Home

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 19 juni 2025

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 19 juni 2025

Gegevens

Datum uitspraak
19 juni 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. MEDINA

van 19 juni 2025 (1)

Zaak C338/24

LF

tegen

Sanofi Pasteur SA

[verzoek van de cour d’appel de Rouen (rechter in tweede aanleg Rouen, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 85/374/EEG – Bescherming van de consument – Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Artikel 13 – Verhouding tot de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling – Niet-inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product – Artikel 11 – Verjaringstermijn van tien jaar – Verstrijking van de verjaringstermijn – Complexe en progressieve pathologie – Recht op toegang tot de rechter – Artikel 10 – Verjaringstermijn van drie jaar – Tijdstip waarop de verjaringstermijn aanvangt – Vaststelling van een consolidatiedatum ”






I.      Inleiding

1.        Er zijn veertig jaar verstreken sinds richtlijn 85/374/EEG(2) een stelsel van risicoaansprakelijkheid voor producten met gebreken heeft ingevoerd. Deze richtlijn is een van de vroegste en waarschijnlijk meest duurzame(3) harmonisatiepogingen op het gebied van het Europese privaatrecht en met name van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad(4). Het gebied waarop deze richtlijn is vastgesteld, vormt de „kern” van het verbintenissenrecht.(5) Het gevoelige karakter van deze vaststelling wordt nog versterkt door het feit dat richtlijn 85/374 voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie nastreeft(6), waardoor de aan de lidstaten gelaten beoordelingsmarge wordt beperkt. Het is dus niet verbazingwekkend dat een groot deel van de aan het Hof voorgelegde vragen over die richtlijn betrekking heeft op wat terecht als „verborgen gebreken van de Europese harmonisatie” is gekenmerkt.(7)

2.        Richtlijn 85/374 beoogt een complex evenwicht te bereiken tussen de uiteenlopende belangen die spelen: de belangen van consumenten en producenten, technologische vooruitgang en productveiligheid. Hoewel het doel ervan de marktintegratie is, heeft zij belangrijke gevolgen voor de mens wanneer consumenten lichamelijk letsel hebben geleden dat aan een gebrekkig product wordt toegeschreven. De onderhavige zaak heeft in het bijzonder betrekking op de uitzonderlijke situatie van gelaedeerden met een progressieve pathologie die aan vaccinatie wordt toegeschreven. Het Hof wordt verzocht om ten aanzien van deze personen te beoordelen of de toepassing van de in die richtlijn gestelde termijn van tien jaar voor het instellen van een schadevordering verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

II.    Toepasselijke bepalingen

3.        Artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 luidt als volgt:

„De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de vordering tot schadevergoeding uit hoofde van deze richtlijn na drie jaar verjaart. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent.”

4.        Artikel 11 van die richtlijn heeft de volgende bewoordingen:

„De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de rechten die de gelaedeerde aan deze richtlijn ontleent, komen te vervallen na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure tegen hem heeft ingesteld.”

III. Voorgeschiedenis van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

5.        Op 20 maart 2003 werd LF gevaccineerd met Revaxis, een vaccin tegen difterie, tetanus en poliomyelitis dat wordt geproduceerd door het laboratorium Sanofi Pasteur.

6.        LF verklaart dat zij vanaf 2004 diverse symptomen, infecties en pijn heeft gehad (spijsvertering, keel, schouders, armen, handen, nekpijn, urineweginfecties, pijn in de onderrug en haaruitval) en dat zij zich vanaf december 2005 herhaaldelijk ziek moest melden op haar werk.

7.        Zij heeft verschillende medische onderzoeken ondergaan, waaronder een spierbiopsie van haar linkerdeltaspier op 31 maart 2008, waarbij macrofagische myofasciitis werd aangetoond die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van aluminiumhydroxide, een adjuvans dat in bepaalde vaccins wordt gebruikt. Van 2 tot en met 5 april 2013 werd zij in het ziekenhuis opgenomen voor deze macrofagische myofasciitis.

8.        Op 2 juni 2015 heeft LF de zaak voorgelegd aan de commission de conciliation et d’indemnisation des accidents médicaux (commissie voor bemiddeling en schadeloosstelling bij medische incidenten; hierna: „CCI”), die een deskundigenonderzoek heeft gelast.

9.        In het deskundigenrapport werd vastgesteld dat de toestand van LF op 20 september 2016 was geconsolideerd en dat niet kon worden geconcludeerd dat de pathologie waaraan LF leed, was veroorzaakt door de vaccinatie met Revaxis. Op 11 januari 2017 heeft de CCI haar verzoek afgewezen.

