„[…] Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst.”
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 27 februari 2025
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 27 februari 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 27 februari 2025
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zesde kamer)
27 februari 2025(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Geharmoniseerd radiospectrum - Individuele gebruiksrechten gedurende een bepaalde termijn - Verlenging van deze rechten - Richtlijn 2002/20/EG - Artikel 5, lid 2 - Richtlijn 2002/20, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG - Artikel 5, lid 2 - Europees wetboek voor elektronische communicatie - Richtlijn (EU) 2018/1972 - Artikel 49, leden 1 en 2 - Toepasselijkheid ratione temporis”"
In zaak C‑562/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upravno sodišče (bestuursrechter, Slovenië) bij beslissing van 24 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 11 september 2023, in de procedure
T-2 družba za ustvarjanje, razvoj in trženje elektronskih komunikacij in opreme d.o.o.
tegenAgencija za komunikacijska omrežja in storitve Republike Slovenije,
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
de Sloveense regering, vertegenwoordigd door V. Klemenc als gemachtigde,
-
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
-
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, L. Malferrari en B. Rous Demiri als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), artikel 5, lid 2, vierde alinea, van richtlijn 2002/20, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: „gewijzigde richtlijn 2002/20”), en artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen T-2 družba za ustvarjanje, razvoj in trženje elektronskih komunikacij in opreme d.o.o (hierna: „T‑2”), een vennootschap naar Sloveens recht, en de Agencija za komunikacijska omrežja in storitve Republike Slovenije (agentschap voor communicatienetwerken en -diensten van de Republiek Slovenië; hierna: „agentschap”) over de weigering van dit agentschap om de geldigheid te verlengen van het besluit waarbij aan T‑2 individuele gebruiksrechten voor radiospectrum zijn verleend.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/20
3 Artikel 5 van richtlijn 2002/20 had als opschrift „Gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers” en bepaalde in lid 2, tweede alinea, het volgende:
4 Artikel 5 van gewijzigde richtlijn 2002/20 had als opschrift „Gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers” en bepaalde in lid 2, vierde alinea:
„Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is.”
5 Richtlijn 2002/20 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2018/1972.
Richtlijn 2018/1972
6 De overwegingen 1, 131 en 323 van richtlijn 2018/1972 luiden:
„(1) [Richtlijn 2002/20] [is] zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, [moet] die [richtlijn] ter wille van de duidelijkheid worden herschikt.
[…]
(131) Een doeltreffend beheer van radiospectrum kan worden gewaarborgd door aanhoudend efficiënt gebruik van reeds toegewezen radiospectrum te bevorderen. Teneinde de rechtszekerheid voor de houders van de rechten te waarborgen, dient de mogelijkheid tot verlenging van gebruiksrechten binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het verstrijken van de betrokken rechten in overweging te worden genomen, bijvoorbeeld, wanneer rechten voor 15 jaar of meer zijn toegewezen, ten minste twee jaar voor het verstrijken van die rechten, tenzij de mogelijkheid van verlenging uitdrukkelijk werd uitgesloten op het moment van de toewijzing van de rechten. […]
[…]
(323) Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een geharmoniseerd en vereenvoudigd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, van de voorwaarden voor de vergunning van netwerken en diensten, van radiospectrumgebruik […] niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de [Europese] Unie […] maatregelen nemen. […]”
7 Artikel 1 van richtlijn 2018/1972 heeft als opschrift „Onderwerp, toepassingsgebied en doelen” en bepaalt in lid 1:
„Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, evenals inzake bepaalde aspecten van eindapparatuur vastgesteld. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties en, indien van toepassing, van andere bevoegde instanties vast, alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Unie te waarborgen.”
