Home

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 30 april 2025

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 30 april 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 april 2025

Conclusie van advocaat-generaal

L. Medina

van 30 april 2025(1)

Zaak C‑80/24

Zwrotybankowe.pl sp. z o.o.

tegen

Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A.

[verzoek van de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau – zittingsplaats Warschau-Centrum, Polen) om een prejudiciële beslissing]

"„Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2008/48/EG - Kredietovereenkomsten voor consumenten - Artikel 22, lid 2 - Overdracht van een consumentenvordering jegens een bancaire instelling - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 - Procesbevoegdheid van de cessionaris - Ambtshalve toetsing door de nationale rechter van het oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst”"

I. Inleiding

1. De onderhavige zaak geeft het Hof de gelegenheid om de grenzen aan de bevoegdheid van de nationale rechter tot ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen nader te onderzoeken. Twee belangrijke arresten in deze materie, te weten de arresten Lintner(2) en Tuk Tuk Travel(3), hebben laten zien dat de ambtshalve bevoegdheden van de rechter op het gebied van het consumentenrecht stevig zijn „verankerd” in de door de partijen bepaalde omvang van het geding.(4) Zoals welsprekend omschreven in de rechtsleer, bepaalt de omvang van het geding de „onoverkomelijke grenzen”(5) voor de rechter, ook al kunnen de „grenslijnen” ter zake op het gebied van het Europese consumentenrecht „ruim worden getrokken”(6).

2. De kwestie die in de onderhavige zaak met name aan de orde is ziet op de omvang van de bevoegdheid van de nationale rechter om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van bedingen in een overdrachtsovereenkomst tussen een consument en een vennootschap als cessionaris, waarbij de overdrachtsovereenkomst de grondslag vormt voor de procesbevoegdheid van die cessionaris. Het probleem is gelegen in het feit dat het geding bij de nationale rechter geen betrekking heeft op de overdrachtsovereenkomst maar op een consumentenkredietovereenkomst, en in het feit dat de consument geen partij is bij de relevante procedure.

3. Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal mijn conclusie zich concentreren op de tweede prejudiciële vraag.

II. Relevante bepalingen

A. Unierecht

1. Richtlijn 93/13

4. Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

5. Artikel 7, lid 1, van die richtlijn is als volgt geformuleerd:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

2. Richtlijn 2008/48

6. Artikel 22 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), met het opschrift „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”, bepaalt in lid 2 ervan:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat de consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.”

B. Pools recht

7. Artikel 45, lid 1, van de ustawa z dnia 12 maja 2011 r. o kredycie konsumenckim (wet van 12 mei 2011 op het consumentenkrediet) (geconsolideerde tekst, Dz. U. van 2023, volgnr. 1028, zoals gewijzigd; hierna: „wet op het consumentenkrediet”), bepaalt:

„Indien de kredietgever artikel 29, lid 1, artikel 30, lid 1, punten 1 tot en met 8, punten 10 en 11 en punten 14 tot en met 17, de artikelen 31 tot en met 33, artikel 33 bis en de artikelen 36 bis tot en met 36 quater niet nakomt, betaalt de consument, nadat deze bij de kredietgever een schriftelijke verklaring heeft ingediend, het krediet zonder rente en andere aan de kredietgever verschuldigde kredietkosten terug binnen de termijn en op de wijze die contractueel zijn vastgesteld.”

8. Artikel 509, lid 1, van de Kodeks cywilny (Pools burgerlijk wetboek) bepaalt:

„Een schuldeiser kan een schuldvordering zonder instemming van de schuldenaar aan een derde overdragen (cessie van schuldvordering), tenzij de wet, de overeenkomst of de aard van de verbintenis zich daartegen verzet.”