10.      Op 17 en 23 juni 2020 heeft LF drie verschillende verweerders, waaronder Sanofi Pasteur, gedaagd voor de tribunal judiciaire d’Alençon (rechter in eerste aanleg Alençon, Frankrijk) teneinde vergoeding te verkrijgen van de schade die zij ten gevolge van deze vaccinatie heeft geleden. Zij baseerde zich zowel op aansprakelijkheid voor gebrekkige producten als op schuldaansprakelijkheid.

11.      Bij beschikking van 10 juni 2021 heeft de rolrechter van de tribunal judiciaire d’Alençon geoordeeld dat de vordering van LF tegen Sanofi Pasteur verjaard was en haar vorderingen afgewezen.

12.      Op 30 juni 2021 heeft LF hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Bij arrest van 31 mei 2022 heeft de cour d’appel de Caen (rechter in tweede aanleg Caen, Frankrijk) de bestreden beschikking in hoofdzaak bekrachtigd en de vorderingen van LF op grond van aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en schuldaansprakelijkheid niet-ontvankelijk verklaard.

13.      Bij arrest van 5 juli 2023 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) het arrest van de cour d’appel de Caen in hoofdzaak vernietigd en de zaak verwezen naar de cour d’appel de Rouen (rechter in tweede aanleg Rouen, Frankrijk), de verwijzende rechter.

14.      De Cour de cassation heeft in wezen geoordeeld dat artikel 1245‑16 van de code civil (burgerlijk wetboek) (waarbij artikel 10 van richtlijn 85/374 is omgezet) aldus moet worden uitgelegd dat in geval van lichamelijk letsel de datum waarop de eiser kennis krijgt van de schade, de datum is waarop de schade is geconsolideerd. Pas op de datum waarop de schade is geconsolideerd kan de eiser de omvang van zijn schade beoordelen. In het geval van een progressieve pathologie waarbij het onmogelijk is een consolidatiedatum vast te stellen, begint de in die bepaling vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar niet te lopen.

15.      Op 18 september 2023 heeft LF de zaak aanhangig gemaakt bij de verwijzende rechter.

16.      De verwijzende rechter merkt op dat de onderhavige zaak verschillende uitleggingsvragen met betrekking tot richtlijn 85/374 doet rijzen. Ten eerste is de verhouding tussen de aansprakelijkheidsregeling voor gebrekkige producten en de schuldaansprakelijkheidsregeling aan de orde. In het bijzonder gaat het om de vraag of de eiser een op schuldaansprakelijkheid gebaseerde vordering kan instellen op een van de volgende gronden: de producent heeft het product in het verkeer gehouden, de producent heeft de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet in acht genomen of, meer in het algemeen, het product vertoont een veiligheidsgebrek.

17.      Wat ten tweede de aansprakelijkheidsregeling voor gebrekkige producten betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of de in artikel 11 van richtlijn 85/374 vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar voor het instellen van een vordering afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter in een situatie waarin het slachtoffer aan een progressieve pathologie lijdt.

18.      Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af hoe de in artikel 10 van richtlijn 85/374 gestelde beroepstermijn van drie jaar moet worden uitgelegd. In het bijzonder vraagt hij zich af of de datum waarop deze termijn begint te lopen in het geval van een complexe progressieve pathologie, zoals die van LF, de datum kan zijn waarop de pathologie in kwestie is geconsolideerd.

19.      Daarop heeft de cour d’appel de Rouen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 13 van richtlijn [85/374], zoals uitgelegd in het arrest van 25 april 2002[, González Sánchez, C‑183/00, EU:C:2002:255 (hierna: ‚arrest González Sánchez’)], volgens hetwelk de gelaedeerde zich kan beroepen op andere contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen die op een andere grondslag berusten dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld, aldus worden uitgelegd dat de gelaedeerde van een gebrekkig product op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling vergoeding van zijn schade kan vorderen van de producent door zich met name te beroepen op het feit dat het product in het verkeer is gehouden, dat de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet in acht is genomen of, meer in het algemeen, dat er sprake is van een veiligheidsgebrek van het product?

2)      Is artikel 11 van richtlijn [85/374], volgens hetwelk de rechten die de gelaedeerde aan de richtlijn ontleent, komen te vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar, die begint te lopen op de dag waarop het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer is gebracht, in strijd met artikel 47 van het [Handvest], aangezien hierdoor een gelaedeerde die progressieve schade heeft geleden als gevolg van een gebrekkig product, het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen?