8 Artikel 2 van deze richtlijn heeft als opschrift „Definities” en luidt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
‚geharmoniseerd radiospectrum’: radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden in verband met de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik ervan zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 4 van beschikking nr. 676/2002/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (‚radiospectrumbeschikking’) (PB 2002, L 108, blz. 1)];
[…]”
9 Artikel 47 van richtlijn 2018/1972 heeft als opschrift „Voorwaarden verbonden aan individuele gebruiksrechten voor radiospectrum” en bepaalt in lid 1:
„De bevoegde instanties stellen voorwaarden vast in verband met individuele rechten betreffende het gebruik van radiospectrum overeenkomstig artikel 13, lid 1, waarbij zij zorgen voor het optimale en het meest doeltreffende en efficiënte gebruik van radiospectrum. De bevoegde instanties geven voordat zij overgaan tot toekenning of verlenging van die rechten, een duidelijke omschrijving van dergelijke voorwaarden, met inbegrip van het vereiste gebruiksniveau en de mogelijkheid om die verplichting na te leven door te verhandelen en te verhuren, teneinde de uitvoering van die voorwaarden overeenkomstig artikel 30 te waarborgen. Voorwaarden verbonden aan de verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum mogen voor bestaande houders van dergelijke rechten geen onrechtmatige voordelen opleveren.
[…]
De bevoegde instanties raadplegen en informeren de belanghebbende partijen tijdig en op transparante wijze over de voorwaarden verbonden aan individuele gebruiksrechten voordat deze worden opgelegd. De bevoegde instanties leggen de criteria voor de beoordeling van de naleving van die voorwaarden van tevoren vast en stellen de belanghebbende partijen daarvan in kennis.”
10 Artikel 49 van deze richtlijn heeft als opschrift „Duur van de rechten” en de leden 1 en 2 van dit artikel luiden als volgt:
„1.Indien lidstaten door middel van individuele gebruiksrechten een machtiging verstrekken voor het gebruik van radiospectrum gedurende een bepaalde termijn, waarborgen zij dat het gebruiksrecht wordt verleend voor een periode die passend is, gelet op de overeenkomstig artikel 55, lid 2, nagestreefde doelen, waarbij zij er naar behoren rekening mee houden dat mededinging en met name doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum moeten worden gewaarborgd en innovatie en efficiënte investeringen moeten worden bevorderd, onder meer door in een passende periode voor de afschrijving van investeringen te voorzien.
2.Indien de lidstaten individuele gebruiksrechten verlenen voor radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig [beschikking nr. 676/2002] om het gebruik ervan voor draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie (‚draadlozebreedbanddiensten’) voor een beperkte periode mogelijk te maken, garanderen zij de voorspelbaarheid van de regelgeving voor de houders van de rechten gedurende een periode van ten minste 20 jaar wat betreft de voorwaarden voor investeringen in infrastructuur die afhankelijk zijn van het gebruik van dat radiospectrum, rekening houdend met de vereisten van lid 1 van dit artikel. Dit artikel is onderworpen, indien relevant, aan elke wijziging van de voorwaarden die zijn verbonden aan die gebruiksrechten overeenkomstig artikel 18.
Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat dergelijke rechten geldig zijn voor een duur van ten minste 15 jaar en waar nodig, om te voldoen aan de eerste alinea, een passende verlenging daarvan mogelijk is, volgens de voorwaarden van dit lid.
De lidstaten maken op transparante wijze de algemene criteria voor een verlenging van de duur van gebruiksrechten voor alle belanghebbenden beschikbaar voordat gebruiksrechten worden verleend, als onderdeel van de voorwaarden van artikel 55, leden 3 en 6. Die algemene criteria hebben betrekking op:
de noodzaak te zorgen voor een effectief en efficiënt gebruik van het betrokken radiospectrum, de nagestreefde doelstellingen in de punten a) en b) van artikel 45, lid 2, of de noodzaak te voldoen aan doelstellingen van algemeen belang met betrekking tot waarborging van de veiligheid van het leven, de openbare orde, de openbare veiligheid of de defensie; en
de noodzaak te zorgen voor ongestoorde mededinging.
