Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 21 november 2024
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 21 november 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 21 november 2024
Uitspraak
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
21 november 2024 (*)
Inhoud
„ Hogere voorziening – Ambtenarenrecht – Arbeidscontractanten – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Beëindiging van de overeenkomst – Artikel 47, onder c), i), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie – Onvoldoende geschiktheid voor het ambt – Gedrag in de dienst en houding op het werk die niet in het belang van de dienst zijn – Motiveringsplicht – Recht om te worden gehoord – Recht op ouderschapsverlof – Artikel 42 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ”
In zaak C‑546/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 augustus 2023,
UG, vertegenwoordigd door M. Richard, advocaat,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Melo Sampaio en A. Sauka als gemachtigden, vervolgens door A. Sauka als gemachtigde,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, M. L. Arastey Sahún (rapporteur), president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt UG om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 juni 2023, UG/Commissie (T‑571/17 RENV, EU:T:2023:351; hierna: „bestreden arrest”). Bij dat arrest heeft het Gerecht haar beroep verworpen, dat strekte tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 17 oktober 2016 waarbij de Europese Commissie haar overeenkomst van arbeidscontractant heeft beëindigd (hierna: „litigieus besluit”) en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door dat besluit zou hebben geleden.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Statuut
2 Artikel 42 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de op de onderhavige feiten toepasselijke versie (hierna: „Statuut”), luidt:
„Iedere ambtenaar heeft, voor elk van zijn kinderen, recht op onbezoldigd ouderschapsverlof van ten hoogste zes maanden, dat moet worden opgenomen binnen een periode van twaalf jaar na de geboorte of de adoptie van het kind. […]”
3 Artikel 47 van het Statuut bepaalt:
„De dienst eindigt door:
[…]
d) ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt,
[…]”
4 Artikel 51 van het Statuut luidt:
„1. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt procedures vast die het mogelijk moeten maken gevallen van onvoldoende geschiktheid voor het ambt te onderkennen, te behandelen en tijdig op passende wijze te verhelpen.
Bij de vaststelling van interne bepalingen neemt het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling de volgende vereisten in acht:
a) een ambtenaar die, op basis van drie opeenvolgende onbevredigende jaarlijkse rapporten als bedoeld in artikel 43, geen blijk geeft van vooruitgang in zijn geschiktheid voor het ambt, wordt met één rang teruggezet. Indien uit de daaropvolgende twee jaarlijkse rapporten nog steeds een onbevredigend prestatieniveau blijkt, wordt de ambtenaar ontslagen;
b) elk voorstel tot terugzetting in rang of ontslag moet met redenen zijn omkleed en moet ter kennis van de betrokken ambtenaar worden gebracht. Het voorstel van het tot aanstelling bevoegde gezag wordt voorgelegd aan de in artikel 9, lid 6, bedoelde paritaire raadgevende commissie.
2. De ambtenaar heeft het recht zijn volledige persoonsdossier in te zien en kopieën te maken van alle documenten die de procedure betreffen. Hij heeft ten minste 15, en ten hoogste 30 dagen, na ontvangst van het voorstel om zijn verdediging voor te bereiden. Hij kan zich daarbij laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De ambtenaar kan zijn opmerkingen schriftelijk kenbaar maken. Hij wordt gehoord door de paritaire raadgevende commissie. De ambtenaar kan ook getuigen oproepen.
[…]”
5 Artikel 60 van het Statuut luidt:
„Behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen, wordt iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging.
[…]”
6 Artikel 1, zesde alinea, van bijlage II bij het Statuut luidt als volgt:
„De functies der leden van het Personeelscomité en van de ambtenaren die in opdracht van het Comité zitting hebben in statutaire of door de instelling ingestelde organen, worden beschouwd als een onderdeel van de taken die zij in hun instelling moeten verrichten. De betrokkene mag door de uitoefening van zijn functie geen enkel nadeel ondervinden.”
7 Artikel 9, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut bepaalt:
„Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de volgende tuchtmaatregelen opleggen:
[…]
h) tuchtrechtelijk ontslag, al dan niet met verlaging pro tempore van het pensioen of, voor een bepaalde periode, met een inhouding op de invaliditeitsuitkering; deze maatregel mag geen gevolgen hebben voor de rechtverkrijgenden van de ambtenaar. Bij een dergelijke verlaging mag het inkomen van de voormalige ambtenaar echter niet lager zijn dan het in artikel 6 van bijlage VIII van dit Statuut bedoelde minimum voor levensonderhoud, in voorkomend geval verhoogd met de gezinstoelagen.”
B. RAP
8 Artikel 47 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in de versie die van toepassing is op de onderhavige feiten (hierna: „RAP”), bepaalt:
„Afgezien van overlijden eindigt de dienst van tijdelijke functionarissen:
[…]
c) bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd:
i) na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn; deze moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden. De opzeggingstermijn mag evenwel niet ingaan tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt. Voorts wordt de opzeggingstermijn tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof binnen bovengenoemde grens geschorst; of
[…]”
C. Raamovereenkomst
9 Clausule 5, punt 4, van de herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 18 juni 2009 en opgenomen in de bijlage bij richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (PB 2010, L 68, blz. 13) (hierna: „raamovereenkomst”), bepaalde:
„Teneinde te waarborgen dat de werknemers van hun recht op ouderschapsverlof kunnen gebruikmaken, nemen de lidstaten en/of de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, de collectieve overeenkomsten en/of de gebruiken de nodige maatregelen om de werknemers tegen minder gunstige behandeling of ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen.”
D. Richtlijn 2002/14
10 Artikel 7 van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB 2002, L 80, blz. 29) bepaalt:
„De lidstaten zien erop toe dat de werknemersvertegenwoordigers bij de uitoefening van hun functie voldoende bescherming en waarborgen genieten om de taken die hun zijn toevertrouwd naar behoren te kunnen vervullen.”
II. Feiten
11 De voorgeschiedenis van het geding is gedeeltelijk uiteengezet in de punten 2 tot en met 19 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kan zij worden samengevat als volgt.
12 Op 20 maart 2007 is UG overeenkomstig artikel 3 bis, onder a), RAP door het Bureau voor infrastructuur en logistiek in Luxemburg (OIL) van de Commissie aangeworven als arbeidscontractant om tijdelijk, van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2009, werkzaamheden als pedagogisch medewerkster te verrichten in het Centre polyvalent de l’enfance (hierna: „CPE”).
13 Op 25 februari 2009 is de overeenkomst van UG verlengd tot en met 31 maart 2010.
14 Op 5 februari 2010 is deze overeenkomst met ingang van 1 april 2010 verlengd voor onbepaalde tijd.
15 Van 16 november 2011 tot 1 april 2014 is UG voor 50 % van haar arbeidstijd vrijgesteld van haar functie als pedagogisch medewerkster, omdat zij in die periode een deeltijds mandaat bij een vakbondsorganisatie uitoefende.
16 Op 13 mei 2014 is UG verkozen tot lid van het plaatselijke personeelscomité in Luxemburg (Luxemburg) en benoemd tot lid van het centrale personeelscomité, dat zetelt in Brussel (België) (hierna samen: „personeelscomités”).
17 Op 8 april 2016 stelde het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) het beoordelingsrapport van UG voor 2015 op (hierna: „beoordelingsrapport voor 2015”), waarin haar algemene prestatieniveau voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2015 als niet-bevredigend is beoordeeld.