III. Korte uiteenzetting van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

9. Op 3 oktober 2023 heeft verzoekster in het hoofdgeding, Zwrotybankowe.pl spółka z ograniczoną odpowiedzialnością (een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; hierna: „Zwrotybankowe.pl”) een vordering ingesteld tegen verweerster, Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski spółka akcyjna (een bancaire naamloze vennootschap; hierna: „PKO Bank”), waarbij zij betaling vordert van 4 537,45 zlotys (PLN) (ongeveer 1 050 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en gerechtskosten.

10. Ter ondersteuning van haar vordering heeft Zwrotybankowe.pl aangegeven dat een consument haar het recht had overgedragen om alle geldvorderingen op te eisen die die consument tegen PKO Bank geldend kan maken uit hoofde van financiële regelingen die voortvloeien uit de toepassing van de sanctie van het „kosteloos krediet”. Zoals de verwijzende rechter toelicht, is die sanctie neergelegd in artikel 45, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet,(7) welk artikel in wezen behelst dat wanneer de schuldeiser in de consumentenkredietovereenkomst zijn informatieverplichtingen niet nakomt, de consument na aflegging van een verklaring jegens de schuldeiser alleen de hoofdsom van de lening hoeft terug te betalen, zonder rente of andere kosten.

11. Zwrotybankowe.pl heeft voorts aangevoerd dat het recht op terugbetaling voortvloeit uit de kredietovereenkomst die de consument op 13 september 2018 met PKO Bank had gesloten (hierna: „kredietovereenkomst”). Zwrotybankowe.pl stelt met name dat PKO Bank de door artikel 30, lid 1, van de wet op het consumentenkrediet opgelegde informatieverplichtingen niet was nagekomen.(8)

12. PKO Bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in haar geheel, op grond dat zij haar informatieverplichtingen jegens de consument was nagekomen en dat de vordering niet daadwerkelijk was overgedragen aan Zwrotybankowe.pl, aangezien de aard van de verbintenis zich tegen overdracht aan een derde verzet.

13. De verwijzende rechter merkt op dat het nationale dossier de op 16 januari 2023 tussen Zwrotybankowe.pl en de consument gesloten overdrachtsovereenkomst (hierna: „overdrachtsovereenkomst”) bevat. Luidens die overeenkomst heeft de consument alle bestaande en toekomstige geldvorderingen jegens PKO Bank die voortvloeien uit de toepassing van de sanctie van het kosteloos krediet en uit de gevolgen van oneerlijke of nietige bedingen, overgedragen aan Zwrotybankowe.pl. De overdrachtsovereenkomst bepaalde voorts dat Zwrotybankowe.pl recht had op 50 % van het bedrag van de hoofdvordering dat van PKO Bank werd teruggevorderd alsook op alle gerechtskosten, met inbegrip van de kosten van juridische vertegenwoordiging.

14. De verwijzende rechter verzoekt in de eerste plaats om uitlegging van artikel 22, lid 2, van richtlijn 2008/48, dat zich ertegen verzet dat de consument afstand doet van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan die richtlijn. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de overdracht door een consument van diens rechten aan een derde die, zoals in de onderhavige zaak, deze rechten in eigen naam geldend zal maken en dientengevolge een vergoeding zal ontvangen van 50 % van het verkregen bedrag, waarvan de resterende 50 % aan de consument wordt teruggegeven.

15. Dienaangaande is de verwijzende rechter van oordeel dat een uitlegging van richtlijn 2008/48 aan de hand van het doel om de consument tegen oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten te beschermen, overwegend ervoor pleit om de overdracht van vorderingen uit te sluiten.

16. In de tweede plaats verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in de context van de verplichting van de nationale rechter om ambtshalve het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te toetsen.