3)      Kan artikel 10 van richtlijn [85/374], waarin is bepaald dat de verjaringstermijn van drie jaar ingaat op ‚de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade’, aldus worden uitgelegd dat deze termijn pas kan beginnen te lopen vanaf de dag waarop de volledige omvang van de schade bekend is, in het bijzonder door een consolidatiedatum vast te stellen die wordt gedefinieerd als het moment waarop de toestand van het slachtoffer van het lichamelijk letsel niet langer progressief is, zodat in het geval van een progressieve pathologie de verjaringstermijn niet begint te lopen, en niet op de dag waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard en met het gebrekkige product in verband kan worden gebracht, ongeacht de verdere ontwikkeling ervan?”

20.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door LF, Sanofi Pasteur, de Franse, de Duitse en de Nederlandse regering, de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie. Deze partijen en belanghebbenden hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 27 maart 2025 en hebben geantwoord op de vragen van het Hof voor mondelinge beantwoording.

IV.    Beoordeling

A.      Eerste prejudiciële vraag

21.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van richtlijn 85/374, gelezen in het licht van het arrest González Sánchez, aldus moet worden uitgelegd dat een gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade kan vorderen in het kader van een algemene schuldaansprakelijkheidsregeling, door zich met name te beroepen op het feit dat het product in het verkeer is gehouden, dat de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet in acht is genomen of, meer in het algemeen, dat er sprake is van een veiligheidsgebrek in dat product.

22.      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter deze vraag stelt om te bepalen of LF, eiseres in het hoofdgeding, die stelt schade te hebben geleden wegens een door Sanofi Pasteur in de handel gebracht vaccin, een vordering tegen Sanofi Pasteur kan instellen op basis van schuldaansprakelijkheid. Meer in het bijzonder heeft LF voor de verwijzende rechter betoogd dat de schuld bestaat in het uitblijven van een reactie van Sanofi Pasteur, ondanks het feit dat deze onderneming op de hoogte was gebracht van de gevolgen van haar aluminiumhoudend vaccin. Sanofi Pasteur heeft betoogd dat de haar door LF verweten schuld niet losstaat van het gestelde veiligheidsgebrek.

23.      De verwijzende rechter benadrukt dat de Cour de cassation in een aantal arresten(8) heeft geoordeeld dat het slachtoffer van schade die het gevolg is van een gebrekkig product een vordering kan instellen op basis van schuldaansprakelijkheid van de producent. Deze schuld kan bestaan in het in het verkeer houden van een product waarvan de producent weet dat het gebrekkig is, of in het niet nakomen van zijn zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product.

24.      In het licht van deze rechtspraak moet de vraag van de verwijzende rechter aldus worden opgevat dat hij in wezen wenst te vernemen of richtlijn 85/374 eraan in de weg staat dat de gelaedeerde de producent aansprakelijk stelt wanneer de gestelde schuld overeenkomt met een van de in die rechtspraak beschreven gevallen van schuld.(9)

25.      Voor de beantwoording van deze vraag moet vooraf worden herinnerd aan de aard en de wezenlijke kenmerken van de bij richtlijn 85/374 ingevoerde aansprakelijkheidsregeling en aan de verhouding tussen deze regeling en de nationale regelingen inzake contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid.

1.      Risicoaansprakelijkheid wegens gebrekkigheid van het product

26.      Artikel 1 van richtlijn 85/374, volgens hetwelk „[d]e producent [...] aansprakelijk [is] voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product”, gelezen in het licht van de eerste en de tweede overweging van deze richtlijn, formuleert het beginsel van de objectieve schuldloze aansprakelijkheid, ofwel risicoaansprakelijkheid, van de producent voor schade die is veroorzaakt door de gebrekkigheid van zijn producten.(10)

27.      Uit artikel 4 van richtlijn 85/374 volgt dat de gelaedeerde, om schadevergoeding te vorderen, de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen. Deze drie voorwaarden volstaan om de aansprakelijkheid vast te stellen.