18 Op 15 juli 2016 is UG, op haar verzoek, met ouderschapsverlof gegaan tot en met 14 november 2016.
19 Bij brief van 8 september 2016 (hierna: „brief van 8 september 2016”) heeft het TAOBG UG in kennis gesteld van zijn voornemen om haar overeenkomst op grond van artikel 47 RAP te beëindigen omdat haar prestatieniveau en gedrag in de dienst sinds 2013 ontoereikend waren.
20 Bij brief van 30 september 2016 heeft UG de door het TAOBG in de brief van 8 september 2016 aangevoerde redenen betwist.
21 Op 17 oktober 2016 heeft het TAOBG het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij de overeenkomst van UG per 31 juli 2017 werd beëindigd op grond van artikel 47, onder c), RAP, met inachtneming van een opzegtermijn van negen maanden, die inging op 1 november 2016.
22 Op 29 november 2016 heeft het TAOBG uiteindelijk het begin van de opzegtermijn vastgesteld op 21 november 2016 en de beëindiging van de overeenkomst op 20 augustus 2017.
23 Op verzoek van UG van 16 december 2016 is haar ouderschapsverlof verlengd tot 20 augustus 2017.
24 Op 17 januari 2017 heeft UG krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het litigieuze besluit.
25 Op 18 mei 2017 heeft het TAOBG deze klacht afgewezen.
26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 augustus 2017, heeft UG een beroep ingesteld dat met name strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door dat besluit stelt te hebben geleden.
27 Bij arrest van 2 april 2020, UG/Commissie (T‑571/17, EU:T:2020:141; hierna: „oorspronkelijk arrest”), heeft het Gerecht ten eerste, het litigieuze besluit nietig verklaard; ten tweede, partijen verzocht om binnen een termijn van drie maanden mededeling te doen van hetzij het in onderlinge overeenstemming vastgestelde bedrag van de financiële vergoeding wegens de onrechtmatigheid van dat besluit, hetzij, bij gebreke van overeenstemming, hun gekwantificeerde conclusies over dit bedrag; ten derde, de overige vorderingen afgewezen, en ten vierde, de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
28 Bij beschikking van 13 november 2020, UG/Commissie (T‑571/17, EU:T:2020:553), heeft het Gerecht ten eerste vastgesteld dat geen uitspraak meer hoefde te worden gedaan over de financiële vergoeding ten gevolge van het litigieuze besluit, en heeft het ten tweede de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van UG en UG verwezen in de andere helft van haar eigen kosten.
29 Bij arrest van 25 november 2021, Commissie/UG (C‑249/20 P, EU:C:2021:964; hierna: „arrest in hogere voorziening”), heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd voor zover daarbij ten eerste het litigieuze besluit nietig was verklaard, ten tweede was vastgesteld dat de Commissie een onrechtmatigheid had gepleegd waarvoor zij aansprakelijk kon worden gesteld, en ten derde het verzoek van UG tot vergoeding van haar immateriële schade niet-ontvankelijk was verklaard.
30 In punt 27 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof vastgesteld dat het Gerecht de inhoud van de brief van 8 september 2016 kennelijk onjuist had opgevat door in de punten 64, 70 en 71 van het oorspronkelijke arrest te oordelen dat het TAOBG UG in die brief had verweten dat zij niet binnen een termijn van drie maanden de doelstellingen had bereikt die haar in het beoordelingsrapport voor 2015 waren opgelegd.
31 Bovendien heeft het Hof in punt 38 van het arrest in hogere voorziening geoordeeld dat, voor zover – zoals blijkt uit de punten 70 en 71 van het oorspronkelijke arrest – de aan UG opgedragen taken waren opgevat en omschreven als taken die binnen een bepaalde periode moesten worden uitgevoerd, het Gerecht niet had uiteengezet waarom het onredelijk was om van UG te verlangen dat zij binnen een termijn van drie maanden een pedagogisch actieplan zou opstellen.
32 In die omstandigheden heeft het Hof in punt 39 van het arrest in hogere voorziening geoordeeld dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet was nagekomen, aangezien uit de motivering van het oorspronkelijke arrest niet kon worden opgemaakt, zelfs niet impliciet, waarom het Gerecht van oordeel was dat de aan UG toegekende termijn van drie maanden voor het opstellen van een pedagogisch actieplan te kort was.
33 Na dit te hebben vastgesteld, heeft het Hof de zaak terugverwezen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
III. Procedure bij het Gerecht na terugverwijzing en bestreden arrest
34 Tot staving van haar vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in zaak T‑571/17 RENV heeft UG zeven middelen aangevoerd. Het eerste middel was gebaseerd op een motiveringsgebrek, het tweede middel had betrekking op schending van artikel 51 van het Statuut en van het recht om te worden gehoord, het derde middel betrof een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het recht op ouderschapsverlof en het recht van werknemers om te worden geïnformeerd en geraadpleegd; het vierde middel had betrekking op diverse kennelijke beoordelingsfouten en feitelijke onjuistheden; het vijfde middel betrof schending van het evenredigheidsbeginsel; het zesde middel betrof schending van de tuchtprocedure van bijlage IX bij het Statuut, en het zevende middel zag op misbruik van bevoegdheid.
35 Het Gerecht heeft al deze middelen ongegrond verklaard.
36 Verder heeft het Gerecht zich uitgesproken over de schadevordering van UG, waarmee zij verzocht de Commissie te veroordelen haar, ten eerste, een vergoeding te betalen gelijk aan de salarissen die zij sinds de datum van haar ontslag had moeten missen, en, ten tweede, een vergoeding uit te keren voor de immateriële schade als gevolg van de vernederende en discriminerende behandeling die zij wegens haar vakbondsactiviteiten en het opnemen van ouderschapsverlof zou hebben ondergaan.
37 In dit verband heeft het Gerecht vastgesteld dat UG zich ter ondersteuning van haar schadevordering niet beriep op andere onrechtmatigheden dan die welke zij had aangevoerd ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. In die omstandigheden heeft het Gerecht, gelet op het feit dat de vordering tot nietigverklaring ongegrond was verklaard, geoordeeld dat ook de schadevordering moest worden afgewezen, zonder dat uitspraak behoefde te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan.
38 Bijgevolg heeft het Gerecht het door UG ingestelde beroep in zijn geheel verworpen.
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
39 In hogere voorziening verzoekt UG het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht haar ontslag gegrond heeft verklaard en haar heeft verwezen in een derde van de kosten en in de kosten van de Commissie;
– haar, na de zaak opnieuw te hebben onderzocht, een bedrag van 68 000 EUR toe te kennen tot vergoeding van haar materiële schade;
– haar, na de zaak opnieuw te hebben onderzocht, een bedrag van 40 000 EUR toe te kennen tot vergoeding van haar immateriële schade;
– de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van alle gerechtskosten, alsmede de advocatenkosten die zij in verband met de onderhavige hogere voorziening moet maken, voorlopig geraamd op 10 000 EUR, onder voorbehoud van verhoging, en
– de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van alle gerechtskosten, alsmede haar advocatenkosten die verband houden met de onderhavige hogere voorziening, geraamd op 30 000 EUR.
40 De Commissie verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen, en
– UG te verwijzen in de kosten.
V. Hogere voorziening
41 Ter ondersteuning van haar verzoek tot vernietiging van het bestreden arrest voert UG in wezen vier middelen aan, waarvan het eerste is gebaseerd op schending van de bescherming inzake ouderschapsverlof, het tweede op schending van de bescherming van de personeelsvertegenwoordigers, het derde op kennelijke beoordelingsfouten en het vierde op schending van het evenredigheidsbeginsel.