17. Dienaangaande wijst de verwijzende rechter erop dat de verplichting van de nationale rechter om ambtshalve een onderzoek in te stellen naar het oneerlijke karakter van contractuele bedingen berust op de aanname dat de consument deelneemt aan de procedure en dat de tussenkomst van de rechter het tussen de consument en de verkoper bestaande gebrek aan evenwicht compenseert. In het hoofdgeding is de situatie echter anders omdat de consument geen partij is in het geding – maar wel de cessionaris – en het geding niet de overdrachtsovereenkomst maar de kredietovereenkomst betreft. Hoewel de verwijzende rechter zijn bevoegdheid om het potentieel oneerlijke karakter van bedingen in de kredietovereenkomst te toetsen niet in twijfel trekt, twijfelt hij wel of hij verplicht en bevoegd is om het oneerlijke karakter te onderzoeken van de bepalingen van een overdrachtsovereenkomst die de grondslag vormt voor de procesbevoegdheid van verzoekster in het hoofdgeding.

18. Die twijfel houdt met name verband met het feit dat een oordeel van de rechter volgens hetwelk de overdrachtsovereenkomst niet (volledig) bindend is, in beginsel niet bindend zal zijn voor de rechter in een potentieel geschil tussen de consument en de entiteit waaraan de vordering werd overgedragen. Bovendien kan de vaststelling dat de overdrachtsovereenkomst oneerlijk is, met als mogelijk gevolg de nietigverklaring daarvan, voor de consument nadelige gevolgen hebben. Die vaststelling zou immers ertoe kunnen leiden dat de vordering in het hoofdgeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekster, aan wie de vordering werd overgedragen. Dit kan ertoe leiden dat de consument uiteindelijk zelfs niet het gedeelte ontvangt van de vordering waarop hij recht heeft uit hoofde van de overdrachtsovereenkomst.

19. De verwijzende rechter stelt voorts aan de orde dat een toetsing van het oneerlijke karakter van de bepalingen van de overdrachtsovereenkomst zou plaatsvinden in afwezigheid van de consument en zonder dat deze de gelegenheid krijgt zich te laten informeren over de mogelijke juridische gevolgen van nietigverklaring van de overdrachtsovereenkomst.

20. Tegen die achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau – zittingsplaats Warschau-Centrum, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

  • Moet artikel 22, lid 2, van richtlijn [2008/48] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de consument de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan deze richtlijn, kan overdragen aan een derde die geen consument is?

  • Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat de verplichting van [een] rechter om ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is, ook geldt voor een beding in een tussen een consument en een derde gesloten overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering, wanneer deze derde zich in een gerechtelijke procedure op die overeenkomst beroept als grondslag voor zijn procesbevoegdheid tegen de ondernemer die de oorspronkelijke wederpartij van de consument was?”

21. De partijen in het hoofdgeding, de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

IV. Analyse

22. Met zijn tweede vraag, waarop de onderhavige conclusie betrekking heeft, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter verplicht is om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van bedingen in een overdrachtsovereenkomst tussen een consument en een handelsvennootschap die de cessionaris is van de vordering van de consument jegens een verkoper met wie die consument een kredietovereenkomst had gesloten, in omstandigheden waarin, ten eerste, het bij de nationale rechter aanhangige geding geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst en, ten tweede, de handelsvennootschap waaraan de vordering van de consument is overgedragen die overdrachtsovereenkomst inroept als grondslag voor haar bevoegdheid om een vordering in te stellen tegen de verkoper die de oorspronkelijke wederpartij van de consument was.

23. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Zwrotybankowe.pl en PKO Bank de partijen in het hoofdgeding zijn. Het geding betreft de kredietovereenkomst die PKO Bank heeft gesloten met de consument. Zwrotybankowe.pl stelt dat de verplichting om de aan die consument verschuldigde bedragen terug te betalen berust op de toepassing van de sanctie van het „kosteloos krediet” wegens de gestelde niet-nakoming door de bank van diens verplichting om bij de sluiting van de kredietovereenkomst informatie te verstrekken.(9) De procesbevoegdheid van Zwrotybankowe.pl berust op de overdrachtsovereenkomst tussen de consument en Zwrotybankowe.pl, waarbij de consument al zijn aan de consumentenkredietovereenkomst ontleende schuldvorderingen heeft overgedragen aan de cessionaris en op grond waarvan Zwrotybankowe.pl aanspraak kon maken op 50 % van het bedrag van de hoofdvordering jegens PKO Bank.(10)

24. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat het hoofdgeding betrekking heeft op de kredietovereenkomst en niet op de toetsing van de specifieke bedingen van de overdrachtsovereenkomst in het kader van richtlijn 93/13. In die context vraagt de verwijzende rechter of hij ambtshalve het oneerlijke karakter moet onderzoeken van bepalingen van de overdrachtsovereenkomst, die niet het voorwerp van het geding voor die rechter uitmaakt maar de grondslag vormt voor de procesbevoegdheid van Zwrotybankowe.pl.

1. Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van een beding in de overdrachtsovereenkomst door de verwijzende rechter

25. Volgens vaste rechtspraak van het Hof berust het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt.(11)

26. Gelet op deze zwakkere positie bepaalt artikel 6, lid 1, van die richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Het gaat om een dwingende bepaling die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt.(12)

27. In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter ambtshalve moet toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt oneerlijk is, en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper moet compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.(13)

28. Het onderzoek dat de aangezochte nationale rechter krachtens richtlijn 93/13 gehouden is ambtshalve te verrichten, is ten eerste beperkt tot de contractuele bedingen waarvan het oneerlijke karakter kan worden vastgesteld aan de hand van de juridische en feitelijke gegevens in het dossier waarover die nationale rechter beschikt.(14)

29. Ten tweede moet dat onderzoek binnen de grenzen van het voorwerp van het geding blijven, waarbij dit voorwerp wordt begrepen als het resultaat dat een partij met haar aanspraken nastreeft, rekening houdend met de daartoe ingestelde vorderingen en aangevoerde middelen.(15)

30. Om te beginnen vereist de met richtlijn 93/13 beoogde bescherming van de consument weliswaar een positief ingrijpen van de aangezochte nationale rechter, maar kan deze bescherming niettemin slechts worden verleend indien een van de contractpartijen een gerechtelijke procedure heeft ingesteld.(16) Die procedure moet betrekking hebben op die overeenkomst.(17)

31. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de doeltreffendheid van de bescherming die de betrokken nationale rechter de consument op grond van richtlijn 93/13 wordt geacht te bieden door ambtshalve in te grijpen, niet zo ver kan gaan dat de grenzen van het voorwerp van het geding – zoals dat door de partijen is omschreven in hun vorderingen, gelezen in het licht van de door hen aangevoerde middelen – buiten beschouwing worden gelaten of worden overschreden. Derhalve is de nationale rechter niet verplicht om dat geding zodanig uit te breiden dat het verder gaat dan de voor hem ingestelde vorderingen en aangevoerde middelen.(18)

32. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat een vordering tussen twee verkopers niet wordt gekenmerkt door het gebrek aan evenwicht dat bestaat in het kader van een vordering tussen de consument en de verkoper met wie hij een overeenkomst is aangegaan.(19)

33. Zoals hierboven reeds is opgemerkt, is de consument geen partij in het hoofdgeding. Het voorwerp van het geding, zoals dit door de partijen in hun vorderingen en middelen is afgebakend, is de kredietovereenkomst. De overdrachtsovereenkomst tussen de consument en de vennootschap als cessionaris is niet het voorwerp van de bij de nationale rechter ingestelde vordering.

34. In die omstandigheden en anders dan de situatie waarop de in punt 27 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak betrekking heeft, is het – teneinde de doeltreffendheid van het door richtlijn 93/13 beoogde stelsel van consumentenbescherming te verzekeren – wenselijk noch noodzakelijk dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen twee verkopers – zoals een vennootschap waaraan de rechten van een consument zijn overgedragen en de verkoper met wie laatstgenoemde een overeenkomst is aangegaan – ambtshalve onderzoekt of een beding dat is opgenomen in de overdrachtsovereenkomst die deze consument heeft gesloten met de vennootschap waaraan hij zijn rechten heeft overgedragen, oneerlijk is.

