Home

Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 5 juni 2025

Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 5 juni 2025

Gegevens

Datum uitspraak
5 juni 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL

M. SZPUNAR

van 5 juni 2025 (1)

Zaak C161/24

OSA, z.s., voorheen OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním, z.s.

tegen

Úřad pro ochranu hospodářské soutěže

[verzoek van de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechische Republiek) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Machtspositie – Artikel 102 VWEU – Collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten – Tarieven voor de verlening van een licentie voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken – Accommodatieverstrekkende inrichtingen – Berekeningsmethode – Niet‑inaanmerkingneming van de bezetting van kamers – Onbillijke contractuele voorwaarden – Te hoge prijzen ”






I.      Inleiding

1.        Door de aard van hun activiteiten hebben organisaties voor het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten vaak feitelijk of rechtens een monopolie op de markten voor het verlenen van licenties voor het gebruik van verschillende categorieën beschermde werken.(2) Volgens het Hof komt deze situatie neer op een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU(3), hetgeen meebrengt dat het deze organisaties verboden is om misbruik te maken van deze positie.

2.        Om na te gaan of sprake is van dergelijk misbruik moet rekening worden gehouden met de bijzondere aard van de activiteiten van deze collectieve beheersorganisaties en in het bijzonder de specifieke aard van de rechten die zij beheren. De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak op dit gebied verder te ontwikkelen en te verfijnen.

3.        De kernvraag die het Hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden, is namelijk of een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten die een machtspositie inneemt bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen die zij van hotels ontvangt als tegenprestatie voor de verlening van een licentie om beschermde werken beschikbaar te stellen door middel van televisie‑ en radio‑ontvangers in de kamers, rekening moet houden met de daadwerkelijke bezetting van de kamers van die hotels, op straffe van inbreuk op artikel 102 VWEU wegens het opleggen van een onbillijke prijs.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

4.        Artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG(4) („Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”) bepaalt in lid 1 ervan het volgende:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

B.      Tsjechisch recht

5.        Artikel 23 van zákon č. 121/2000 Sb, o právu autorském, o právech souvisejících s právem autorským a o změně některých zákonů (autorský zákon) (wet nr. 121/2000 betreffende het auteursrecht, de naburige rechten en de wijziging van bepaalde wetten), in de versie die van kracht was tussen 19 mei 2008 en 6 november 2014, garandeerde auteurs het recht op een vergoeding voor het gebruik van hun werken die beschikbaar werden gesteld aan personen in hotelkamers door middel van apparatuur die technisch in staat is om radio‑ of televisie‑uitzendingen te ontvangen. Volgens dit artikel mocht deze vergoeding voor alle collectieve beheersorganisaties samen niet meer bedragen dan 50 % van het bij bijzondere wet vastgestelde bedrag van de vergoeding voor één apparaat.

6.        Artikel 11 van Zákon č. 143/2001 Sb., o ochraně hospodářské soutěže (wet nr. 143/2001 betreffende de bescherming van de mededinging) luidt, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, als volgt:

„Misbruik van een machtspositie ten nadele van andere concurrenten of consumenten is verboden. Dergelijk misbruik bestaat met name in:

a)       het direct of indirect opleggen van onbillijke voorwaarden in overeenkomsten met andere marktdeelnemers, in het bijzonder van een prestatie die ten tijde van de sluiting van de overeenkomst kennelijk onevenredig is in verhouding tot de tegenprestatie,

[...]”.

III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

7.        OSA z.s., voorheen OSA – Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním, z.s. (maatschappij voor de bescherming van het auteursrecht op muziekwerken, Tsjechië; hierna: „OSA”), is een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten in Tsjechië.

8.        Bij besluit van 18 december 2019 heeft de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (mededingingsautoriteit, Tsjechië) vastgesteld dat OSA in de periode van 19 mei 2008 tot en met 6 november 2014 in het kader van de verlening van licenties aan aanbieders van hoteldiensten in Tsjechië, zonder objectieve rechtvaardiging auteursrechtelijke vergoedingen heeft toegepast voor de weergave en uitvoering van muziekwerken, literaire, dramatische, dramatisch‑muzikale, choreografische, pantomimische en audiovisuele werken, alsmede werken van beeldende kunst en architectuur en het visuele deel van audiovisuele werken, waarbij bij de prijsstelling geen rekening is gehouden met de bezettingsgraad van de betrokken hotels. Met dit besluit heeft OSA van deze dienstverleners geëist dat zij vergoedingen betaalden, zelfs voor niet‑bezette kamers waarin geen gebruik was gemaakt van de ter beschikking gestelde werken.