A. Eerste middel
1. Argumenten van partijen
42 UG betoogt dat het Gerecht in de punten 92 en 93 van het bestreden arrest ten onrechte een onderscheid heeft gemaakt tussen, enerzijds, de vaststelling van het ontslagbesluit tijdens het ouderschapsverlof en, anderzijds, de inwerkingtreding van dat besluit op het moment dat de betrokkene met ouderschapsverlof was, om daaruit ten onrechte af te leiden dat de vaststelling van het litigieuze besluit tijdens haar ouderschapsverlof geen schending vormde van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst.
43 Volgens UG heeft het litigieuze besluit echter ertoe geleid dat zij haar werk na afloop van haar ouderschapsverlof niet heeft hervat, hetgeen aantoont dat het ontslag van een persoon tijdens het ouderschapsverlof een schending vormt van de in clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst neergelegde bescherming en van de verplichting van de werkgever om het ambt van de functionaris die dit verlof opneemt, te handhaven.
44 UG betoogt dat de artikelen 47 en 51 van het Statuut, artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut en artikel 47 RAP moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de bepalingen van de raamovereenkomst en artikel 33, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), namelijk in die zin dat zij in de weg staan aan ontslag gedurende de gehele periode van ouderschapsverlof.
45 Bovendien zou het in strijd zijn met de vereisten van bescherming tegen ontslag tijdens het ouderschapsverlof om, zoals het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest heeft gedaan, de onvoldoende geschiktheid voor het ambt gelijk te stellen aan een ernstig tuchtrechtelijk verzuim.
46 Wat punt 112 van het bestreden arrest betreft, stelt UG dat de werkgever in de ontslagbrief van een werknemer uiterst zelden melding maakt van het verband tussen dat ontslag en het ouderschapsverlof van die werknemer.
47 Aangezien uit talrijke gegevens in het dossier van de onderhavige zaak blijkt dat de werkelijke reden voor het ontslag van UG was dat zij ouderschapsverlof had opgenomen, heeft het Gerecht in punt 144 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de in punt 142 van dat arrest vastgestelde onrechtmatigheid op zichzelf niet tot nietigverklaring van het litigieuze besluit kon leiden.
48 In casu vormt het ontslag van UG misbruik van bevoegdheid door de Commissie, aangezien deze instelling, onder het voorwendsel van ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt, in werkelijkheid aan UG een sanctie heeft opgelegd wegens het opnemen van haar ouderschapsverlof gedurende een periode die de Commissie niet goed uitkwam.
49 Bijgevolg levert het litigieuze besluit volgens UG discriminatie wegens het opnemen van ouderschapsverlof op, in strijd met artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelezen in samenhang met artikel 8 van dat verdrag en met artikel 1 van Protocol nr. 12 daarbij, ondertekend te Rome op 4 november 2000.
50 De Commissie antwoordt dat het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is voor zover het strekt tot een nieuwe volledige beoordeling van de zaak, en dat het hoe dan ook ongegrond is.
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
51 Wat betreft de niet-ontvankelijkheidsgrond die door de Commissie in het kader van het eerste middel van de hogere voorziening wordt aangevoerd, moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut alsook uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten deze vordering specifiek staven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof voldoet een hogere voorziening waarin louter de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Thunus e.a./EIB, C‑561/23 P, EU:C:2024:603, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat UG met het eerste middel het Gerecht voornamelijk verwijt blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen. Zij geeft in dit verband herhaaldelijk aan tegen welke onderdelen van het bestreden arrest het middel is gericht en welke juridische argumenten de vordering tot vernietiging van dat arrest specifiek onderbouwen.
53 In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
b) Ten gronde
54 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 90 tot en met 114 van het bestreden arrest de gegrondheid heeft onderzocht van de grief van UG, die in wezen was gebaseerd op het feit dat de Commissie artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, had geschonden door UG tijdens haar ouderschapsverlof te ontslaan.
55 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 97 tot en met 112 van dat arrest geoordeeld dat artikel 42 bis van het Statuut er niet aan in de weg staat dat het bevoegde gezag een besluit tot ontslag van een ambtenaar of tot beëindiging van de overeenkomst van een arbeidscontractant of tijdelijk functionaris vaststelt ook al is dat personeelslid ten tijde van dat besluit met ouderschapsverlof en is het in beginsel gerechtigd om zijn ambt of werkzaamheden na afloop van dat verlof te hervatten.
56 Wat betreft clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, waarnaar UG verwijst, heeft het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest geoordeeld dat, teneinde te waarborgen dat de werknemers daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun recht op ouderschapsverlof, deze clausule vereist dat de nodige maatregelen worden genomen om werknemers te beschermen tegen een minder gunstige behandeling of tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof. In dit verband heeft het Gerecht zich gebaseerd op het arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium (C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 34).
57 Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest geoordeeld dat die clausule noch tot doel, noch tot gevolg heeft dat het een werkgever verboden is een werknemer te ontslaan terwijl die ten tijde van dat besluit met ouderschapsverlof is, mits dat ontslag niet gebaseerd is op het aanvragen of het opnemen van dat verlof en voldoet aan de overige voorwaarden van de toepasselijke wet- of regelgeving.
58 Wat artikel 47 RAP betreft, dit artikel bevat, zoals blijkt uit punt 101 van het bestreden arrest, geen voorbehoud of uitzondering in verband met het feit dat het betrokken personeelslid met ouderschapsverlof is.
59 In de punten 115 tot en met 146 van dat arrest heeft het Gerecht de grief van UG onderzocht dat het litigieuze besluit artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, had geschonden omdat het was gebaseerd op het feit dat zij ouderschapsverlof had aangevraagd.
60 Zoals blijkt uit punt 122 van dat arrest, verbiedt artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, het bevoegde gezag een ambtenaar of ander personeelslid wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan omdat de betrokkene ouderschapsverlof aanvraagt, met name wanneer dit ontslag gebaseerd is op redenen die verband houden met de begin- en einddatum van dit verlof of de duur van het aangevraagde verlof.
61 In punt 142 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het TAOBG weliswaar gerechtigd was om de aanvraag van UG voor ouderschapsverlof af te wijzen met als reden dat de voorgestelde datums voor de duur van dat verlof niet verenigbaar waren met de behoeften van de dienst, maar dat het de datums van het aangevraagde ouderschapsverlof niet kon aanvoeren als een van de gronden voor ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt zonder daarmee inbreuk te maken op artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst.
62 Na te hebben vastgesteld dat het litigieuze besluit om de in het voorgaande punt genoemde reden onrechtmatig was, heeft het Gerecht in de punten 144 tot en met 146 van het bestreden arrest geoordeeld dat de algemene vaststelling dat UG ongeschikt was voor het ambt in casu op verschillende gronden berustte, die niets te maken hadden met de reden betreffende de datums die zij in haar verzoek om ouderschapsverlof had gekozen. In die omstandigheden is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat deze onrechtmatigheid op zichzelf niet kon leiden tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
63 Vastgesteld moet worden dat UG met het eerste middel van de hogere voorziening niet heeft aangetoond dat de overwegingen die zijn uiteengezet in de punten 53 tot en met 61 van het onderhavige arrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
64 Het arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium (C‑588/12, EU:C:2014:99), waarop het Gerecht zijn redenering heeft gebaseerd, kan niet aldus worden uitgelegd dat er een absoluut verbod bestaat om een werknemer met ouderschapsverlof te ontslaan, maar moet in die zin worden opgevat dat het een dergelijk ontslag zonder ernstige of voldoende reden verbiedt. Dat arrest verbiedt dus ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof.