Uiterlijk twee jaar vóór het verstrijken van de oorspronkelijke looptijd van een individueel gebruiksrecht verricht de bevoegde instantie een objectieve en toekomstgerichte beoordeling van de algemene criteria voor de verlenging van de looptijd van dat gebruiksrecht in het licht van punt c) van artikel 45, lid 2. Mits de bevoegde instantie geen handhavingsmaatregelen heeft geïnitieerd wegens niet‑naleving van de voorwaarden van de gebruiksrechten op grond van artikel 30, verleent zij verlenging van de looptijd van het gebruiksrecht, tenzij zij tot de conclusie komt dat een dergelijke verlenging niet zou voldoen aan de algemene criteria van punt a) of b) van de derde alinea van dit lid.
Op basis van die beoordeling deelt de bevoegde instantie de houder van het recht mee of verlenging van de looptijd van het gebruiksrecht mag worden verleend.
Indien een dergelijke verlenging niet mag worden verleend, past de bevoegde instantie artikel 48 toe voor de toewijzing van gebruiksrechten voor die specifieke radiospectrumband.
Alle maatregelen op grond van deze alinea moeten proportioneel, niet-discriminerend, transparant en gemotiveerd zijn.
In afwijking van artikel 23 dienen belanghebbende partijen gedurende een periode van ten minste 3 maanden de gelegenheid te hebben opmerkingen te maken over elke ontwerpmaatregel op grond van de derde en de vierde alinea van dit lid.
Dit lid doet geen afbreuk aan de toepassing van [artikel 19 betreffende de beperking of intrekking van rechten en artikel 30 betreffende de nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of voor gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, en nakoming van specifieke verplichtingen].
Bij de vaststelling van de vergoedingen voor gebruiksrechten houden de lidstaten rekening met het in dit lid bepaalde mechanisme.”
11 Artikel 124 van richtlijn 2018/1972 heeft als opschrift „Omzetting” en bepaalt in lid 1:
„Uiterlijk op 21 december 2020 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken zij deze bekend om aan deze richtlijn te voldoen. […]
De lidstaten passen die maatregelen toe vanaf 21 december 2020.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf […] naar deze richtlijn verwezen […].”
12 Artikel 125 van deze richtlijn heeft als opschrift „Intrekking” en luidt:
„[Richtlijn 2002/20] als genoemd in deel A van bijlage XII [wordt] met ingang van 21 december 2020 ingetrokken, […].
[…]”
13 In artikel 126 („Inwerkingtreding”) van richtlijn 2018/1972 is bepaald:
„Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”
Beschikking nr. 676/2002
14 Artikel 1 van beschikking nr. 676/2002 heeft als opschrift „Doel en toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1:
„Deze beschikking heeft tot doel een beleids- en wetgevingskader in de Gemeenschap tot stand te brengen met het oog op het garanderen van de coördinatie van de beleidsaanpak en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op communautaire beleidsterreinen zoals elektronische communicatie, vervoer, en onderzoek en ontwikkeling (O & O).”
15 Artikel 2 van deze beschikking heeft als opschrift „Definitie” en bepaalt:
„In deze beschikking wordt verstaan onder: ‚radiospectrum’: radiogolven met een frequentie in het bereik tussen 9 kHz en 3000 GHz; radiogolven zijn elektromagnetische golven die zich in de ruimte voortplanten zonder kunstmatige geleider.”
Sloveens recht
16 Artikel 155 van de Ustava Republike Slovenije (grondwet van de Republiek Slovenië) luidt als volgt:
„Wetten, andere regels en handelingen van algemene strekking kunnen geen terugwerkende kracht hebben. Alleen de wet kan bepalen dat sommige bepalingen ervan terugwerkende kracht hebben, indien het algemeen belang dit vereist en op voorwaarde dat dit geen afbreuk doet aan verworven rechten.”
17 Artikel 50, lid 1, van de Zakon o elektronskih komunikacijah (wet inzake elektronische communicatie) (Uradni list RS, nr. 43/04; hierna: „Zekom”) bepaalde:
„Het besluit tot toewijzing van radiofrequenties wordt door het agentschap genomen voor een bepaalde termijn, meer bepaald voor een periode van ten hoogste 15 jaar, behalve voor de toewijzing van radiofrequenties voor mobiele luchtvaart- en zeeradiotelefoniediensten.”