9.        De Úřad pro ochranu hospodářské soutěže was van mening dat OSA door deze praktijk onbillijke handelsvoorwaarden had opgelegd op de nationale markt voor het verlenen van licenties voor het gebruik van auteursrechten op deze werken door middel van audio‑ en audiovisuele apparatuur voor de ontvangst van radio‑ of televisie‑uitzendingen. Zij heeft verklaard dat de betrokken praktijk misbruik van een machtspositie vormde, wat verboden is door artikel 102 VWEU en de overeenkomstige bepalingen van de Tsjechische mededingingswetgeving. Zij heeft OSA een geldboete ten bedrage van 10 676 000 Tsjechische kronen (CZK) (ongeveer 429 000 EUR) opgelegd en haar verboden om opnieuw op deze wijze te handelen.

10.      OSA heeft bij de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechië), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tegen het besluit van 23 november 2020 waarbij de voorzitter van de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže haar bezwaar tegen het besluit van 18 december 2019 heeft afgewezen.

11.      De verwijzende rechter zet uiteen dat tussen partijen vaststaat dat OSA in de Tsjechische Republiek een feitelijk monopolie heeft op het gebied van het collectieve beheer van auteursrechten In de in het hoofdgeding aan de orde zijnde inbreukperiode heeft zij aan hotels vergoedingen in rekening gebracht voor de mogelijkheid om gebruik te maken van televisie en radio in de hotelkamers, ongeacht of deze wel of niet bezet waren. Partijen verschillen echter van mening over de uitlegging van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip „misbruik van een machtspositie” en de toepassing ervan op de feiten van het hoofdgeding.

12.      Volgens OSA had de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže moeten nagaan of haar prijspraktijk kan worden beschouwd als het hanteren van te hoge prijzen in het licht van de criteria die het Hof in het arrest United Brands en United Brands Continentaal/Commissie(5) heeft geformuleerd en in de arresten Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra – Latvijas Autoru apvienība(6) en SABAM(7) in de specifieke context van collectieve beheersorganisaties heeft toegepast.

13.      De verwijzende rechter is evenwel van mening dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of het feit dat bij de prijsstelling van vergoedingen voor auteursrechten de bezettingsgraad van hotelkamers niet in aanmerking wordt genomen, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU kan opleveren.

14.      In de eerste plaats heeft deze rechter, kort gezegd, twijfels over de stelling van OSA dat het hoofdgeding kan worden beslecht door toepassing van de door het Hof in het arrest SABAM geformuleerde beginselen. Volgens hem is OSA van mening dat het Hof zich in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, eveneens heeft moeten buigen over een berekeningsmethode die de betaling omvatte van auteursrechtelijke vergoedingen voor werken die weliswaar beschikbaar waren gesteld, maar in het kader van een festival niet waren uitgevoerd. Volgens OSA kan het inderdaad onredelijk zijn om betaling van vergoedingen voor een festival te eisen ook al is geen enkel werk uit het repertoire van de auteursrechtenorganisatie ter beschikking van het festivalpubliek gesteld. Volgens haar is het evenwel redelijk om betaling van een jaarlijkse vergoeding te eisen voor een dergelijke terbeschikkingstelling in hotels, ongeacht de bezettingsgraad van het hotel, behalve voor kamers die gedurende het hele betrokken jaar onbezet zijn gebleven.

15.      In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter er tevens op dat het Hof geen concrete criteria lijkt te hebben geformuleerd waarmee kan worden nagegaan of het feit dat de bezettingsgraad van kamers bij de berekening van de vergoeding niet in aanmerking wordt genomen in het licht van artikel 102 VWEU moet worden beschouwd als het hanteren van te hoge prijzen, zoals OSA stelt, dan wel als een praktijk waarbij „onbillijke contractuele voorwaarden” in de zin van die bepaling worden opgelegd, zoals de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže stelt.