65 Bovendien heeft het Hof in het arrest van 20 juni 2013, Riežniece (C‑7/12, EU:C:2013:410, punten 34 en 35), geoordeeld dat, zoals werd bepaald in clausule 2, punt 4, van de op 14 december 1995 gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die was opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB 1996, L 145, blz. 4), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997 (PB 1998, L 10, blz. 24), werknemers moesten worden beschermd tegen ontslag „wegens” het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof, en dat deze clausule een werkgever niet verbood om een werknemer die met ouderschapsverlof is te ontslaan, mits de aanvraag of het opnemen van het ouderschapsverlof niet de reden voor dat ontslag is.
66 Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, was in de onderhavige zaak de algemene vaststelling dat UG ongeschikt was voor het ambt gebaseerd op verschillende redenen, die losstonden van de reden betreffende de datums die zij had gekozen voor het opnemen van haar ouderschapsverlof.
67 Wat betreft het argument van UG dat uit talrijke gegevens van het dossier in de onderhavige zaak blijkt dat haar ouderschapsverlof de werkelijke reden voor haar ontslag was, waarmee het Gerecht geen rekening heeft gehouden, volstaat het vast te stellen dat UG hiermee in feite om een herbeoordeling vraagt van een feitelijk argument dat reeds voor het Gerecht is aangevoerd. Dit argument moet dus overeenkomstig de in punt 51 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
68 Hieruit volgt dat het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard
B. Tweede middel
1. Argumenten van partijen
69 Met het tweede middel van de hogere voorziening verwijt UG het Gerecht dat het in de punten 165 en 168 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het litigieuze besluit niet uitsluitend was gebaseerd op haar hoedanigheid als lid van het centrale personeelscomité in Brussel en het plaatselijke personeelscomité in Luxemburg, terwijl het tegelijkertijd erkende dat het TAOBG in de motivering van dat besluit UG verweet dat zij bij de planning van haar activiteiten als personeelsvertegenwoordiger in 2014 en 2016 geen rekening had gehouden met de belangen van de dienst.
70 Als een ontslag alleen ter discussie wordt gesteld indien het uitdrukkelijk is gebaseerd op de hoedanigheid van personeelsvertegenwoordiger, zouden de minimumeisen van artikel 7 van richtlijn 2002/14 hun nuttige werking verliezen en zou de bescherming van de personeelsvertegenwoordigers tegen ontslag wegens hun vakbondsfunctie ondoeltreffend worden. Een werkgever die zich wil ontdoen van een personeelsvertegenwoordiger zal dit immers zelden expliciet erkennen in de motivering van het ontslagbesluit.
71 In casu heeft het TAOBG echter herhaaldelijk expliciet melding gemaakt van de vakbondsactiviteiten van UG, waarbij de voorbeelden die UG in dat verband heeft aangevoerd getuigen van het feit dat zij voortdurend door haar hiërarchieke meerdere werd gediscrimineerd.
72 De uitlegging die het Gerecht in de punten 173 en volgende van het bestreden arrest heeft gegeven, volgens welke een ambtenaar die of een ander personeelslid dat voor 50 % van de arbeidstijd bij een vakbond is gedetacheerd, overeenkomstig artikel 60 van het Statuut vooraf toestemming moet vragen aan zijn hiërarchieke meerdere om afwezig te zijn en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor hij is uitgenodigd in verband met zijn vakbondsmandaat of zijn mandaat als personeelsvertegenwoordiger, is volgens rekwirante in strijd met het beginsel van onafhankelijkheid van de vakbond en met het beginsel van gelijkwaardigheid van de uitoefening van vakbondstaken met het ambt.
73 Deze uitlegging zou er immers op neerkomen dat de uitoefening van de vakbondstaken van de personeelsvertegenwoordiger afhankelijk wordt gemaakt van het belang van de dienst zoals dat door de hiërarchieke meerdere wordt beoordeeld. Het staat echter aan de hiërarchieke meerdere om bij de organisatie van het werk binnen zijn afdeling rekening te houden met het feit dat een teamlid vakbondstaken vervult en daarvoor noodzakelijkerwijs de benodigde tijd moet krijgen.
74 UG voegt daaraan toe dat, aangezien haar afwezigheid in verband met de uitoefening van haar vakbondstaken was opgenomen in haar „calendar planning”, waartoe haar hiërarchieke meerdere toegang had, het Gerecht in punt 175 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het litigieuze besluit, zonder de minimumeisen van artikel 7 van richtlijn 2002/14 te schenden, kon worden gebaseerd op het feit dat UG haar verplichting niet was nagekomen om haar hiërarchieke meerderen tijdig vóór de vakbondsvergaderingen te verwittigen dat zij deze zou bijwonen, omdat deze reden gebaseerd is op de niet-inachtneming door rekwirante van de voorwaarden voor de organisatie van de dienst die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het haar toevertrouwde mandaat.
75 Deze uitlegging door het Gerecht is volgens UG in strijd met de minimumeisen van artikel 7 van richtlijn 2002/14 en met artikel 12 van het Handvest.
76 De Commissie brengt hiertegen in dat UG met het tweede middel van haar hogere voorziening de door het Gerecht vastgestelde feiten betwist, zonder echter aan te voeren of aan te tonen dat deze feiten onjuist zijn opgevat. Dit middel is volgens de Commissie dus niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond.
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
77 Wat betreft de door de Commissie in het kader van het tweede middel van de hogere voorziening opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, volstaat het te constateren dat UG het Gerecht met dit middel in wezen verwijt dat het blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen. UG geeft in dit verband herhaaldelijk aan tegen welke onderdelen van het bestreden arrest het middel is gericht en welke juridische argumenten de vordering tot vernietiging van dat arrest specifiek onderbouwen.
78 In die omstandigheden kan overeenkomstig de in punt 51 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet worden geoordeeld dat het tweede middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
b) Ten gronde
79 In punt 164 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat noch uit de motivering van het litigieuze besluit, noch uit de stukken van het dossier blijkt dat dit besluit uitsluitend is gebaseerd op de hoedanigheid van UG als lid van de personeelscomités, los van de uitoefening van haar vertegenwoordigingstaken of, meer in het algemeen, haar vakbondsactiviteiten. In punt 165 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat uit dat besluit niet blijkt dat het TAOBG van mening was dat de wijze waarop UG op de datum van vaststelling van het betrokken besluit haar functie van personeelsvertegenwoordiger of, meer in het algemeen, haar vakbondsactiviteiten uitoefende, van dien aard was dat dit het rechtvaardigde om haar overeenkomst wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te beëindigen.
80 Met betrekking tot een ambtenaar die of een ander personeelslid dat voor 50 % van zijn arbeidstijd bij een vakbond is gedetacheerd, heeft het Gerecht in punt 173 van het bestreden arrest geoordeeld dat de betrokkene op grond van artikel 60 van het Statuut verplicht is vooraf toestemming te vragen aan zijn hiërarchieke meerdere om afwezig te zijn en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor hij is uitgenodigd in verband met zijn vakbondsmandaat of zijn mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Van de verplichting vooraf om toestemming te vragen kan namelijk alleen worden afgeweken bij ziekte of ongeval, en niet bij deelname aan vergaderingen in verband met een vakbondsmandaat of vergaderingen van een vertegenwoordigende instantie.
81 In punt 175 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat het litigieuze besluit, zonder de minimumeisen van artikel 7 van richtlijn 2002/14 te schenden, kon worden gebaseerd op de reden dat UG haar verplichting niet was nagekomen om haar meerderen tijdig vóór de vergaderingen van het personeelscomité waarvan zij lid was, te informeren dat zij die zou bijwonen. Een dergelijke reden was immers niet gebaseerd op de uitoefening door UG van haar werkzaamheden als personeelsvertegenwoordiger, maar op het feit dat zij de voorwaarden voor de organisatie van de dienst die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het haar toevertrouwde mandaat, niet in acht had genomen.