28.      De schuld van de producent is daarentegen niet relevant. Productaansprakelijkheid is objectief en gebaseerd op de gebrekkigheid van het product. Met andere woorden, zoals uit de rechtsleer blijkt, is de aansprakelijkheid „,gebaseerd op het gebrek’ en niet op de ‚schuld’”.(11)

29.      Het gebrek wordt aangetoond door objectieve overwegingen. Volgens artikel 6 van richtlijn 85/374 is een product gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die – gelet op alle omstandigheden, met name de presentatie van dit product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan en het tijdstip waarop het in het verkeer is gebracht – mag worden verwacht. Volgens de zesde overweging van deze richtlijn moet dit bovendien worden beoordeeld aan de hand van de verwachtingen die het grote publiek gerechtigd is te hebben.(12)

30.      Met betrekking tot farmaceutische producten, waaronder vaccins, zijn – gelet op de functie en het beoogde gebruik ervan die verband houden met de menselijke gezondheid en de specifieke eisen van de groep gebruikers waarvoor het product bestemd is, namelijk patiënten – de veiligheidseisen voor deze producten, die deze patiënten gerechtigd zijn te verwachten, bijzonder hoog.(13)

31.      De uitsluiting van subjectieve overwegingen met betrekking tot het gebrek van het product blijkt ook uit de verweermiddelen op grond waarvan de producent van zijn aansprakelijkheid kan worden ontheven, zoals bepaald in artikel 7 van richtlijn 85/374. In het bijzonder kan op geen van deze verweermiddelen een „subjectieve” maatstaf worden toegepast die is gebaseerd op hetgeen de producent wist of had moeten weten met betrekking tot het product. Het Hof heeft dit bevestigd met betrekking tot het „ontwikkelingsrisicoverweer” van artikel 7, onder e), van die richtlijn. Met dit verweer kan de producent van risicoaansprakelijkheid worden ontheven indien hij bewijst „dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken”. Het Hof heeft vastgesteld dat bij het verweer in kwestie niet wordt uitgegaan van „de stand van de kennis waarvan de betrokken producent concreet of subjectief op de hoogte was of kon zijn”.(14)

32.      Overwegingen die verband houden met hetgeen de producent wist of had moeten weten en de vraag of hij in staat was of had moeten zijn om het gebrek te voorkomen, vallen dus niet onder de productaansprakelijkheid op grond van richtlijn 85/374.(15) Deze overwegingen kunnen derhalve de grondslag vormen voor nationale schuldaansprakelijkheid. Dit brengt mij bij de verhouding tussen de in richtlijn 85/374 vastgestelde productaansprakelijkheidsregeling en de nationale algemene aansprakelijkheidsregelingen.

2.      Verhouding tussen de risicoaansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 en de nationale aansprakelijkheidsregelingen

33.      Volgens vaste rechtspraak streeft richtlijn 85/374, voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten na.(16)

34.      Daarentegen, zoals volgt uit de achttiende overweging van richtlijn 85/374, dient deze richtlijn geen uitputtende harmonisatie van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken tot stand te brengen op andere dan de punten die zij regelt.(17)

35.      Artikel 13 van richtlijn 85/374 bevat de basisregel voor de verhouding tussen de risicoaansprakelijkheidsregeling van de richtlijn en de nationale aansprakelijkheidsregelingen: die richtlijn „laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van [die] richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet”.

36.      In het arrest González Sánchez oordeelde het Hof dat artikel 13 van richtlijn 85/374 niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemene aansprakelijkheidsregeling inzake gebrekkige producten te handhaven die verschilt van de regeling van die richtlijn.(18)

37.      Aldus moet de verwijzing in artikel 13 van richtlijn 85/374 naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid, aldus worden uitgelegd dat de door de genoemde richtlijn ingevoerde regeling „niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad”.(19)

38.      Hoewel het duidelijk is dat de risicoaansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 naast de nationale regelingen inzake schuldaansprakelijkheid bestaat, moet worden onderzocht of schuld betrekking kan hebben op de gebrekkigheid van een product.

3.      Kan schuld betrekking hebben op de gebrekkigheid van een product?

39.      Zoals reeds gezegd, is de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 losgekoppeld van elk schuldvereiste jegens de producent met betrekking tot een gebrekkig product.(20) In geval van schuld met betrekking tot een gebrekkig product is de aansprakelijkheid van een andere aard dan die waarin de richtlijn voorziet. Die richtlijn verzet zich er dus niet tegen dat een lidstaat bepaalt dat de producent aansprakelijk kan worden gesteld voor schuldige gedragingen met betrekking tot een gebrekkig product. Dergelijk gedragingen kunnen bestaan in het in het verkeer houden van een product waarvan de producent weet dat het gebrekkig is dan wel het verzuim om de zorgvuldigheidsplicht in acht te nemen en preventieve maatregelen te treffen door meer te investeren in experimenten en onderzoek naar de aan het product verbonden risico’s waarvan de producent in kennis is gesteld.

