terugbetaling van de uitkeringen die zijn verleend aan zijn verzekerde die gewond is geraakt bij een verkeersongeval (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse, C‑347/08, EU:C:2009:561, punten 33, 42, 43 en 47).

    36 Aan de andere kant heeft het Hof met betrekking tot die bepalingen van verordening nr. 44/2001 ook geoordeeld dat een werkgever die in de rechten van zijn werknemer is gesubrogeerd omdat hij het loon van deze werknemer heeft doorbetaald gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid en die, puur in die hoedanigheid, een vordering instelt uit hoofde van de door die werknemer geleden schade, kan worden geacht zwakker te zijn dan de verzekeraar die hij voor de rechter daagt (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C‑340/16, EU:C:2017:576, punt 36 ).

    37 Het Hof heeft dientengevolge overwogen dat, krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001, werkgevers die zijn gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van hun werknemers, zich – als personen die schade hebben geleden en ongeacht hun omvang of rechtsvorm – kunnen beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregels van de artikelen 8 tot en met 10 van die verordening (arrest van 20 juli 2017, MMA IARD, C‑340/16, EU:C:2017:576, punt 35 ).

    38 In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of uit deze rechtspraak volgt dat een lidstaat die optreedt als werkgever die is gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van een ambtenaar die rechtstreeks getroffen is in die zin dat hij gewond is geraakt bij een ongeval waarbij een verzekerd voertuig betrokken was, zelf als „getroffene” in de zin van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 moet worden aangemerkt omdat hij het loon van deze ambtenaar heeft doorbetaald gedurende diens arbeidsongeschiktheid, zodat een dergelijke lidstaat op grond van artikel 11, lid 1, onder b), van deze verordening de mogelijkheid zou hebben om de betrokken verzekeraar te dagen voor het gerecht van de woonplaats van de eiser, indien een dergelijke rechtstreekse vordering mogelijk is.

    39 Zoals de advocaat‑generaal heeft opgemerkt in de punten 50 tot en met 55 van zijn conclusie, is de situatie die het Hof heeft onderzocht in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 juli 2017, MMA IARD (C‑340/16, EU:C:2017:576 ), vergelijkbaar met die in het hoofdgeding. Dit arrest is namelijk gewezen in de context van een vordering die werd ingesteld door een publiekrechtelijke entiteit die als werkgever optrad, net als de lidstaat die de vordering in het hoofdgeding heeft ingesteld. Bovendien was deze entiteit gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van een van haar werknemers, in vergelijkbare feitelijke omstandigheden als die van het hoofdgeding, aangezien het eveneens ging om een vordering tot schadevergoeding op basis van het loon dat was doorbetaald aan een bij een verkeersongeval gewond geraakte werknemer, in casu een ambtenaar. De overwegingen van het Hof in dat arrest kunnen dus worden toegepast op de onderhavige zaak.

    40 Deze analoge toepassing is des te meer geboden daar een lidstaat die met het oog op schadevergoeding niet handelt als subject van internationaal publiekrecht, maar puur in de hoedanigheid van werkgever die is gesubrogeerd in de rechten van een van zijn werknemers, onderworpen is aan dezelfde materiële en procedurele regels als een privaatrechtelijk rechtssubject.

    41 Gelet op de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 zoals omschreven in artikel 1, lid 1, ervan, kan een lidstaat zich alleen op de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels beroepen indien het geschil betrekking heeft op „burgerlijke en handelszaken” in de zin van die bepaling, met uitsluiting van met name de uitoefening van overheidsbevoegdheden en dus de uitoefening van bevoegdheden die buiten het bestek van de regels van gemeen recht vallen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Mahá, C‑494/23, EU:C:2024:848, punten 30‑32 ).

    42 Derhalve dient artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 aldus te worden uitgelegd dat een werkgever die het loon heeft doorbetaald van een als gevolg van een verkeersongeval afwezige werknemer en die is gesubrogeerd in de rechten van deze werknemer jegens de verzekeraar van het bij dat ongeval betrokken voertuig, moet worden beschouwd als een „getroffene” in de zin van dat artikel 13, lid 2, ook wanneer, zoals in het hoofdgeding, de eiser een als werkgever optredende lidstaat is.

    43 In dit verband is de door verweerster in het hoofdgeding aangevoerde omstandigheid dat een dergelijke lidstaat tevens de functies van een socialezekerheidsorgaan uitoefent, irrelevant, aangezien de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging uitdrukkelijk alleen betrekking heeft op het geval waarin de betrokken lidstaat zijn schadevordering enkel instelt in zijn hoedanigheid van werkgever die is gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding van zijn werknemer, en niet in de hoedanigheid van socialezekerheidsorgaan.