18 Artikel 51 Zekom bepaalde:
„De geldigheidsduur van een besluit tot toewijzing van radiofrequenties kan op verzoek van de houder ervan worden verlengd, mits is voldaan aan alle voorwaarden die bij het verstrijken van de geldigheid ervan voor het gebruik van die radiofrequenties worden gesteld.”
19 Artikel 53, lid 1, van de Zakon o elektronskih komunikacijah (ZEKom-1) [wet inzake elektronische communicatie (ZEKom-1), Uradni list RS, nr. 109/12; hierna: „Zekom-1”], die in de plaats is gekomen van de Zekom en van toepassing was van 15 januari 2013 tot en met 9 november 2022, luidde:
„Het besluit inzake de toewijzing van radiospectrumrechten wordt door het agentschap genomen voor een bepaalde termijn, rekening houdend met een passende duur die nodig is voor de afschrijving van de investering. Deze duur bedraagt hoogstens 15 jaar, behalve voor de toewijzing van radiospectrum voor mobiele luchtvaart- of maritieme diensten.”
20 Artikel 54, lid 1, Zekom-1 bepaalde:
„De geldigheidsduur van een besluit tot toewijzing van radiofrequenties kan, met uitzondering van besluiten tot toewijzing van radiofrequenties voor de levering van openbare communicatiediensten aan eindgebruikers, op verzoek van de houder ervan worden verlengd mits is voldaan aan alle voorwaarden die bij het verstrijken van de geldigheid ervan voor het gebruik van die radiofrequenties worden gesteld en daarbij rekening wordt gehouden met de doeleinden die zijn vastgesteld in de artikelen 194, 195, 196 en 197 van deze wet.”
21 Volgens artikel 240 Zekom-1 konden besluiten die op grond van de Zekom waren vastgesteld, worden gewijzigd, nietig worden verklaard of komen te vervallen onder de voorwaarden en op de wijze als bepaald in de Zekom-1.
22 Volgens artikel 307, lid 1, van de Zakon o elektronskih komunikacijah (ZEKom‑2) [wet inzake elektronische communicatie (ZEKom-2), Uradni list RS, nr. 130/22; hierna: „Zekom-2”], die in de plaats is gekomen van de Zekom-1, richtlijn 2018/1972 heeft omgezet in Sloveens recht, en van toepassing is sinds 10 november 2022, kunnen de op grond van de Zekom-1 vastgestelde besluiten waarvoor termijnen gelden die nog niet zijn verstreken op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden gewijzigd, nietig verklaard of komen te vervallen onder de voorwaarden en op de wijze als bepaald in de Zekom-2.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23 Bij besluit van 21 september 2006 heeft het agentschap aan T‑2 individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties verleend voor een periode van 15 jaar met het oog op de verlening van openbare communicatiediensten aan eindgebruikers. De aankondiging van de toewijzingsprocedure, op basis waarvan dit besluit is vastgesteld, voorzag niet in de mogelijkheid om die periode te verlengen.
24 Op 20 augustus 2021 heeft T‑2 verzocht om de geldigheidsduur van dit besluit met vijf jaar te verlengen voor een deel van deze radiofrequenties, waarbij zij zich met name beriep op artikel 49 van richtlijn 2018/1972.
25 Op 1 oktober 2021 heeft het agentschap dit verzoek afgewezen op grond dat, ten eerste, de geldigheidsduur van dat besluit krachtens de Zekom-1 niet kon worden verlengd tot meer dan 15 jaar en, ten tweede, een dergelijke verlenging evenmin mogelijk was op grond van artikel 49 van richtlijn 2018/1972.
26 Wat deze bepaling betreft, heeft het agentschap opgemerkt dat de verlenging van de duur van de individuele gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig artikel 49, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2018/1972 voor het eerst in deze richtlijn is opgenomen om de voorspelbaarheid van de regelgeving over 20 jaar te waarborgen, en dat dit doel dus niet bekend kon zijn in 2006, toen het agentschap de gebruiksrechten aan T‑2 verleende.
27 T‑2 heeft tegen het besluit tot afwijzing van haar verzoek beroep ingesteld bij de Upravno sodišče (bestuursrechter, Slovenië).