16.      Zelfs indien deze tweede hypothese juist is, moet volgens de verwijzende rechter nog worden nagegaan aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of een contractuele voorwaarde onbillijk is. Dienaangaande is OSA van mening dat aan drie cumulatieve criteria moet zijn voldaan, namelijk dat deze voorwaarde a) geen verband houdt met het doel van de overeenkomst of niet noodzakelijk is om het verwachte effect ervan te waarborgen, b) schade berokkent aan de wederpartij bij de overeenkomst en c) noch passend, noch billijk is. De Úřad pro ochranu hospodářské soutěže wijst er daarentegen op dat noch de Europese Commissie, noch de Unierechter deze criteria heeft toegepast en dat het in dit geval voldoende was om na te gaan of de betrokken contractuele voorwaarde gerechtvaardigd en evenredig was.

17.      Evenzo is de verwijzende rechter van oordeel dat, indien de eerste veronderstelling wordt aanvaard, nog moet worden nagegaan of het prijsbeleid van OSA kan worden geacht in strijd te zijn met artikel 102 VWEU, voor zover daarbij te hoge prijzen worden opgelegd. De uitlegging van het Hof zou verduidelijken of, en hoe, de uit het arrest United Brands afgeleide criteria in de context van de onderhavige zaak kunnen worden toegepast.

18.      In deze omstandigheden heeft de Krajský soud v Brně de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Kan artikel 102, [tweede alinea,] onder a), [VWEU] aldus worden uitgelegd dat sprake is van misbruik van een machtspositie in de zin van dat artikel wanneer een collectieve beheersorganisatie met een feitelijk monopolie in een lidstaat aan accommodatieverstrekkende inrichtingen vergoedingen in rekening brengt voor de verlening van licenties voor de mededeling van auteursrechtelijk beschermde werken met behulp van televisie‑ en radio‑ontvangers die zijn opgesteld in kamers waarin op particuliere basis gasten kunnen worden ondergebracht, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de vraag of deze kamers daadwerkelijk worden gebruikt?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet een dergelijke praktijk worden beoordeeld vanuit het oogpunt van a) de toepassing van onbillijke contractuele voorwaarden of b) het hanteren van te hoge prijzen?

a)      Indien de relevante norm wordt gevormd door de toepassing van onbillijke contractuele voorwaarden: welke specifieke toets moet worden verricht om dat te beoordelen?

b)      Indien de relevante norm wordt gevormd door het hanteren van te hoge prijzen: welke specifieke toets moet worden verricht om dat te beoordelen, de algemene ‚United Brands‑toets’ of een specifieke gewijzigde versie daarvan?

3)      Moet ten bewijze van het feit dat in het kader van de in de eerste vraag bedoelde gedraging inbreuk is gemaakt op artikel 102, [tweede alinea,] onder a), [VWEU] worden aangetoond dat sprake is van daadwerkelijke of potentiële nadelige gevolgen voor de mededinging (met inbegrip van gevolgen voor het welzijn van de consumenten en uitbuitingseffecten van het optreden van de entiteit met een machtspositie)?

4)      Moet ten bewijze van het feit dat in het kader van de in de eerste vraag bedoelde gedraging inbreuk is gemaakt op artikel 102, [tweede alinea,] onder a), [VWEU] worden aangetoond dat deze gedraging de handel tussen de lidstaten wezenlijk ongunstig beïnvloedt of volstaat de gegronde veronderstelling dat een dergelijke beïnvloeding zich kan voordoen, zonder dat de daadwerkelijke omvang daarvan hoeft te worden onderzocht?”

19.      OSA, de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže, de Spaanse en de Franse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

20.      Deze partijen hebben eveneens deelgenomen aan de terechtzitting van 13 maart 2025.

21.      Overeenkomstig het verzoek van het Hof beperkt deze conclusie zich tot het onderzoek van de eerste twee vragen.

IV.    Analyse

22.      Met zijn eerste twee vragen – die mijns inziens tezamen moeten worden onderzocht – wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of artikel 102 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een auteursrechtenorganisatie met een machtspositie die geen rekening houdt met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen die zij ontvangt als tegenprestatie voor de verlening van een licentie voor de beschikbaarstelling van auteursrechtelijk beschermde werken door middel van radio‑ en televisieontvangers die zijn geïnstalleerd in kamers bestemd voor particuliere logiesverstrekking aan gasten, hetzij te hoge prijzen rekent, hetzij andere onbillijke contractuele voorwaarden oplegt.