35. Een andere oplossing zou voorbijgaan aan de „constitutieve elementen”(20) van een civiele procedure, namelijk de partijen bij het geding en het voorwerp ervan. Zoals duidelijk blijkt uit de in punt 31 hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof, dienen de uitzonderlijke bevoegdheden van nationale rechters op het gebied van het consumentenrecht nog altijd binnen de perken van het civiele geding te blijven.

36. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, doen de beperkingen die zijn gesteld aan de ambtshalve tussenkomst van de rechter niettemin niet af aan het recht van de consument om de overdrachtsovereenkomst in een gerechtelijke procedure aan te vechten. De nationale rechter kan dan in de context van een dergelijk toekomstig geding zijn bevoegdheid uitoefenen om oneerlijke bedingen in die overeenkomst ambtshalve te toetsen.

2. Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van een beding in de overdrachtsovereenkomst door de verwijzende rechter in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van de vordering

37. De verwijzende rechter werpt als afzonderlijke vraag op, of hij het oneerlijke karakter van een of meerdere bedingen in de overdrachtsovereenkomst krachtens artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dient te toetsen in het kader van zijn beoordeling van de voorwaarden voor ontvankelijkheid van de bij hem aanhangig gemaakte rechtsvordering, voor zover de overdrachtsovereenkomst van invloed is op de procesbevoegdheid van verzoekster in het hoofdgeding.

38. Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten moeten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden.(21)

39. Voorts blijkt uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, dat deze richtlijn de lidstaten verplicht te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.(22)

40. Het Hof heeft zich weliswaar reeds herhaaldelijk – en met inachtneming van de vereisten van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 – uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de bescherming van de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten dient te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat het Unierecht de procedures voor de beoordeling van het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding in beginsel niet harmoniseert. Deze procedures zijn krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten bijgevolg een zaak van de interne rechtsorde van die staten, op voorwaarde evenwel dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(23)

41. In die omstandigheden moet worden nagegaan of die bepalingen, gelezen in samenhang met het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel, de nationale rechter verplichten om ambtshalve te toetsen of een beding in de overdrachtsovereenkomst oneerlijk is als voorwaarde voor de vaststelling van de procesbevoegdheid van verzoekster in het hoofdgeding.

42. Wat ten eerste het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, staat het aan de nationale rechter om in het licht van de nationaalrechtelijke procedureregels na te gaan of dit beginsel in acht is genomen en daarbij rekening te houden met het voorwerp, de oorzaak en de wezenlijke kenmerken van de betrokken vorderingen.(24)

43. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden.(25)

44. Hieruit volgt dat wanneer de nationale rechter krachtens het nationale recht ambtshalve kan of moet toetsen of de bedingen in een overdrachtsovereenkomst waarop een verzoeker zich beroept om zijn procesbevoegdheid te onderbouwen in strijd zijn met nationale regels van openbare orde, hij overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel ook ambtshalve kan of moet beoordelen of die bedingen in strijd zijn met artikel 6 van richtlijn 93/13, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

45. In de onderhavige zaak bevat het prejudiciële verzoek geen informatie over de vraag of de rechter bij wie een vordering aanhangig is gemaakt door een vennootschap waaraan een consument zijn vordering heeft overgedragen, naar Pools recht ambtshalve kan of zelfs moet toetsen of een beding zoals het betrokken beding dat de vergoeding van de cessionaris betreft, in strijd is met nationale regels van openbare orde. Volgens de in het vorige punt van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak is het aan de verwijzende rechter om dat aspect na te gaan, teneinde te bepalen of hij op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel ambtshalve kan of zelfs moet onderzoeken of het betrokken beding oneerlijk is.(26)

46. Wat ten tweede het doeltreffendheidsbeginsel betreft, heeft het Hof geoordeeld dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.(27)