82 Voor zover UG met het tweede middel van haar hogere voorziening de uitlegging die het Gerecht aan artikel 60 van het Statuut heeft gegeven aanvecht, zij eraan herinnerd dat de ambtenaar volgens de eerste volzin van dat artikel, behalve in geval van ziekte of ongeval, niet afwezig mag zijn zonder daartoe vooraf door zijn hiërarchieke meerdere te zijn gemachtigd.
83 In de eerste plaats verwijst het Gerecht in zijn redenering naar dit artikel, dat betrekking heeft op het vereiste van machtiging door de hiërarchieke meerdere, en niet op de verplichting om hem te informeren over de activiteiten die leiden tot afwezigheid van de ambtenaar. In de tweede plaats verwijst het Gerecht in punt 174 van het bestreden arrest naar artikel 7 van besluit C(2011) 3588 definitief van de Commissie van 27 mei 2011 betreffende de aan het personeelscomité van de Commissie toegewezen personele en financiële middelen, volgens welk artikel elke afwezigheid voor het verrichten van vakbondsactiviteiten vooraf schriftelijk en tijdig door de betrokkene aan zijn hiërarchieke meerdere moet worden meegedeeld.
84 Om te onderzoeken of de in het bestreden arrest gekozen oplossing in overeenstemming is met het Unierecht, zij eraan herinnerd dat ambtenaren volgens artikel 24 ter van het Statuut het recht van vereniging genieten en met name lid kunnen zijn van vak- of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren.
85 Zoals blijkt uit artikel 1, zesde alinea, van bijlage II bij het Statuut, worden de functies der leden van het personeelscomité en van de ambtenaren die in opdracht van het comité zitting hebben in statutaire of door de instelling ingestelde organen, beschouwd als een onderdeel van de taken die zij in hun instelling moeten verrichten, en mag betrokkene door de uitoefening van zijn functie geen enkel nadeel ondervinden.
86 In casu had de in het litigieuze besluit vermelde reden voor het ontslag van UG niets te maken met een verbod voor UG om deel te nemen aan de vergaderingen van de personeelscomités waarvan zij lid was, hetgeen een schending van haar in het Statuut neergelegde rechten had kunnen opleveren. Die reden, zoals bevestigd door het Gerecht in het bestreden arrest, had ermee te maken dat UG de verplichting om haar hiërarchieke meerderen tijdig vóór die vergaderingen op de hoogte te stellen van haar deelname daaraan niet was nagekomen.
87 Deze verplichting doet geen afbreuk aan de essentie van de rechten van de ambtenaren en andere personeelsleden waarin het Statuut voorziet.
88 Aangezien de door UG in het kader van het tweede middel aangevoerde argumenten niet gerechtvaardigd zijn, moet dit middel ongegrond worden verklaard.
C. Derde middel
1. Argumenten van partijen
89 Het derde middel, dat kennelijke beoordelingsfouten betreft, valt in wezen uiteen in vijf onderdelen.
90 In het eerste onderdeel voert UG ten eerste aan dat het Gerecht afbreuk heeft gedaan aan de doeltreffendheid van het recht op toegang tot de rechter, door in de punten 187 tot en met 190 van het bestreden arrest te oordelen dat het TAOBG met betrekking tot de beëindiging van een overeenkomst van onbepaalde duur van tijdelijk functionaris of arbeidscontractant over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat een vergissing slechts als „kennelijk” kan worden aangemerkt wanneer zij gemakkelijk kan worden ontdekt.
91 Uit deze beoordeling door het Gerecht volgt dat het aan de handelingen van de Commissie verbonden vermoeden van rechtmatigheid onweerlegbaar is, zulks in strijd met het vereiste van „wapengelijkheid”.
92 UG verwijt het Gerecht eveneens dat het haar verzoek om de nodige maatregelen van instructie te treffen, niet heeft ingewilligd.
93 Zij voert in dit verband feitelijke gegevens aan die volgens haar de conclusie ondersteunen dat het litigieuze besluit was ingegeven door het feit dat zij haar ouderschapsverlof had opgenomen en een vakbondsfunctie uitoefende.
94 Wat betreft ten tweede de duur van de behandeling van de onderhavige zaak door het Gerecht, merkt UG op dat er een jaar is verstreken tussen het einde van de schriftelijke of de mondelinge behandeling en de uitspraak van het bestreden arrest, zonder dat in de loop van die procedure enige maatregel tot organisatie van de procesgang is vastgesteld. De totale duur van alle betrokken procedures bedraagt meer dan zes jaar, hetgeen een schending vormt van het recht om binnen een redelijke termijn door een rechter te worden gehoord, zoals neergelegd in het EVRM en het Handvest, evenals van de rechten van de verdediging.
95 UG verzoekt het Hof derhalve om de nodige consequenties aan deze schendingen te verbinden, en daarbij met name de bewijslast inzake de onrechtmatigheid van het litigieuze besluit om te keren.
96 In het kader van het tweede onderdeel van het derde middel betoogt UG dat haar recht om te worden gehoord, dat is neergelegd in artikel 51, lid 2, van het Statuut, is geschonden.
97 In casu heeft UG slechts acht dagen de tijd gehad om haar opmerkingen aan het TAOBG te doen toekomen voordat het litigieuze besluit werd genomen, waardoor haar rechten van verdediging niet konden worden gewaarborgd.
98 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 68 tot en met 70 van het bestreden arrest een louter formele benadering van het recht om te worden gehoord gevolgd, aangezien het niet van het TAOBG heeft verlangd het dossier grondig te onderzoeken.
99 Bovendien verwijt UG het Gerecht dat het de bewijslast heeft „omgekeerd” door te oordelen dat het aan UG stond om aanvullend bewijs aan te dragen, zonder dat het TAOBG haar daarom heeft verzocht. UG is van mening dat het, aangezien de in punt 20 van het onderhavige arrest vermelde brief van 30 september 2016 gedetailleerd was, aan het TAOBG stond om de relevante bewijsstukken te zoeken.
100 Met het derde onderdeel van het derde middel stelt UG dat het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest de rechtspraak van het Hof te restrictief heeft uitgelegd door te oordelen dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering van handelingen van de instellingen van de Europese Unie worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU niet alleen op de bewoordingen ervan moet worden gelet, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
101 Volgens rekwirante blijkt uit de rechtspraak van het Hof namelijk niet dat deze instellingen niet verplicht zijn om in de motivering van hun handelingen de relevante feitelijke of juridische gegevens te specificeren, maar enkel dat het vereiste van nauwkeurigheid moet worden geformuleerd op basis van de aard van de bestreden handeling.
102 In het bestreden arrest heeft het Gerecht echter niet de vereiste mate van nauwkeurigheid vastgesteld met betrekking tot de motivering van een ontslagbesluit, gezien de aard van dat besluit, de impact ervan op de beroepssituatie van de geadresseerde en diens vermogen om de redenen voor het ontslag aan te vechten.
103 De Commissie kan haar ontslagbesluit niet vaag en onvoldoende gedetailleerd motiveren, gezien het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag zoals neergelegd in artikel 30 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 47 daarvan.
104 UG betoogt in dit verband dat het TAOBG in het litigieuze besluit enkel een zeer groot aantal verwijten heeft opgesomd die vaag waren geformuleerd en niet werden gestaafd met precieze en concrete feitelijke gegevens.