23.      Ik breng in herinnering dat het hoofdgeding voortvloeit uit een besluit van de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže waarbij aan OSA een geldboete is opgelegd op grond dat zij misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie door bij de vaststelling van de hoogte van haar vergoedingen geen rekening te houden met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels. Meer in het bijzonder was de mededingingsautoriteit van mening dat OSA aldus vergoedingen had opgelegd voor een dienst die niet was verricht, aangezien in de niet‑bezette kamers van deze hotels geen auteursrechtelijk beschermde werken aan het publiek waren meegedeeld.

24.      In het licht van de rechtspraak van het Hof inzake het begrip „mededeling aan het publiek” ben ik evenwel van mening dat een dergelijke overweging onjuist is en derhalve niet de grondslag kan vormen voor de slotsom van de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže dat OSA misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie doordat zij bij de vaststelling van de hoogte van haar vergoedingen geen rekening heeft gehouden met de daadwerkelijke bezettingsgraad van de hotelkamers (A).

25.      Voorts moet nog worden nagegaan of deze niet‑inaanmerkingneming niettemin van enig belang kan zijn, en zo ja, in welke mate, gelet op de analyse van de wijze waarop de door OSA aan de hotels berekende vergoedingen worden vastgesteld in het licht van artikel 102 VWEU, een onderzoek dat ik in het tweede deel van mijn analyse zal verrichten (B).

A.      Irrelevantie van de bezetting van een hotelkamer bij de beoordeling van de mededeling van een werk aan het publiek en de gevolgen daarvan voor de kwalificatie als „misbruik van een machtspositie”

26.      Volgens de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže heeft OSA misbruik gemaakt van haar machtspositie door zonder tegenprestatie vergoedingen te innen, aangezien in niet‑bezette hotelkamers geen beschermde werken aan het publiek zijn meegedeeld.

27.      Zoals OSA en de Commissie betogen, is een dergelijke beoordeling echter niet in overeenstemming met het begrip „mededeling aan het publiek” van beschermde werken in de zin van richtlijn 2001/29, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof.

28.      Dienaangaande breng ik in herinnering dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 de auteurs het recht – van preventieve aard – verleent om elke mededeling van hun werken aan het publiek toe te staan of te verbieden. Auteurs kunnen op die manier met name inkomsten genereren uit de exploitatie van hun werken in de vorm van de mededeling aan het publiek.(8)

29.      Zoals de Commissie opmerkt, is het begrip „mededeling van werken aan het publiek” een autonoom begrip in het Unierecht. Hoewel het niet wordt gedefinieerd in de bepalingen van richtlijn 2001/29 zelf, staat in overweging 23 van deze richtlijn te lezen dat het begrip „mededeling aan het publiek” elke mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Het recht op mededeling aan het publiek strekt zich uit tot elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Overweging 27 van deze richtlijn voegt hieraan toe dat de beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten op zich geen mededeling aan het publiek is.

30.      Voorts bestaat over het begrip „mededeling aan het publiek” uitgebreide rechtspraak. Zo heeft het Hof ondubbelzinnig geoordeeld dat er sprake is van mededeling aan het publiek wanneer een hotel zijn gasten toegang verleent tot beschermde werken door televisietoestellen in de kamers te plaatsen en door middel van deze toestellen het televisiesignaal door te geven dat door de centrale antenne wordt opgevangen.(9) In die omstandigheden bestaat er mijns inziens geen twijfel over dat het feit dat de hotels in het hoofdgeding televisie‑ of radiotoestellen in hun kamers hebben geplaatst en het signaal verspreiden een mededeling aan het publiek vormt. Daarbij doet het niet ter zake of alle kamers van het hotel bezet waren.

31.      De Úřad pro ochranu hospodářské soutěže betoogt dat het betrokken publiek in feite niet de gasten van het hotel als geheel zijn, maar de gasten van elke kamer afzonderlijk. Aangezien het begrip „mededeling aan het publiek” niet alleen een handeling van mededeling van een beschermd werk veronderstelt, maar ook een publiek voor wie die mededeling is bestemd(10), volgt hieruit dat wanneer een kamer in een hotel onbezet blijft, er geen publiek is aan wie het beschermde werk wordt meegedeeld.