40.      De erkenning van schuldaansprakelijkheid in dergelijke situaties botst niet met de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374. Dat is het geval omdat het gedrag dat ten grondslag ligt aan de schuldaansprakelijkheid in de betrokken situaties, weliswaar noodzakelijkerwijs betrekking heeft op het gebrek en de veiligheid van het product, maar niet uitsluitend afhangt van het gebrek. Hetgeen de aard van die algemene aansprakelijkheid onderscheidt van die van de bij richtlijn 85/374 ingevoerde risicoaansprakelijkheid is het bewijs van specifiek onrechtmatig gedrag van de producent.

41.      Opgemerkt zij dat de situatie waarin een producent ondanks de kennisgeving van eventuele aan een product verbonden schaderisico’s geen zorgvuldigheid betracht, eveneens verschilt van de situatie waarover het Hof zich in het arrest Commissie/Frankrijk heeft uitgesproken.(21) Volgens dat arrest was de Franse Republiek, onder meer wegens de onjuiste omzetting van artikel 7 van richtlijn 85/374, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. In het bijzonder bepaalde de Franse wet dat de producent zich onder meer niet op het ontwikkelingsrisicoverweer kon beroepen, tenzij hij kon bewijzen dat hij passende stappen had genomen om de gevolgen van een gebrekkig product te voorkomen (de „controleverplichting” ten aanzien van het product(22)). Het Hof heeft vastgesteld dat artikel 15 van richtlijn 85/374 de lidstaten weliswaar toestaat om de in artikel 7, onder e), van die richtlijn genoemde grond voor exoneratie van aansprakelijkheid volledig op te heffen, maar niet om de voorwaarden voor de toepassing van de exoneratie te wijzigen.(23)

42.      De invoering van een algemene verplichting tot controle van het product als voorwaarde voor een producent om zich te beroepen op het in het arrest Commissie/Frankrijk(24) aan de orde gestelde ontwikkelingsrisicoverweer, is een andere vraag dan die welke in casu aan de orde is. De verwijzende rechter beschrijft een situatie waarin de producent, hoewel deze op de hoogte is van de eventuele risico’s die uit het gebrek van het product voortvloeien, niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt en geen passende maatregelen neemt om de schadelijke gevolgen van het gebrekkige product te voorkomen. De aansprakelijkheid heeft dus niet uitsluitend betrekking op de gebrekkigheid van het product, maar ook op de aan de producent toegerekende schuld.

43.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 13 van richtlijn 85/374, gelezen in het licht van het arrest González Sánchez van het Hof, aldus moet worden uitgelegd dat de gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade kan vorderen in het kader van een nationale algemene schuldaansprakelijkheidsregeling, voor zover een dergelijke regeling niet uitsluitend berust op de gebrekkigheid van het product. De schuld kan met name bestaan in het in het verkeer houden van een product terwijl de producent weet dat het gebrekkig is, of in het feit dat de producent, ondanks dat hij van deze risico’s op de hoogte is gebracht, geen zorgvuldigheid betracht ten aanzien van de risico’s van het product.

B.      Tweede prejudiciële vraag

44.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11 van richtlijn 85/374, volgens hetwelk de rechten die een gelaedeerde aan de richtlijn ontleent, komen te vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar, die begint te lopen op de dag waarop het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer is gebracht, in strijd is met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, voor zover hierdoor een gelaedeerde die als gevolg van een gebrekkig product aan een progressieve pathologie lijdt, het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen.

45.      Artikel 11 van richtlijn 85/374 brengt een volledige harmonisatie tot stand van de regels betreffende de beperking van de krachtens deze richtlijn aan een gelaedeerde verleende rechten.(25) Dit artikel voorziet in een uniforme termijn van tien jaar na afloop waarvan deze rechten komen te vervallen (hierna: „vervaltermijn”) en de producent van zijn aansprakelijkheid krachtens de bij de richtlijn ingevoerde regeling wordt ontheven. Het bepaalt op bindende wijze dat de termijn aanvangt op de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt, in het verkeer heeft gebracht. Het vermeldt als enige aanleiding voor een onderbreking van deze termijn de inleiding van een gerechtelijke procedure tegen deze producent.(26)

46.      In het arrest Aventis Pasteur heeft het Hof benadrukt dat, zoals blijkt uit de tiende overweging van richtlijn 85/374, de Uniewetgever heeft gewild dat de door deze richtlijn nagestreefde harmonisatie van de verjaringsregels in het belang van zowel de gelaedeerde als de producent is.(27)