28 Voor deze rechterlijke instantie voert T‑2 aan dat de Zekom-1 in strijd is met richtlijn 2018/1972 en dat artikel 49, lid 2, van deze richtlijn rechtstreekse werking heeft. Deze bepaling is van toepassing op individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties die vóór de vaststelling van deze richtlijn zijn verleend en die op de datum van inwerkingtreding ervan nog niet zijn vervallen. Hieruit volgt dat het agentschap verplicht was een procedure te voeren voor de verlenging van de individuele gebruiksrechten die in de loop van 2006 aan T‑2 waren verleend, uiterlijk twee jaar vóór het verstrijken ervan, en dat het agentschap vanaf 21 december 2020, de datum waarop de termijn voor omzetting van deze richtlijn verstreek, had moeten toestaan dat de individuele gebruiksrechten die voor een periode van minder dan 20 jaar waren verleend, een geldigheidsduur van 20 jaar hebben.
29 Als verweer voert het agentschap aan dat artikel 49, lid 2, van richtlijn 2018/1972 niet voorziet in een automatische verlenging van individuele gebruiksrechten die vóór de vaststelling van deze richtlijn zijn verleend, maar de lidstaten dienaangaande een beoordelingsmarge laat. Bovendien konden de voorwaarden voor een verlenging van de individuele gebruiksrechten waarin deze bepaling voorziet, en met name de noodzaak om de voorspelbaarheid van de regelgeving gedurende twintig jaar te waarborgen, niet bekend zijn in 2006, bij het verlenen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebruiksrechten.
30 De verwijzende rechter merkt op dat artikel 124 van deze richtlijn voor die rechten niet voorziet in een overgangsregeling en dat artikel 49, leden 1 en 2, van die richtlijn niet met terugwerkende kracht lijkt te worden toegepast, aangezien daarin is bepaald dat de algemene criteria voor de verlenging van de looptijd van individuele gebruiksrechten reeds vóór het verlenen van die rechten bekend moeten zijn.
31 Wat het nationale recht betreft, wijst de verwijzende rechter erop dat de overgangsregeling voor de uitvoering van richtlijn 2018/1972, die is opgenomen in de op 28 september 2022 vastgestelde Zekom-2, vanaf de inwerkingtreding ervan, op 10 november 2022, uitsluitend van toepassing is op de op die datum geldende rechten, zonder mogelijkheid van terugwerkende kracht.
32 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat op de datum waarop de gebruiksrechten aan T‑2 werden verleend, weliswaar een verlenging mogelijk was op grond van de Zekom, maar dat dit niet meer het geval was bij het verstrijken van die rechten op 21 september 2021, aangezien de Zekom-1 uitsluit dat de duur van dergelijke rechten wordt verlengd tot meer dan 15 jaar.
33 In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat de uitkomst van het hoofdgeding afhangt van de vraag of de vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2018/1972 aan T‑2 verleende individuele gebruiksrechten voor radiospectrum overeenkomstig artikel 49, leden 1 en 2, van deze richtlijn met vijf jaar moeten worden verlengd, en of deze bepaling rechtstreekse werking heeft in het hoofdgeding, aangezien zij niet binnen de in die richtlijn gestelde termijn in Sloveens recht is omgezet. Indien dit het geval is, dan acht de verwijzende rechter het noodzakelijk dat het Hof de in die bepaling neergelegde algemene criteria voor de verlenging van de rechten preciseert.
34 Voor het geval dat het Hof van oordeel is dat artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 niet van toepassing is op de verlenging van individuele gebruiksrechten die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verleend, vraagt deze rechter zich bovendien af of artikel 5, lid 2, van richtlijn 2002/20 dan wel artikel 5, lid 2, van gewijzigde richtlijn 2002/20 rechtstreeks van toepassing is en, in voorkomend geval, aan de hand van welke criteria kan worden beoordeeld of de individuele gebruiksrechten voor een passende duur worden verleend en of die rechten overeenkomstig deze bepalingen moeten worden verlengd.