32.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het publiek waarvoor een mededeling bestemd is, bestaan uit een potentieel onbepaald maar vrij groot aantal personen, wat een de‑minimisdrempel inhoudt, waardoor een te kleine of zelfs onbeduidende groep van betrokken personen niet onder dit begrip valt.(11) Het Hof heeft voorts verklaard dat rekening moet worden gehouden met de cumulatieve gevolgen van de beschikbaarstelling van de beschermde werken aan de ontvangers, niet alleen tegelijk maar ook achtereenvolgens.(12)

33.      Wat meer in bijzonder de klanten van een hotel betreft, heeft het Hof verklaard dat een globale benadering noodzakelijk is, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met klanten die in de kamers van het hotel logeren, maar ook met klanten die in elke andere ruimte ervan aanwezig zijn en naar een aldaar geplaatst televisietoestel kunnen kijken. Verder moet ook in aanmerking worden genomen dat de klanten van een dergelijke zaak elkaar gewoonlijk snel opvolgen. Het gaat in de regel om een vrij groot aantal personen, zodat deze personen als een publiek moeten worden aangemerkt.(13)

34.      Met andere woorden, het publiek waarvoor de mededeling bestemd is die bestaat uit het installeren door hotels van televisie‑ en radio‑ontvangers in hun kamers zijn niet de gasten in elke kamer afzonderlijk maar is de klantenkring van het hotel als geheel.

35.      Ook wanneer een dergelijke opsplitsing van de klanten van een hotel kan worden aanvaard om te bepalen of er sprake is van een publiek in de zin van het begrip „mededeling aan het publiek”, moet rekening worden gehouden met de cumulatieve gevolgen die voortvloeien uit de terbeschikkingstelling van beschermde werken aan opeenvolgende ontvangers, zoals het Hof heeft geoordeeld. Zoals het Hof heeft opgemerkt, volgen klanten in hotels elkaar gewoonlijk snel op, zodat zelfs in een dergelijke configuratie het aantal opeenvolgende gasten voldoende groot is om een publiek te vormen in de zin van het begrip „mededeling aan het publiek”.

36.      Tot slot volgt uit de rechtspraak van het Hof dat om te kunnen spreken van een „mededeling aan het publiek” het niet van beslissend belang is dat de gasten die het radio‑ of televisietoestel niet hebben aangezet, zoals in het hoofdgeding, niet daadwerkelijk toegang tot de werken hebben gehad.(14) Evenzo is het voor de vaststelling dat sprake is van een dergelijke mededeling niet doorslaggevend of elke kamer van het betrokken hotel daadwerkelijk bezet was. Met andere woorden, het publiek voor wie de mededeling van de beschermde werken bestemd is, is wel degelijk de klantenkring van het hotel in zijn geheel, zonder dat de daadwerkelijke bezetting van de kamers in die accommodatie daarbij enige rol speelt.

37.      Hieruit volgt dat het feit dat een hotel televisie‑ en radio‑ontvangers installeert in kamers die bestemd zijn voor de onderbrenging van gasten en door middel hiervan het signaal doorgeeft, anders dan de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže stelt, wel degelijk een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29 vormt. De verlening door OSA van de licentie voor deze mededeling aan het publiek vormde een dienst die door deze organisatie aan hotels werd verleend. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een vergoeding voor een niet‑bestaande dienst.

38.      Voorts kon de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže haar bevinding dat OSA misbruik heeft gemaakt van een machtspositie, niet uitsluitend baseren op het feit dat zij betaling van vergoedingen had geëist in afwezigheid van een mededeling aan het publiek van beschermde werken door geen rekening te houden met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels, aangezien een dergelijke mededeling aan het publiek zelfs plaatsvindt zonder daadwerkelijke bezetting van een individuele kamer.

39.      Op basis van deze slotsom, volgens welke de niet‑inaanmerkingneming van de werkelijke bezettingsgraad van hotels bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen door OSA op zich geen misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU kan vormen, kon echter niet worden bepaald of deze niet‑inaanmerkingneming niettemin gevolgen kan hebben voor de meer algemene analyse van een mogelijk misbruik van een machtspositie, die het voorwerp van het tweede deel van mijn analyse zal vormen.