105 Het Gerecht heeft bijgevolg in punt 39 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het TAOBG zich had beroepen op een twintigtal omstandigheden die gedetailleerd zijn weergegeven in de brief van 8 september 2016 en die verband houden met het gedrag van UG gedurende de periode 2013‑2016.
106 In deze brief is namelijk geen enkel concreet voorbeeld te vinden van het gedrag van UG, noch een datum waarop er van een dergelijk gedrag sprake zou zijn geweest.
107 In het kader van het vierde onderdeel van het derde middel verwijst UG naar punt 241 van het bestreden arrest, waaruit blijkt dat het Gerecht het middel inzake een kennelijke beoordelingsfout heeft verworpen, voor zover dit betrekking had op het feit dat de medische attesten voor de afwezigheden op 7 mei en 16 juni 2014 te laat waren ingediend en dat UG op 18 juni 2014 ongerechtvaardigd afwezig zou zijn geweest.
108 Volgens UG diende het Gerecht, bij de toetsing of haar rechten van verdediging waren geëerbiedigd, te onderzoeken of de Commissie zich rechtsgeldig kon beroepen op de tardieve indiening van medische attesten en de ongerechtvaardigde afwezigheden, meer dan twee jaar nadat deze hadden plaatsgevonden, te meer daar deze gebeurtenissen niet waren opgenomen in haar beoordelingsrapport voor 2014.
109 Wat de tardieve overlegging van de medische attesten door UG betreft, voert zij aan dat het aan de Commissie stond om deze reden nader uiteen te zetten. In dit verband heeft het Gerecht in de punten 246 en 253 van het bestreden arrest de bewijslast omgekeerd en UG daarbij in een situatie geplaatst waarin het gevraagde bewijs nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk te leveren was.
110 Met het vijfde onderdeel van het derde middel stelt UG dat het Gerecht haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden door in punt 265 van het bestreden arrest te verklaren dat zij niet meer kon opkomen tegen het beoordelingsrapport voor 2015.
111 Aangezien in de beoordelingsrapporten voor 2014 en voor 2015 werd geconcludeerd dat de beroepsprestaties van UG bevredigend waren, was er geen reden voor UG om te verwachten dat deze rapporten door de Commissie ter rechtvaardiging van haar ontslag zouden worden ingeroepen.
112 Wat het beoordelingsrapport voor 2016 betreft, merkt UG op dat de betrokken ontslagprocedure is ingeleid nog voordat de beroepstermijn voor dat rapport was verstreken.
113 UG betwist ook punt 273 van het bestreden arrest, waarin wordt vermeld dat zij niet voldoende betrokken was bij de werkgroepen waarvan zij deel uitmaakte.
114 Verder stelt UG dat het Gerecht haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden door in de punten 278 tot en met 286 van het bestreden arrest over te gaan tot een onweerlegbare omkering van de bewijslast met betrekking tot de voorbereiding van de CPE-nieuwsbrief.
115 UG heeft in dit verband kunnen aantonen dat de nieuwsbrief op 22 januari 2016 is verzonden, maar dat de desbetreffende e-mail de geadresseerde pas op 18 juli 2016 heeft bereikt vanwege een computerprobleem.
116 Met betrekking tot de reden voor het ontslag die ermee te maken heeft dat UG het pedagogische actieplan niet heeft verstrekt, betoogt zij dat haar hiërarchieke meerdere op het moment van het verzoek om overlegging van dat plan op de hoogte was van het voornemen van UG om ouderschapsverlof op te nemen voor de periode van juli tot en met september 2016. Dit verzoek was er dan ook uitsluitend op gericht UG schade te berokkenen.
117 De Commissie betoogt dat het derde middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.
2. Beoordeling door het Hof
a) Ontvankelijkheid
118 Wat betreft de door de Commissie in het kader van het derde middel van de hogere voorziening opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, kan worden volstaan met de vaststelling dat UG het Gerecht met dit middel in wezen verwijt blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen. UG geeft in dit verband herhaaldelijk aan tegen welke onderdelen van het bestreden arrest het middel is gericht en welke juridische argumenten de vordering tot vernietiging van dat arrest specifiek onderbouwen.
119 In die omstandigheden moet overeenkomstig de in punt 51 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden geoordeeld dat het derde middel van de hogere voorziening ontvankelijk is.
b) Ten gronde
1) Eerste onderdeel
120 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht in punt 187 van dat arrest heeft geoordeeld dat het TAOBG met betrekking tot de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd van een tijdelijk functionaris of een arbeidscontractant, overeenkomstig artikel 47, onder c), i), RAP, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, mits het de in de overeenkomst bepaalde opzegtermijn in acht neemt. Het toezicht van de Unierechter dient daarom beperkt te zijn tot de vraag of er sprake is van een kennelijke vergissing of misbruik van bevoegdheid.
121 Op basis van het arrest van 19 juli 1955, Kergall/Gemeenschappelijke Vergadering (1/55, EU:C:1955:9, blz. 23), heeft het Gerecht in punt 188 van het bestreden arrest immers vastgesteld dat de beoordeling van de vraag of de ambtenaren en andere personeelsleden van de instellingen van de Unie geschikt zijn voor het ambt, in de eerste plaats aan die instellingen toekomt.
122 In punt 189 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verduidelijkt dat in dat verband een vergissing slechts als een „kennelijke” vergissing kan worden aangemerkt wanneer deze gemakkelijk kan worden ontdekt in het licht van de criteria waaraan de wetgever de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid door de administratie onderwerpt. Het middel inzake een kennelijke vergissing moet dus worden afgewezen indien de betwiste beoordeling, ondanks het door de verzoekende partij aangevoerde bewijs, nog steeds als gerechtvaardigd en coherent kan worden aangemerkt.
123 In punt 190 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan onder verwijzing naar het arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad (C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak), toegevoegd dat de handelingen van de instellingen van de Unie in beginsel vermoed worden rechtmatig te zijn en dus rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard.
124 In dit verband heeft het Gerecht, zoals in de punten 61 en 62 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, in het bestreden arrest vastgesteld dat het litigieuze besluit onrechtmatig was omdat het TAOBG de datums van het aangevraagde ouderschapsverlof niet kon aanvoeren als een van de gronden voor ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt en heeft het geoordeeld dat de algemene vaststelling dat UG ongeschikt was voor het ambt gebaseerd was op verschillende redenen, die niets te maken hadden met de genoemde reden. Bijgevolg is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat deze onrechtmatigheid op zichzelf niet kon leiden tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
125 Voorts heeft het Gerecht in de punten 218, 340 en 350 van het bestreden arrest weliswaar vastgesteld dat het litigieuze besluit verschillende kennelijke beoordelingsfouten bevatte, maar heeft het in de punten 360 en 361 van dat arrest niettemin geoordeeld dat voor meerdere gronden in dit besluit niet is aangetoond dat zij onrechtmatig zijn, en dat deze gronden belangrijk genoeg zijn om steun te bieden voor de algemene vaststelling van het TAOBG dat UG onvoldoende geschikt is voor het ambt.
126 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het argument van UG dat het Gerecht in wezen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het TAOBG over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte, ten eerste berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht heeft erkend dat bij de vaststelling van het litigieuze besluit kennelijke beoordelingsfouten waren gemaakt, en ten tweede, niet kan afdoen aan de redenering van het Gerecht, aangezien UG niet aantoont dat er andere kennelijke beoordelingsfouten in dat besluit zijn gemaakt die tot de nietigverklaring ervan hadden moeten leiden.