47.      De uniformisering van de verjaringsregels draagt bij tot de in de eerste overweging van richtlijn 85/374 vervatte algemene doelstelling een einde te maken aan onderlinge verschillen tussen de nationale rechtsstelsels die tot verschillen in het niveau van de bescherming van de consumenten in de Unie kunnen leiden.(28)

48.      Volgens de elfde overweging van richtlijn 85/374 heeft de uniformisering voorts ten doel de aansprakelijkheid van de producent op Unieschaal tot een redelijke termijn te beperken, gezien het feit dat producten slijten, veiligheidsnormen steeds strenger worden en de wetenschappelijke en technische kennis voortdurend verbetert.(29)

49.      Het Hof heeft er voorts op gewezen dat de wil van de Uniewetgever om de bij richtlijn 85/374 ingevoerde risicoaansprakelijkheid in de tijd te beperken, ook het voornemen inhoudt om rekening te houden met het feit dat deze aansprakelijkheid voor de producent een grotere last vormt dan die volgens een traditionele aansprakelijkheidsregeling, en wel om de technische vooruitgang niet te belemmeren en de verzekerbaarheid van de risico’s die voortvloeien uit die specifieke aansprakelijkheid te bewaren.(30)

50.      Artikel 11 van richtlijn 85/374 beoogt de producent dus rechtszekerheid te bieden met betrekking tot de precieze datum waarop hij van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze richtlijn moet worden ontheven.(31)

51.      In het kader van de onderhavige zaak hebben de twijfels van de verwijzende rechter betrekking op de vraag of artikel 11 van richtlijn 85/374 verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest voor zover de in het eerstgenoemde artikel vastgestelde vervaltermijn ook van toepassing is op gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden.

52.      Richtlijn 85/374 bevat geen definitie van het begrip „progressieve pathologie”. Het begrip „schade” wordt in artikel 9, onder a), gedefinieerd als schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel. Uit het arrest Veedfald volgt dat het aan de nationale wetgever staat om de precieze inhoud van deze schade vast te stellen, op voorwaarde dat een billijke en volledige vergoeding van de door een gebrekkig product veroorzaakte schade wordt gewaarborgd.(32)

53.      Gelet op de ruime definitie van het begrip „schade” kan dit begrip een progressieve pathologie omvatten, die wordt opgevat als een medische aandoening die zich gedurende een lange periode ontwikkelt.

54.      Om in te gaan op de vraag of artikel 11 van richtlijn 85/374 verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest, moet om te beginnen worden vastgesteld of de termijn voor het instellen van een gerechtelijke procedure botst met een door het Unierecht gewaarborgd recht.

55.      De Nederlandse regering, de Commissie en de Raad betogen in hun schriftelijke opmerkingen dat de vaststelling van de vervaltermijn van tien jaar geen beperking vormt van een door het Unierecht gewaarborgd recht. Dat is het geval omdat, wanneer de relevante termijn is verstreken, het recht van de gelaedeerde om schadevergoeding te vorderen vervalt. Aangezien er geen recht bestaat, kan de gelaedeerde zich niet langer beroepen op door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden en kan er dus geen sprake zijn van schending van artikel 47 van het Handvest. De vervaltermijn moet volgens deze opvatting louter worden opgevat als een beperking in de tijd van de rechten die de gelaedeerden aan richtlijn 85/374 ontlenen, waarbij het zo is dat het Handvest, zodra deze termijn is verstreken, niet van toepassing is.

56.      Ik kan mij niet vinden in die uitlegging van artikel 47 van het Handvest.

57.      Artikel 51, lid 1, van het Handvest bevestigt de vaste rechtspraak van het Hof dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst.(33)

58.      Volgens artikel 47, eerste alinea, van het Handvest heeft eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

59.      Ook volgens vaste rechtspraak van het Hof volstaat die bepaling op zichzelf om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen inroepen, zonder dat de inhoud ervan hoeft te worden gepreciseerd door andere bepalingen van het Unierecht of van het interne recht van de lidstaten. Zoals blijkt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, veronderstelt de erkenning van dit recht in een bepaald geval, dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden.(34)

60.      De situatie van een gelaedeerde van een gebrekkig product die schadevergoeding vordert van de producent uit hoofde van de risicoaansprakelijkheid van richtlijn 85/374 valt duidelijk onder het Unierecht. Door zich te beroepen op het recht op schadevergoeding waarin deze richtlijn voorziet, beroept de gelaedeerde zich op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van artikel 47 van het Handvest.