    44 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat, gelet op de bewoordingen van de gestelde vraag, de verwijzende rechter van oordeel lijkt te zijn dat krachtens artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012, ingeval de eiser die een verzekeraar voor de rechter heeft gedaagd een lidstaat is die optreedt als werkgever die is gesubrogeerd in de rechten van zijn rechtstreeks getroffen werknemer, het gerecht van de woonplaats van deze werknemer territoriaal bevoegd is.

    45 Deze opvatting kan echter niet worden aanvaard. Ten eerste moet in herinnering worden gebracht dat artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012, door „het gerecht van de woonplaats van de eiser” aan te duiden, rechtstreeks een specifiek gerecht in een lidstaat aanwijst, zonder te verwijzen naar de in die lidstaat geldende regels voor de verdeling van de territoriale bevoegdheid, zodat, wanneer deze bepaling van toepassing is, zij zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid van het aldus aangewezen gerecht bepaalt (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punten 38 en 57 ).

    46 Ten tweede volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een in de rechten van een werknemer gesubrogeerde werkgever, door het loon van deze werknemer te hebben doorbetaald, zelf schade heeft geleden en dus zelf een „getroffene” in de zin van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 is, zodat een dergelijke werkgever gebruik kan maken van de door artikel 11, lid 1, onder b), van die verordening geboden mogelijkheid om zijn vordering tegen een verzekeraar in te stellen bij het gerecht van zijn woonplaats (zie in die zin arresten van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen, C‑463/06, EU:C:2007:792, punt 31 , en  20 juli 2017, MMA IARD, C‑340/16, EU:C:2017:576, punten 35‑37 en 39).

    47 Bovendien, aangezien deze gesubrogeerde werkgever de enige is die zich kan beroepen op de uit de subrogatie voortvloeiende rechten op schadevergoeding, is het niet nodig om van hem te verlangen dat hij zich wendt tot het gerecht van de woonplaats van zijn werknemer teneinde te vermijden dat meerdere rechters bevoegd zijn. Overeenkomstig de vaststelling in punt 42 van het onderhavige arrest gelden deze overwegingen ook wanneer, zoals in casu, die gesubrogeerde werkgever een lidstaat is.

    48 Wat ten derde specifiek de vaststelling van de woonplaats van een dergelijke gesubrogeerde werkgever betreft wanneer het om een lidstaat gaat, zij opgemerkt dat uit artikel 63, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 volgt dat rechtspersonen voor de toepassing van deze verordening woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. In een dergelijke situatie moet de woonplaats van een dergelijke lidstaat als werkgever worden bepaald op de plaats van de zetel van het bestuursorgaan dat de betrokken ambtenaar in dienst heeft en dat in de praktijk de schade heeft geleden die voortvloeit uit de afwezigheid van deze ambtenaar gedurende zijn arbeidsongeschiktheid. Aangezien deze uitlegging een nauwe band tussen het bevoegde gerecht en het geschil waarborgt, is zij in overeenstemming met de uit de overwegingen 15 en 16 van voornoemde verordening voortvloeiende doelstellingen inzake de voorspelbaarheid van bevoegdheidsregels, een goede rechtsbedeling en rechtszekerheid.

    49 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat die als werkgever het loon van een ambtenaar die bij een verkeersongeval gewond is geraakt, gedurende diens arbeidsongeschiktheid heeft doorbetaald en in diens rechten is gesubrogeerd, als „getroffene” in de zin van dat artikel 13, lid 2, de maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, niet kan oproepen voor het gerecht van de woonplaats van die ambtenaar, maar wel voor het gerecht van de zetel van het bestuursorgaan dat die ambtenaar in dienst heeft, indien een rechtstreekse vordering mogelijk is.

    Kosten

    50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 13, lid 2, juncto artikel 11, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

    moet aldus worden uitgelegd dat

    een lidstaat die als werkgever het loon van een ambtenaar die bij een verkeersongeval gewond is geraakt, gedurende diens arbeidsongeschiktheid heeft doorbetaald en in diens rechten is gesubrogeerd, als „getroffene” in de zin van dat artikel 13, lid 2, de maatschappij die de wettelijke aansprakelijkheid voor het bij dat ongeval betrokken voertuig dekt, niet kan oproepen voor het gerecht van de woonplaats van die ambtenaar, maar wel voor het gerecht van de zetel van het bestuursorgaan dat die ambtenaar in dienst heeft, indien een rechtstreekse vordering mogelijk is.

    ondertekeningen