35 In die omstandigheden heeft de Upravno sodišče de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
-
Zijn de leden 1 en 2 van artikel 49 van [richtlijn 2018/1972] duidelijk, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om particulieren in staat te stellen zich daarop te beroepen in procedures voor nationale administratieve en rechterlijke instanties?
-
Moeten de leden 1 en 2 van artikel 49 van [richtlijn 2018/1972] ook worden toegepast op de verlenging van individuele rechten van gebruik van het radiofrequentiespectrum die vóór de inwerkingtreding van [die richtlijn] zijn verleend, en welke algemene criteria gelden in dat geval om te bepalen of een individueel recht moet worden verlengd?
-
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 5, lid 2, van [richtlijn 2002/20] of artikel 5, lid 2, vierde alinea, van [gewijzigde richtlijn 2002/20] dan worden toegepast om te beoordelen wat een passende duur is voor de individuele rechten van gebruik van het radiofrequentiespectrum die zijn verleend onder vigeur van [richtlijn 2002/20], in verband met de mogelijkheid van de verlenging van die rechten, en zijn deze bepalingen voldoende duidelijk, onvoorwaardelijk en nauwkeurig om op basis daarvan te kunnen beoordelen of de duur van een individueel recht van gebruik van het radiofrequentiespectrum passend is?
-
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of de duur van een individueel recht van gebruik van het radiofrequentiespectrum passend is of moet worden verlengd?
-
Indien de eerste, de tweede of de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet er bij het besluit inzake verlenging dan rekening mee worden gehouden dat de nationale bepalingen die van kracht waren toen het gebruiksrecht verstreek, de mogelijkheid van verlenging na een geldigheidsduur van 15 jaar uitdrukkelijk uitsloten?
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 van toepassing is op de verlenging van de duur van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum die vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn zijn verleend, maar na die datum verstrijken. In voorkomend geval verzoekt hij het Hof toe te lichten onder welke voorwaarden deze duur overeenkomstig deze bepaling wordt verlengd.
37 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat richtlijn 2018/1972 het wetboek voor elektronische communicatie vaststelt. Uit de overwegingen 1 en 323 en artikel 1, lid 1, van deze richtlijn blijkt dat zij een aantal richtlijnen herschikt, waaronder richtlijn 2002/20, en een geharmoniseerd en vereenvoudigd kader invoert voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende faciliteiten en diensten. Richtlijn 2018/1972 is echter meer dan enkel een codificatie van de Unierechtelijke handelingen die zij wijzigt of vervangt. Zij brengt wijzigingen aan in het regelgevingskader dat vóór de vaststelling ervan van kracht was, teneinde rekening te houden met de technologische en marktontwikkelingen [zie in die zin arresten van 14 maart 2024, Commissie/Polen (Europees wetboek voor elektronische communicatie), C‑452/22, EU:C:2024:232, punt 84 , en 14 maart 2024, Commissie/Slovenië (Europees wetboek voor elektronische communicatie), C‑457/22, EU:C:2024:237, punt 74 ].
38 Volgens artikel 124, lid 1, van richtlijn 2018/1972 stellen de lidstaten uiterlijk op 21 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken zij deze bekend om aan deze richtlijn te voldoen, en passen zij die bepalingen vanaf dezelfde datum toe. Deze richtlijn bevat echter geen overgangsregeling voor de op die datum bestaande individuele gebruiksrechten voor radiospectrum.
39 In die omstandigheden moet in herinnering worden geroepen dat volgens vaste rechtspraak een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de datum van inwerkingtreding van de handeling waarbij zij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, maar wel op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties. Dit ligt slechts anders, onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor toepassing ratione temporis ervan vastleggen (arrest van 15 mei 2020, Azienda Municpale Ambiente, C‑15/19, EU:C:2020:371, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Bovendien worden procedureregels in het algemeen geacht te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij op situaties die vóór de inwerkingtreding ervan definitief zijn geworden, slechts van toepassing zijn voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan duidelijk blijkt dat er een dergelijke werking aan dient te worden toegekend (arrest van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C‑645/19, EU:C:2021:483, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Om te bepalen of artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 van toepassing is op de verlenging van individuele gebruiksrechten zoals die welke aan T‑2 zijn verleend, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2002/20 op de datum waarop deze rechten werden verleend, te weten 21 september 2006, bepaalde dat „wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, […] de duur [ervan moet] zijn aangepast aan de betrokken dienst”. Artikel 5, lid 2, van gewijzigde richtlijn 2002/20, nam deze formulering over en voegde daaraan toe dat de aanpassing van de duur aan de betrokken dienst geschiedt „gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is”. In deze regeling was dus geen precieze duur voor individuele gebruiksrechten of voorwaarden voor de verlenging ervan vastgelegd.