61.      Het feit dat in artikel 11 van richtlijn 85/374 een vervaltermijn is vastgesteld waarna het recht op schadevergoeding tenietgaat, betekent niet dat deze laatste bepaling kan ontsnappen aan elke toetsing van de verenigbaarheid ervan met artikel 47 van het Handvest. Het tenietgaan van het materiële recht is immers slechts het gevolg van de toepassing van de vervaltermijn waarin deze richtlijn voorziet. De toetsing van de geldigheid van artikel 11 van richtlijn 85/374 aan artikel 47 van het Handvest moet gericht zijn op het feit dat er sprake is van een vervaltermijn en op de kenmerken van die termijn, met inbegrip van de duur ervan, het tijdstip waarop deze aanvangt en de gebeurtenissen die de termijn kunnen schorsen of stuiten.

62.      Indien dat niet het geval zou zijn, zou elke beperking in de tijd van de instelling van een procedure ter handhaving van in het afgeleide Unierecht opgenomen rechten (of in het recht van de lidstaten wanneer zij optreden op het gebied van het Unierecht), in de vorm van een termijn na afloop waarvan de rechten vervallen, kunnen ontsnappen aan toetsing van de geldigheid aan het primaire recht, afhankelijk van de vraag of de betreffende vervaltermijn is verstreken.(35)

63.      Een dergelijke oplossing zou in strijd zijn met het beginsel van de rechtsstaat, volgens hetwelk noch de lidstaten, noch de instellingen van de Unie ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met de Verdragen.(36)

64.      De vaststelling in artikel 11 van richtlijn 85/374 van een vervaltermijn om een gerechtelijke procedure in te stellen moet dus worden beschouwd als een beperking van het recht van een gelaedeerde op een doeltreffende voorziening in rechte. Vervolgens moet worden onderzocht of een dergelijke beperking kan worden gerechtvaardigd.

65.      Het Hof heeft er reeds op gewezen dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van een doeltreffende voorziening in rechte verschillende aspecten bevat, waaronder het recht op toegang tot de rechter.(37)

66.      Artikel 47 van het Handvest verankert in het Unierecht de bescherming die wordt geboden door artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).(38)

67.      Voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met die welke door het EVRM worden gewaarborgd, dienen deze rechten krachtens artikel 52, lid 3, van dat Handvest dezelfde betekenis en reikwijdte te hebben als de in het EVRM neergelegde rechten. Zulks staat er evenwel niet aan in de weg dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Bij de uitlegging van artikel 47 van het Handvest moet het Hof dan ook rekening houden met de daarmee corresponderende rechten die worden gewaarborgd door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals deze als minimumbeschermingsniveau zijn uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).(39)

68.      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is en derhalve kan worden onderworpen aan evenredige beperkingen waarmee een legitiem doel wordt nagestreefd en die dat recht niet in zijn kern aantasten.(40) Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, staat het Handvest beperkingen op de uitoefening van die rechten toe, mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.(41)

69.      Wat in de eerste plaats het vereiste betreft dat elke beperking van de uitoefening van de grondrechten bij wet moet worden gesteld, moet worden opgemerkt dat artikel 11 van richtlijn 85/374 uitdrukkelijk in de regel van de vervaltermijn voorziet. Het legaliteitsbeginsel is dus in acht genomen.

70.      Wat in de tweede plaats de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter betreft, heeft het Hof geoordeeld dat de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte er onder andere in bestaat dat de houder van dit recht toegang moet hebben tot een gerecht dat bevoegd is om de eerbiediging van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten te waarborgen en om daartoe alle voor het bij hem aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken.(42)

71.      Dienaangaande zij opgemerkt dat uit artikel 11 van richtlijn 85/374 volgt dat de rechten die na het verstrijken van de termijn van tien jaar zijn vervallen, enkel de rechten zijn die door deze richtlijn worden toegekend. Artikel 11 van richtlijn 85/374, gelezen in het licht van artikel 13 ervan(43), staat er niet aan in de weg dat de gelaedeerde een vordering instelt op grond van het nationale recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid, voor zover de toepasselijke nationale aansprakelijkheidsregeling waarop die gelaedeerde zich beroept, verschilt van die van deze richtlijn.(44)

72.      De Nederlandse regering, de Commissie en de Raad betogen dat artikel 11 van richtlijn 85/374, gelet op de complementariteit van de rechten en rechtsmiddelen die een gelaedeerde ter beschikking staan om schadevergoeding te eisen op grond van het Unierecht en het nationale recht, de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter eerbiedigt. De Commissie heeft meer in het bijzonder ter terechtzitting betoogd dat er talrijke „lagen van aansprakelijkheid” bestaan die kunnen worden geactiveerd, zodat er geen sprake kan zijn van schending van het recht op toegang tot de rechter.