127 Wat betreft het feit dat UG het Gerecht verwijt dat het haar verzoek om de nodige maatregelen van instructie te nemen niet heeft ingewilligd, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak betreffende de beoordeling door de rechter in eerste aanleg van verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie die een partij in het geding heeft ingediend, het Gerecht als enige oordeelt of het noodzakelijk is de informatie waarover het beschikt met betrekking tot de aldaar aanhangige zaken aan te vullen. Het staat dus uitsluitend aan het Gerecht om de relevantie van een verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang voor het voorwerp van het geschil en de noodzaak daarvan te beoordelen (arrest van 12 november 2020, Fleig/EDEO, C‑446/19 P, EU:C:2020:918, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
128 De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt namelijk deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst, behoudens wanneer het Gerecht de overgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken blijkt (arrest van 12 november 2020, Fleig/EDEO, C‑446/19 P, EU:C:2020:918, punt 54).
129 Aangezien het Gerecht in het bestreden arrest heeft verwezen naar een groot aantal elementen van het aldaar aanhangige dossier en UG in het kader van het eerste onderdeel van het derde middel niet nader toelicht in welke zin het Gerecht deze bewijzen onjuist heeft opgevat of waarom zijn vaststellingen materieel onjuist zijn, moet dit argument in casu niet-ontvankelijk worden verklaard.
130 Wat de duur van de procedure voor de Unierechter betreft, zij eraan herinnerd dat de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn weliswaar aanleiding kan geven tot een schadevordering die de verzoeker krachtens artikel 268 juncto artikel 340, tweede alinea, VWEU tegen de Unie instelt, maar niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de duur van de procedure de uitkomst van het geding heeft beïnvloed (beschikking van 29 september 2022, CX/Commissie, C‑71/22 P, EU:C:2022:745, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
131 Bij gebreke van enige aanwijzing ter staving dat de duur van de procedure invloed heeft gehad op de uitkomst van het betrokken geding, kan de grief inzake schending van de redelijke procestermijn dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en moet deze daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
132 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
2) Tweede onderdeel
133 In punt 68 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de aan UG toegekende termijn van acht werkdagen om opmerkingen in te dienen over de brief van 8 september 2016 kort kon lijken, gelet op de ernstige gevolgen die de beëindiging van haar overeenkomst voor haar persoonlijke situatie had. Het Gerecht heeft er echter op gewezen dat UG een standpunt had ingenomen over de motivering van het litigieuze besluit en dat het TAOBG rekening had gehouden met haar opmerkingen, zoals blijkt uit de motivering van het litigieuze besluit.
134 In punt 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de eerbiediging van het recht om te worden gehoord weliswaar vereist dat de instellingen van de Unie de persoon die door een voor hem bezwarende handeling is geraakt in staat stellen zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken, maar niet inhoudt dat die instellingen verplicht zijn om zich achter dat standpunt te scharen.
135 In punt 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat UG zich had beklaagd over het feit dat het TAOBG haar na ontvangst van haar schriftelijke opmerkingen van 30 september 2016 niet had verzocht aanvullende stukken over te leggen. Het Gerecht heeft vastgesteld dat UG, ten eerste, de mogelijkheid had om dergelijke stukken over te leggen tussen 30 september en 17 oktober 2016, de datum van vaststelling van het litigieuze besluit, en ten tweede, noch de aard noch het voorwerp had aangegeven van die aanvullende stukken waarvan het TAOBG geen kennis had, zodat niet was aangetoond dat de overlegging van die stukken van beslissende invloed kon zijn geweest op de inhoud van het litigieuze besluit.
136 In punt 71 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat UG in staat was gesteld om naar behoren haar standpunt kenbaar te maken over de juistheid en de relevantie van de feiten en omstandigheden waarop het TAOBG dat besluit heeft gebaseerd.
137 Ten eerste wordt de grief inzake schending van de rechten van de verdediging echter niet onderbouwd met argumenten die aantonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ten tweede blijkt niet dat de bevinding van het Gerecht zoals uiteengezet in punt 71 van het bestreden arrest een onjuiste opvatting van de door het Gerecht onderzochte feiten vormt (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2022, KN/EESC, C‑673/21 P, EU:C:2022:759, punt 103).
138 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.
3) Derde onderdeel
139 In punt 36 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de motivering van handelingen van de instellingen van de Unie, die eveneens wordt vereist door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest, aangepast moet zijn aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 29 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140 Na in de punten 38 tot en met 47 van het bestreden arrest de verschillende feitelijke elementen die in het litigieuze besluit in aanmerking zijn genomen en de daarin gevolgde redenering te hebben onderzocht, is het Gerecht in punt 48 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat in dit besluit, dat tot stand is gekomen in een context die UG bekend was, zowel de juridische overwegingen als een voldoende aantal feiten zijn uiteengezet die in het bestek van dit besluit van wezenlijk belang waren, zodat UG in staat was de gegrondheid en de rechtmatigheid ervan te beoordelen.
141 In dit verband moet worden vastgesteld dat het Gerecht, anders dan UG stelt, de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde vereisten met betrekking tot de motivering van handelingen van de instellingen van de Unie correct heeft uiteengezet, met name die welke in punt 139 van het onderhavige arrest worden genoemd.
142 Bijgevolg moet het argument van UG met betrekking tot de nauwkeurigheid van de motivering van de handelingen van de instellingen van de Unie ongegrond worden verklaard.
143 Met betrekking tot de argumenten die UG in het kader van het derde onderdeel van het derde middel heeft aangevoerd, die betrekking hebben op het onderzoek ten gronde van de motivering van het litigieuze besluit, kan worden volstaan met de vaststelling dat UG met deze argumenten het Hof in werkelijkheid verzoekt om de feitelijke beoordeling door het Gerecht opnieuw te onderzoeken en dat zij als zodanig niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
144 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het derde middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
4) Vierde onderdeel
145 Het vierde onderdeel van het derde middel betreft het onderzoek door het Gerecht van de motivering van het litigieuze besluit betreffende de beweerdelijk onregelmatige afwezigheden van UG.
146 In punt 240 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat UG naar eigen zeggen weliswaar steeds een medisch attest heeft overgelegd wanneer zij om gezondheidsredenen afwezig was, maar niet verklaart waarom zij op 18 juni 2014 afwezig was en naar geen enkel document in het dossier verwijst dat deze afwezigheid zou kunnen rechtvaardigen.
147 Het Gerecht heeft in punt 241 van dat arrest geoordeeld dat het betoog van UG niet kon afdoen aan het besluit waarbij is vastgesteld dat zij op 18 juni 2014 ongeoorloofd afwezig was, zodat de in het verzoekschrift uiteengezette grief, voor zover deze is gericht tegen de reden die vermeld staat op bladzijde 2, onder d), van de brief van 8 september 2016, ongegrond moet worden verklaard.
148 Wat betreft de punten 246 en 253 van het bestreden arrest, waarnaar UG in haar hogere voorziening verwijst, volstaat het eraan te herinneren dat het Gerecht in punt 244 van dat arrest heeft vastgesteld dat UG geen klacht overeenkomstig artikel 91, lid 2, van het Statuut had ingediend tegen het besluit van 1 juni 2016, waarin het TAOBG stelde dat zij op 30 en 31 mei 2016 ongerechtvaardigd afwezig was geweest.
149 In punt 245 van het bestreden arrest voegt het Gerecht daaraan toe dat UG zich niet beroept op nieuwe wezenlijke feiten die een heronderzoek van de rechtmatigheid van dit besluit kunnen rechtvaardigen.