B.      Irrelevantie van de daadwerkelijke bezettingsgraad van een hotel voor de vaststelling van mogelijk misbruik van machtspositie bij de vaststelling van vergoedingen door een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten

1.      Praktijk die valt onder het verbod van onbillijke prijzen

40.      In artikel 102, tweede alinea, VWEU worden verschillende praktijken genoemd die misbruik van een machtspositie kunnen inhouden, waaronder het opleggen van onbillijke prijzen of onbillijke contractuele voorwaarden. De Úřad pro ochranu hospodářské soutěže en OSA verschillen van mening wat betreft de vraag of het vaststellen van het bedrag van vergoedingen door een auteursrechtenorganisatie moet worden gezien als een praktijk met betrekking tot het opleggen van onbillijke prijzen of als het opleggen van andere onbillijke contractuele voorwaarden, met dien verstande dat de analyse van de praktijk verschilt naargelang deze indeling.

41.      In navolging van OSA, de Commissie en de Franse regering lijkt het mij duidelijk dat de praktijk waar het in casu om gaat betrekking heeft op de prijzen die de OSA als auteursrechtenorganisatie berekent aan hotels in ruil voor de verlening van een licentie voor de terbeschikkingstelling van auteursrechtelijk beschermde werken door middel van televisie‑ en radio‑ontvangers die in de kamers van die hotels zijn geïnstalleerd.

42.      Het door de Úřad pro ochranu hospodářské soutěže aangevoerde feit dat de methode voor het vaststellen van de hoogte van deze vergoedingen in 2008 eenzijdig door OSA is gewijzigd, doet niet af aan deze slotsom, aangezien de wijziging van de contractuele voorwaarden altijd betrekking heeft gehad op de door OSA gehanteerde prijzen.

43.      De betrokken praktijk moet derhalve worden beoordeeld in het licht van de rechtspraak inzake onbillijke prijzen, in de specifieke context van licentieverlening door auteursrechtenorganisaties.

2.      Rechtspraak inzake onbillijke prijzen in het kader van de vaststelling van vergoedingen door collectieve beheersorganisaties

44.      Zoals de verwijzende rechter opmerkt, heeft het Hof in zijn arrest United Brands een prijs als „te hoog” in de zin van artikel 102 VWEU aangemerkt wanneer die „niet in een redelijke verhouding staat tot de economische waarde van de geleverde prestatie”.(15) Om te bepalen of er sprake is van een dergelijke te hoge prijs, heeft het Hof in dat arrest een uit twee stappen bestaande toets vastgesteld, die inhoudt dat wordt nagegaan of er een al te grote disproportie bestaat tussen de werkelijk gemaakte kosten en de werkelijk gevraagde prijs en zo ja, of er sprake is van het opleggen van een onbillijke prijs, zowel absoluut gezien als in vergelijking met de concurrerende producten.(16)

45.      De vaste definitie van „te hoge prijzen” sinds het arrest United Brands is ook van toepassing op de praktijken van auteursrechtenorganisaties bij het vaststellen van de hoogte van vergoedingen.(17)

46.      Zoals het Hof heeft verklaard, gaat het er in een dergelijke context namelijk om na te gaan of de door de collectieve beheerorganisatie met een machtspositie gevraagde vergoedingen in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de door hen geleverde prestatie, namelijk het ter beschikking van de gebruikers stellen van het gehele door hen beheerde repertoire van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken.(18)

47.      Dat is voor het Hof echter niet het enige criterium om aan te tonen dat een prijs te hoog is. Het erkent namelijk ondubbelzinnig dat er ook andere methoden bestaan om te bepalen of een prijs te hoog is.(19) Wat in het bijzonder de door collectieve beheerorganisaties opgelegde vergoedingen betreft, kunnen die methoden met name gebaseerd zijn op een vergelijking tussen de prijs waarvan de billijkheid wordt betwist en bepaalde referentie‑indexen, zoals de prijzen die de onderneming met een machtspositie in het verleden voor dezelfde diensten op dezelfde relevante markt heeft gehanteerd, de prijzen die deze onderneming heeft gehanteerd voor andere diensten en de prijzen die door andere ondernemingen voor dezelfde dienst of vergelijkbare diensten op andere nationale markten worden gehanteerd, op voorwaarde evenwel dat er op homogene grondslag wordt vergeleken.(20)

48.      Met andere woorden, er is niet één enkele methode om te bepalen of door auteursrechtenorganisaties vastgestelde vergoedingen te hoog zijn, aangezien de keuze van de geschiktste analysemethode en, meer algemeen, de beoordeling of prijzen te hoog zijn, afhankelijk is van het specifieke geval.