42 Wat de leden 1 en 2 van dat artikel 49 betreft, zij opgemerkt dat deze respectievelijk betrekking hebben op individuele gebruiksrechten voor radiospectrum en gebruiksrechten waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig beschikking nr. 676/2002 om het gebruik ervan voor draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie mogelijk te maken. In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechten uitsluitend onder lid 2 van artikel 49 vallen, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter.
43 Artikel 49, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2018/1972 bepaalt dat de lidstaten „de voorspelbaarheid van de regelgeving voor de houders van de rechten gedurende een periode van ten minste 20 jaar” moeten waarborgen wat betreft de voorwaarden voor investeringen in infrastructuur, rekening houdend met de vereisten van lid 1 van dat artikel. In artikel 49, lid 2, tweede alinea wordt bepaald dat „[d]e lidstaten [er daartoe voor zorgen] dat dergelijke rechten geldig zijn voor een duur van ten minste 15 jaar en waar nodig, om te voldoen aan de eerste alinea, een passende verlenging daarvan mogelijk is, volgens de voorwaarden van dit lid”.
44 Deze bepaling vormt dus een regel van materieel recht die overeenkomstig de in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak slechts van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn geworden, voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan duidelijk blijkt dat er een dergelijke werking aan dient te worden toegekend.
45 In de eerste plaats vormt het verlenen aan T‑2 van gebruiksrechten voor een periode van 15 jaar een rechtssituatie die is ontstaan en definitief is geworden, waarbij in herinnering wordt gebracht dat het toekenningsbesluit niet voorzag in een verlenging na verloop van die periode en dat in richtlijn 2002/20 of gewijzigde richtlijn 2002/20, die vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2018/1972 van toepassing waren, evenmin was voorzien in een dergelijke verlenging. Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het agentschap op 17 december 2020, vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2018/1972, een procedure heeft uitgeschreven voor het verlenen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechten, die ertoe heeft geleid dat deze aan een andere onderneming dan T‑2 zijn toegekend. Overigens blijkt uit datzelfde dossier niet dat T‑2 rechten op een verlenging heeft verworven of toezeggingen heeft gekregen die haar een gewettigd vertrouwen in die zin konden geven, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
46 In de tweede plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 49, lid 2, van richtlijn 2018/1972 dat deze bepaling geen terugwerkende kracht heeft. De derde alinea van dat artikel 49, lid 2, bepaalt immers dat de algemene criteria voor een verlenging van de duur van individuele gebruiksrechten voor alle belanghebbenden beschikbaar moet worden gemaakt „voordat gebruiksrechten worden verleend”. Bovendien bepaalt de vierde alinea van die bepaling dat „[de bevoegde instantie] [u]iterlijk twee jaar vóór het verstrijken van de oorspronkelijke looptijd van een [dergelijk recht] een objectieve en toekomstgerichte beoordeling [verricht]” van deze criteria, en voegt daaraan toe dat de verlenging van de duur van een individueel gebruiksrecht afhankelijk is van de naleving ervan.
47 De voorgaande vaststelling wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 47, lid 1, van richtlijn 2018/1972, dat betrekking heeft op de voorwaarden die zijn verbonden aan individuele gebruiksrechten voor radiospectrum. In de eerste alinea van deze bepaling wordt immers bepaald dat „voordat” de bevoegde instanties overgaan tot toekenning of verlenging van die rechten, zij een duidelijke omschrijving van dergelijke voorwaarden geven, en in de derde alinea wordt bepaald dat de bevoegde instanties de belanghebbende partijen „tijdig en op transparante wijze” raadplegen en informeren over de voorwaarden verbonden aan die rechten „voordat deze worden opgelegd”.