150 Bijgevolg is het Gerecht in punt 246 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat het betoog van UG waarmee zij het betrokken besluit incidenteel betwist, niet-ontvankelijk was voor zover het erop was gericht een definitief geworden handeling ter discussie te stellen.
151 Met betrekking tot punt 253 van het bestreden arrest, dat betrekking heeft op de grond van het litigieuze besluit betreffende de beweerdelijk ongerechtvaardigde afwezigheden van UG op 7 mei en 16 juni 2014, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in dat punt heeft geoordeeld dat UG niet heeft aangetoond of zelfs maar heeft beweerd de attesten te hebben overgelegd die nodig waren om haar administratieve situatie, in het licht van de haar gestelde termijn, binnen afzienbare tijd te regulariseren.
152 Met de argumenten die zij aanvoert in het kader van het vierde onderdeel van het derde middel beoogt UG in werkelijkheid een nieuw onderzoek door het Hof te verkrijgen van de beoordelingen die het Gerecht in het kader van de in de punten 146 tot en met 151 van het onderhavige arrest vermelde punten heeft verricht.
153 Hieruit volgt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5) Vijfde onderdeel
154 In het kader van het onderzoek van het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid heeft het Gerecht in punt 263 van het bestreden arrest vastgesteld dat UG met haar betoog in het kader van de tweede tot en met de vijfde grief van het derde onderdeel van het vierde middel dat het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout had begaan en dat de motivering betreffende rekwirantes betrokkenheid bij haar werk feitelijke onjuistheden bevatte, zoals uiteengezet voor het Gerecht, beoogde de inhoud van de kwalitatieve beoordeling van de efficiëntie van rekwirante, die overeenkomt met punt 3.1 van het beoordelingsrapport voor 2015, en dus van het beoordelingsrapport voor 2015, ter discussie te stellen.
155 In punt 264 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat UG in kennis was gesteld van haar beoordelingsrapport voor 2015 en dat zij dit rapport niet binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen had betwist, zodat zowel dit rapport als de daarin vervatte beoordelingen definitief zijn geworden.
156 In punt 265 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat UG geen nieuwe belangrijke feiten heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat zij nog steeds kon opkomen tegen het beoordelingsrapport voor 2015.
157 In punt 266 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat UG in die omstandigheden het beoordelingsrapport voor 2015 niet incidenteel kon betwisten in het kader van het beroep tegen het litigieuze besluit, waarbij dat rapport een voorbereidende rol heeft gespeeld.
158 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat het beoordelingsrapport voor 2015 definitief is geworden, aangezien UG het niet binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen heeft aangevochten, en dat UG derhalve niet op goede gronden kan stellen dat het Gerecht de procedureregels heeft geschonden en het dossier van de zaak onjuist heeft opgevat door vast te stellen dat dit rapport niet incidenteel kon worden betwist in het kader van het aldaar ingestelde beroep (zie naar analogie arrest van 24 juni 2021, WD/EFSA, C‑167/20 P, EU:C:2021:516, punten 39 en 40).
159 Wat de punten 278 tot en met 286 van het bestreden arrest betreft, waarvan UG stelt dat daarin een onweerlegbare omkering van de bewijslast is ingevoerd, volstaat het eraan te herinneren dat het Gerecht in deze punten is ingegaan op de door UG in haar verzoekschrift aangevoerde feitelijke elementen waarmee zij opkwam tegen de feitelijke beoordelingen door de Commissie in het litigieuze besluit.
160 In punt 286 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat UG geen enkel bewijselement had aangevoerd dat het door de Commissie geleverde bewijs kon weerleggen dat zij het ontwerp van de kerstnieuwsbrief 2015 pas op 18 juli 2016 ter goedkeuring aan de leden van de werkgroep „CPE-nieuwsbrief” had toegezonden.
161 Het betoog dat UG dienaangaande in het kader van het vijfde onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening heeft ontwikkeld, vormt in werkelijkheid een betwisting van de feitelijke beoordelingen door het Gerecht en moet als zodanig niet-ontvankelijk worden verklaard.
162 Hetzelfde geldt voor de andere argumenten die UG in het kader van dit onderdeel van het derde middel heeft aangevoerd.
163 Bijgevolg moet het vijfde onderdeel van het derde middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat het derde middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
D. Vierde middel
1. Argumenten van partijen
164 Met haar vierde middel, dat betrekking heeft op schending van het evenredigheidsbeginsel, betoogt UG in wezen dat het Gerecht bij de beoordeling van de evenredigheid van haar ontslag rekening had moeten houden met het feit dat dit ontslag was ingegeven door haar ouderschapsverlof, door het feit dat zij vakbondsfuncties bekleedde en dat haar geen enkele sanctie was opgelegd, aangezien de in het litigieuze besluit aangevoerde professionele tekortkomingen van gering belang waren.
165 De Commissie is van mening dat het vierde middel ongegrond moet worden verklaard. Deze instelling voegt daaraan toe dat dit middel eveneens niet-ontvankelijk is, aangezien het louter strekt tot een herbeoordeling van de reeds voor het Gerecht aangevoerde argumenten.
2. Beoordeling door het Hof
166 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht in de punten 351 tot en met 381 van het bestreden arrest het litigieuze besluit heeft onderzocht en heeft geoordeeld dat de Commissie bij de vaststelling ervan geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt.
167 Na deze vaststelling heeft het Gerecht in de punten 385 en 386 van dat arrest geoordeeld dat het litigieuze besluit geen kennelijke beoordelingsfout bevatte, zodat de overeenkomst voor onbepaalde tijd van UG bij dat besluit kon worden beëindigd en dat het evenredigheidsbeginsel dus niet was geschonden.
168 In het kader van het vierde middel van haar hogere voorziening voert UG echter geen argumenten aan die deze juridische beoordeling door het Gerecht ter discussie kunnen stellen.
169 Derhalve moet dit middel ongegrond worden verklaard.
E. Schadevordering
1. Argumenten van partijen
170 UG betoogt dat zij een minnelijke schikking met de Commissie had gesloten in verband met de vergoeding van haar materiële schade. Voor het geval dat deze schikking als gevolg van het arrest in hogere voorziening zou vervallen, vordert UG dat haar ex aequo et bono een bedrag van 68 000 EUR ter vergoeding van die schade wordt toegekend.
171 Voorts vordert UG dat haar een bedrag van 40 000 EUR wordt toegekend ter vergoeding van haar immateriële schade. Dit bedrag is volgens haar passend gelet op het psychische lijden dat zij als gevolg van haar onrechtmatig ontslag heeft ondergaan.
172 In dit verband moet ook rekening worden gehouden met de precaire situatie en de hoge schuldenlast van UG als gevolg van haar ontslag.
173 De Commissie bestrijdt het betoog van UG.
2. Beoordeling door het Hof
174 Het Gerecht heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat UG zich ter ondersteuning van haar vordering tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade niet had beroepen op onrechtmatigheden die verschilden van die welke zij had aangevoerd ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. In die omstandigheden heeft het Gerecht, gelet op het feit dat de vordering tot nietigverklaring ongegrond was verklaard, geoordeeld dat de schadevorderingen eveneens moesten worden afgewezen.
175 Aangezien alle ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen zijn afgewezen en het bestreden arrest dus niet wordt vernietigd, moeten ook de argumenten van UG waarmee zij vergoeding van de geleden schade vordert, worden afgewezen.
176 In die omstandigheden moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
177 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
178 Aangezien UG in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) UG zal haar eigen kosten en die van de Europese Commissie dragen.
ondertekeningen