49.      Het is dus vaste rechtspraak dat het aan de nationale rechter staat om in het licht van het concrete geval en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval te bepalen of die vergoedingen buitensporig hoog zijn.(21)

50.      Het Hof heeft verklaard dat de nationale rechter in het kader van dat onderzoek en de betrokken context in aanmerking nemend rekening dient te houden met de bijzondere aard van auteursrechten en dient te zoeken naar een passend evenwicht tussen het belang van de auteurs van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken om een vergoeding te ontvangen voor het gebruik van die werken en het belang van de gebruikers om die werken onder redelijke voorwaarden te kunnen gebruiken.(22)

51.      Om na te gaan of de hoogte van de door de collectieve beheerorganisatie opgelegde tarieven billijk is, zowel uit het oogpunt van het recht van de auteurs op een passende vergoeding als uit het oogpunt van de legitieme belangen van de gebruikers, moet daarom met name niet alleen rekening worden gehouden met de economische waarde van het collectieve beheer als zodanig, maar ook met de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken, alsmede met de economische waarde die door dit gebruik wordt gegenereerd.(23)

52.      Die waarde hangt, volgens de rechtspraak van het Hof, met name af van het daadwerkelijke aantal personen dat gebruikmaakt van de beschermde werken en van het belang van het gebruik van de muziekwerken voor de begunstigden van een licentie.(24)

53.      Met andere woorden, bij de door een collectieve beheerorganisatie opgelegde vergoeding moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde muziekwerken die werkelijk is gebruikt(25), met dien verstande dat de vaststelling van het bedrag van die vergoeding – waarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid daadwerkelijk uitgevoerde muziekwerken – niettemin misbruik kan opleveren indien er een andere methode bestaat waarmee het gebruik van deze werken nauwkeuriger kan worden geïdentificeerd.(26)

54.      Ik stel evenwel vast dat het Hof een zekere mate van evenredigheid heeft ingevoerd met betrekking tot het vereiste om voor de vaststelling van het bedrag van een vergoeding rekening te houden met de hoeveelheid daadwerkelijk gebruikte werken, die te wijten is aan de bijzondere aard van het auteursrecht en van de activiteiten van auteursrechtenorganisaties. Het loutere bestaan van een alternatieve methode waarmee de gebruikte werken nauwkeuriger kunnen worden gekwantificeerd, is op zich namelijk geen aanwijzing dat de vergoeding te hoog is. Deze alternatieve methode moet ook hetzelfde rechtmatige doel bereiken, te weten de bescherming van de belangen van de auteurs, zonder dat de kosten van het beheer van de overeenkomsten en van het toezicht op het gebruik van de auteursrechtelijk beschermde muziekwerken evenwel onevenredig toenemen.(27)

55.      In het licht van deze overwegingen moet worden nagegaan of het feit dat een auteursrechtenorganisatie geen rekening houdt met de werkelijke bezettingsgraad van hotels bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen die worden geïnd als tegenprestatie voor de verlening van een licentie voor het ter beschikking stellen van auteursrechtelijk beschermde werken door middel van televisie‑ en radio‑ontvangers die zijn geïnstalleerd in kamers bestemd voor de particuliere onderbrenging van gasten, een relevante factor vormt om te bepalen of misbruik wordt gemaakt van een machtspositie door onbillijke prijzen op te leggen.

56.      Met andere woorden, zoals de Commissie en de Franse regering benadrukken, is de vraag of de methode voor de berekening van het bedrag van de vergoedingen waarbij geen rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke bezettingsgraad van de kamers, maar een forfaitaire benadering wordt gehanteerd, misbruik van een machtspositie kan opleveren omdat zij zou leiden tot het opleggen van onbillijke prijzen.

57.      In dat verband staat het uiteindelijk uitsluitend aan de verwijzende rechter om een dergelijk onderzoek te verrichten, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval.(28)

58.      Zoals de Commissie en de Franse regering opmerken, is de installatie van televisie‑ en radio‑ontvangers in hotelkamers en de doorgifte van het signaal waarmee beschermde werken aan de klanten ter beschikking kunnen worden gesteld, een bijkomende dienst bij de hoofdactiviteit van de hotels, namelijk de particuliere onderbrenging van gasten. Het is een aanvullende dienst die door hotels wordt aangeboden en die van invloed is op het aanzien van hotels en dus op de prijs van kamers.(29) De toestellen worden dus geïnstalleerd met het doel om hiermee een zeker voordeel te behalen.