48 Bij gebreke van uitdrukkelijke aanwijzingen kan ook het doel van de in artikel 49, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2018/1972 bedoelde duur van de gebruiksrechten, dat erin bestaat de voorspelbaarheid van de regelgeving te waarborgen over een periode van ten minste 20 jaar vanaf de verlening van de individuele gebruiksrechten, rekening houdend met de te verrichten investeringen in de infrastructuur, geen uitlegging met terugwerkende kracht ondersteunen, temeer daar artikel 5, lid 2, van gewijzigde richtlijn 2002/20, dat van toepassing was toen deze richtlijn in werking trad, uitsluitend verwees naar „het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is”.
49 Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd dat richtlijn 2018/1972 verwijst naar termijnen die moeilijk in acht kunnen worden genomen bij een verlengingsprocedure die, zoals in het hoofdgeding, van toepassing is op reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn verleende rechten. In overweging 131 ervan staat namelijk te lezen dat de mogelijkheid tot verlenging van gebruiksrechten binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het verstrijken van de betrokken rechten in overweging dient te worden genomen, bijvoorbeeld, wanneer rechten voor 15 jaar of meer zijn toegewezen, ten minste twee jaar voor het verstrijken van die rechten, tenzij de mogelijkheid van verlenging uitdrukkelijk werd uitgesloten op het moment van de toewijzing van de rechten.
50 Aangezien artikel 49, lid 2, van richtlijn 2018/1972 ratione temporis niet van toepassing is op een juridische situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn is ontstaan en definitief is geworden, zijn de bepalingen van artikel 49, lid 1, waarnaar eerstgenoemde bepaling verwijst, bijgevolg evenmin van toepassing op die situatie.
51 Bijgevolg hoeft niet te worden onderzocht onder welke voorwaarden de duur van individuele gebruiksrechten, zoals die welke vóór de inwerkingtreding van die richtlijn aan T‑2 zijn toegekend, krachtens die bepalingen kan worden verlengd.
52 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 niet van toepassing is op de verlenging van de duur van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum die onder dit lid 2 vallen en die vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn zijn verleend, maar na die datum verstrijken.
Eerste en derde tot en met vijfde vraag
53 Met zijn eerste en zijn derde tot en met vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 rechtstreekse werking heeft. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst deze rechter van het Hof te vernemen of artikel 5, lid 2, van richtlijn 2002/20 of artikel 5, lid 2, van gewijzigde richtlijn 2002/20 in het hoofdgeding rechtstreeks moet worden toegepast om te beoordelen of de duur van de individuele gebruiksrechten voor radiospectrum passend is en, in voorkomend geval, aan de hand van welke criteria dit moet worden beoordeeld. De verwijzende rechter wenst van het Hof tevens te vernemen of in beide gevallen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de bij het vervallen van de rechten geldende nationale regeling elke verlenging tot meer dan 15 jaar uitsloot.
54 Gelet op het antwoord op de tweede vraag hoeft niet te worden uitgemaakt of artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn 2018/1972 rechtstreekse werking heeft.
55 De vraag of artikel 5, lid 2, van richtlijn 2002/20 of artikel 5, lid 2, van gewijzigde richtlijn 2002/20 rechtstreeks van toepassing is op het hoofdgeding lijkt irrelevant, aangezien lijkt vast te staan dat deze bepalingen correct zijn omgezet in Sloveens recht.
56 Bijgevolg hoeft evenmin te worden verduidelijkt of de omstandigheid dat de bij het vervallen van de rechten geldende nationale regeling elke verlenging tot meer dan 15 jaar uitsloot, relevant is voor de analyse van die vragen.
Kosten
57 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 49, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie is niet van toepassing op de verlenging van de duur van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum die onder dit lid 2 vallen en die vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn zijn verleend, maar na die datum verstrijken.
ondertekeningen