47. Wat de vordering in het hoofdgeding betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een ambtshalve toetsing van de overdrachtsovereenkomst door de nationale rechter mogelijkerwijs nadelige gevolgen zal hebben voor de consument en zal indruisen tegen diens autonomie om wel of niet de door richtlijn 93/13 geboden bescherming in te roepen. De verwijzende rechter wijst er met name op dat een vaststelling van het oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst kan leiden tot nietigverklaring van die overeenkomst. Deze nietigverklaring zou tot gevolg hebben dat de vordering in het hoofdgeding wordt afgewezen omdat Zwrotybankowe.pl geen procesbevoegdheid heeft, waardoor de consument zelfs niet een gedeelte van het bedrag van de vordering ontvangt.

48. Vooraf dient te worden opgemerkt dat blijkens de verwijzingsbeslissing de nadelige gevolgen van een vaststelling dat de overdrachtsovereenkomst oneerlijke bedingen bevat, berusten op de aanname van de nationale rechter dat die vaststelling tot de nietigheid van die overeenkomst zou leiden.

49. In dat verband mag niet worden vergeten dat volgens het laatste zinsdeel van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 „de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan”.(28)

50. Er zij aan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, en met name het laatste zinsdeel ervan, niet tot doel heeft om alle overeenkomsten die oneerlijke bedingen bevatten nietig te verklaren, maar om het formele evenwicht dat in de overeenkomst is vastgesteld tussen de rechten en verplichtingen van de contractsluitende partijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen hen kan herstellen, met dien verstande dat de betrokken overeenkomst in beginsel moet voortbestaan zonder andere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen. Mits aan deze laatste voorwaarde is voldaan, kan de betrokken overeenkomst krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 worden gehandhaafd voor zover volgens de regels van het nationale recht dit voortbestaan zonder de oneerlijke bedingen juridisch mogelijk is, hetgeen moet worden nagegaan aan de hand van een objectieve benadering.(29)

51. De verwijzende rechter dient op basis van die objectieve benadering en volgens de regels van het nationale recht uit te maken of het voortbestaan van de overdrachtsovereenkomst juridisch mogelijk is na een vaststelling dat een of meer bedingen ervan oneerlijk zijn.

52. Zoals de verwijzende rechter heeft uiteengezet, indien hij na een ambtshalve toetsing vaststelt dat een of meer contractuele bedingen oneerlijk zijn en dat de overdrachtsovereenkomst nietig is, kan deze uitkomst voor de consument bijzonder nadelige gevolgen hebben. In dat verband moet in gedachten worden gehouden dat de bevoegdheid van nationale rechters om potentieel oneerlijke bedingen ambtshalve te onderzoeken zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak om het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper te compenseren.(30) Het zou tegen die doelstelling indruisen indien die bevoegdheid het tegengestelde effect zou hebben en de consument juist zou bestraffen.

53. Bovendien heeft het Hof met betrekking tot de verplichting van de nationale rechter om oneerlijke bedingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn – indien nodig ambtshalve – te schrappen, gepreciseerd dat deze rechter niet verplicht is het betrokken beding buiten toepassing te laten indien de consument, na door die rechter te zijn voorgelicht, niet van plan is zich op het oneerlijke en niet-bindende karakter ervan te beroepen en dus vrijwillig en met kennis van zaken met het betrokken beding instemt.(31)

54. Richtlijn 93/13 gaat dus niet zo ver dat het systeem van bescherming tegen het gebruik van oneerlijke bedingen door verkopers ten behoeve van de consument verplicht wordt gesteld. Als de consument er de voorkeur aan geeft geen gebruik te maken van dit beschermingssysteem, wordt het dan ook niet toegepast.(32)

55. Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt, is de consument geen partij in het hoofdgeding en vormt de overdrachtsovereenkomst niet het voorwerp van dat geding. In de overdrachtsovereenkomst is Zwrotybankowe.pl zowel de cessionaris als de „verkoper” die de contractuele bedingen van de overdrachtsovereenkomst bepaalt. Aangezien de belangen van de twee partijen bij de overdrachtsovereenkomst tegengesteld zijn, kan het standpunt van de consument over het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen in de overdrachtsovereenkomst niet worden vervangen door het standpunt van de cessionaris.(33)

56. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen geopperd dat de nationale rechter kan onderzoeken of het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om de bedingen van de overdrachtsovereenkomst onder de loep te nemen in het kader van het hoofdgeding, of in een afzonderlijke procedure, die dan gepaard kan gaan met opschorting van het hoofdgeding. Zwrotybankowe.pl heeft aangevoerd dat in een procedure als die bij de verwijzende rechter de consument wordt opgeroepen als getuige. Zij betoogt dat de rechter in die context kan vaststellen of de consument zich ten volle bewust is van het voorwerp van de overdracht en de implicaties daarvan.

57. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan welke mogelijkheden de nationale wetgeving biedt om derden van de aanhangige procedure in kennis te stellen en of in die context de nationale rechter de consument kan informeren over het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst.

58. De toepassing van eventueel naar nationaal procesrecht bestaande mogelijkheden dat de consument van de aanhangige procedure in kennis wordt gesteld en dat de nationale rechter hem informeert over het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst, mag evenwel geen nadelige gevolgen hebben voor de consument. Zoals ik hierboven in essentie heb uiteengezet,(34) ligt aan de erkenning van de bevoegdheid van de rechter om oneerlijke bedingen ambtshalve te toetsen immers het streven ten grondslag om de consument te beschermen. Met name mag de consument niet worden verplicht om aan een gerechtelijke procedure deel te nemen en dient zijn autonomie in verband met de overdrachtsovereenkomst te worden geëerbiedigd. Evenmin mag de consument worden belet om in de toekomst tegen de cessionaris een gerechtelijke procedure in te stellen teneinde bedingen in de overdrachtsovereenkomst oneerlijk te doen verklaren.

59. Gelet op een en ander ben ik van mening dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter niet verplicht is om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van bedingen in een overdrachtsovereenkomst tussen een consument en een handelsvennootschap die de cessionaris is van de vordering van de consument jegens een verkoper met wie die consument een kredietovereenkomst had gesloten, in omstandigheden waarin, ten eerste, het bij de nationale rechter aanhangige geding geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst en, ten tweede, de handelsvennootschap waaraan de vordering van de consument is overgedragen die overdrachtsovereenkomst inroept als grondslag voor haar bevoegdheid om een vordering in te stellen tegen de verkoper die de oorspronkelijke wederpartij van de consument was. De toepassing van eventueel naar nationaal procesrecht bestaande mogelijkheden dat de consument van de aanhangige procedure in kennis wordt gesteld en dat de nationale rechter hem informeert over het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst, mag geen nadelige gevolgen hebben voor de consument.

V. Conclusie

60. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de tweede prejudiciële vraag van de Sąd Rejonowy dla Warszawy – Śródmieścia w Warszawie te beantwoorden als volgt:

„Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter niet verplicht is om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van bedingen in een overdrachtsovereenkomst tussen een consument en een handelsvennootschap die de cessionaris is van de vordering van de consument jegens een verkoper met wie die consument een kredietovereenkomst had gesloten, in omstandigheden waarin, ten eerste, het bij de nationale rechter aanhangige geding geen betrekking heeft op die overdrachtsovereenkomst en, ten tweede, de handelsvennootschap waaraan de vordering van de consument is overgedragen die overdrachtsovereenkomst inroept als grondslag voor haar bevoegdheid om een vordering in te stellen tegen de verkoper die de oorspronkelijke wederpartij van de consument was. De toepassing van eventueel naar nationaal procesrecht bestaande mogelijkheden dat de consument van de aanhangige procedure in kennis wordt gesteld en dat de nationale rechter hem informeert over het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in de overdrachtsovereenkomst, mag geen nadelige gevolgen hebben voor de consument.”