59.      Bijgevolg kan niet worden ontkend dat het gebruik door hotels van beschermde werken uit het repertoire van de collectieve beheersorganisatie een bepaalde economische waarde genereert.

60.      Zoals ik reeds heb benadrukt blijkt uit de rechtspraak van het Hof bovendien duidelijk dat de waarde van dat gebruik in het economisch verkeer onder meer afhangt van de hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde werken die daadwerkelijk wordt gebruikt.

61.      In tegenstelling tot wat de Commissie en OSA beweren, geloof ik echter niet dat het bepalen van de hoeveelheid daadwerkelijk gebruikte werken nauwkeuriger wordt, of zelfs mogelijk wordt, door rekening te houden met de feitelijke bezettingsgraad van hotelkamers.

62.      Zoals ik in punt 36 van deze conclusie heb uiteengezet, moeten de beschermde werken namelijk worden geacht aan het publiek te zijn meegedeeld wanneer hotels televisie‑ en radio‑ontvangers installeren in kamers die bestemd zijn voor de onderbrenging van de gasten en het signaal doorgeven, zonder dat in dat verband relevant is dat de gasten daadwerkelijk toegang tot de werken hebben gehad.

63.      Met andere woorden, de hoeveelheid werken die daadwerkelijk wordt gebruikt, waarvan de economische waarde van het gebruik afhangt, is niet afhankelijk van de hoeveelheid bekeken of beluisterde werken, maar van de hoeveelheid verspreide werken, dat wil zeggen de hoeveelheid werken die wordt doorgegeven aan het relevante publiek.

64.      Door bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen rekening te houden met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels kan het gebruik van beschermde werken dus niet nauwkeurig worden gekwantificeerd en geïdentificeerd.

65.      Dat is echter anders voor bijvoorbeeld de inaanmerkingneming van het aantal televisiekanalen of radiofrequenties dat door hotels ter beschikking van de gasten wordt gesteld, of voor het aantal kamers waarin televisie‑ of radio‑ontvangers ter beschikking worden gesteld bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen. Deze twee factoren lijken mij geschikt om een nauwkeurig beeld te geven van de hoeveelheid daadwerkelijk gebruikte beschermde werken en dus om het bedrag van de vergoedingen te kunnen aanpassen. Het staat dus aan de verwijzende rechter om, in het licht van het concrete geval dat hem is voorgelegd, na te gaan of de door OSA gebruikte methode voor de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen met name met deze factoren rekening houdt.

66.      Bijgevolg ben ik van mening dat het feit dat een auteursrechtenorganisatie geen rekening houdt met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen die worden ontvangen als tegenprestatie voor de verlening van een licentie voor de beschikbaarstelling van auteursrechtelijk beschermde werken door middel van radio‑ en televisieontvangers die zijn geïnstalleerd in kamers bestemd voor de particuliere onderbrenging van gasten, in het licht van alle relevante omstandigheden van de onderhavige zaak, niet kan worden beschouwd als een relevante factor voor de vaststelling van misbruik van een machtspositie bestaande in het opleggen van onbillijke prijzen in de zin van artikel 102 VWEU, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

V.      Conclusie

67.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste en de tweede prejudiciële vraag van de Krajský soud v Brně te beantwoorden als volgt:

„Artikel 102 VWEU

moet aldus worden uitgelegd dat

het feit dat een auteursrechtenorganisatie met een machtspositie geen rekening houdt met de daadwerkelijke bezettingsgraad van hotels bij de vaststelling van het bedrag van de vergoedingen die worden ontvangen als tegenprestatie voor de verlening van een licentie voor de beschikbaarstelling van auteursrechtelijk beschermde werken door middel van radio‑ en televisieontvangers die zijn geïnstalleerd in kamers bestemd voor de particuliere onderbrenging van gasten op zichzelf geen misbruik van een machtspositie vormt en niet kan worden beschouwd als een relevante factor voor de vaststelling van misbruik van een machtspositie bestaande in het opleggen van onbillijke prijzen.”