73.      Het probleem dat mijns inziens aan dit standpunt kleeft, is dat het het onderzoek van een Unierechtelijke bepaling afhankelijk stelt van de rechten en rechtsmiddelen die het nationale recht eventueel biedt. Zoals hierboven is opgemerkt, omvat de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte onder meer de mogelijkheid voor de houder van dat recht om toegang te krijgen tot een rechter die bevoegd is om de eerbiediging van de hem door het Unierecht gewaarborgde rechten te verzekeren. Zoals de Duitse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, staat deze mogelijkheid los van de door het nationale recht aan de betrokkene gewaarborgde rechten op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Bovendien vervalt voor elke gelaedeerde, gelet op de door richtlijn 85/374 tot stand gebrachte volledige harmonisatie, het recht om in het kader van de bij deze richtlijn ingevoerde aansprakelijkheidsregeling voor gebrekkige producten schadevergoeding te vorderen na de termijn van tien jaar. Indien de lidstaten voorzien in het recht om na het verstrijken van deze termijn schadevergoeding te eisen, kan dit recht niet dezelfde grondslag hebben als die welke in de richtlijn is vastgesteld. De betrokkenen kunnen niet langer gebruikmaken van de risicoaansprakelijkheidsregeling voor een gebrekkig product, en met name niet van de regels betreffende de bewijslast.

74.      Bijgevolg kan de vraag of de in artikel 11 van richtlijn 85/374 gestelde vervaltermijn de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter eerbiedigt zodat er aanspraak kan worden gemaakt op het door deze richtlijn gewaarborgde recht op schadevergoeding, niet afhangen van het eventuele bestaan, in het nationale recht, van andere rechten en rechtsmiddelen met een andere grondslag dan die waarin die richtlijn voorziet.

75.      De lidstaten zijn hoe dan ook niet verplicht om in het kader van hun algemene aansprakelijkheidsregeling te voorzien in een langere verjaringstermijn op grond waarvan gelaedeerden hun vordering kunnen instellen op een andere grondslag dan die van richtlijn 85/374.

76.      Het feit dat er meerdere rechten en rechtsmiddelen met een andere rechtsgrondslag naast elkaar bestaan, lijkt dus niet te kunnen aantonen dat de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter niet wordt aangetast.

77.      De vervaltermijn van artikel 11 van richtlijn 85/374 is „een absolute termijn”.(45) De enige omstandigheid die aan het tenietgaan van de rechten in de weg kan staan, is dat de gelaedeerde tijdens die termijn een gerechtelijke procedure tegen de producent heeft ingesteld. De vervaltermijn wordt onvoorwaardelijk gehanteerd(46), in die zin dat hij systematisch van toepassing is op iedere gelaedeerde, zonder uitzondering en zonder individuele beoordeling van de aard van de geleden schade en van het vermogen van de gelaedeerden om de geleden schade te begroten.

78.      In het arrest Howald Moor e.a. tegen Zwitserland heeft het EHRM de verenigbaarheid van onvoorwaardelijke vervaltermijnen met het recht op toegang tot de rechter onderzocht.(47) De gelaedeerden in die zaak leden als gevolg van blootstelling aan asbest aan latente asbestose, die zich na het verstrijken van de in het nationale recht vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar had geopenbaard. Gelet op het feit dat de latentieperiode van asbestgerelateerde ziekten enkele decennia kon bedragen, heeft het EHRM geoordeeld dat de vaste verjaringstermijn van tien jaar die begon te lopen op de datum waarop de betrokkenen aan asbeststof waren blootgesteld, hoe dan ook zou zijn verstreken.(48) Wanneer wetenschappelijk is aangetoond dat het voor iemand onmogelijk is te weten dat hij aan een bepaalde pathologie lijdt, moet die omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de berekening van de verjaringstermijn.(49) Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van die zaak heeft het EHRM geoordeeld dat de toepassing van de betreffende verjaringstermijn de toegang tot de rechter zodanig had beperkt dat de kern van verzoekers’ recht was aangetast.(50)

79.      De vraag of onvoorwaardelijke vervaltermijnen zich verdragen met het recht op toegang tot de rechter is met betrekking tot personen die lijden aan een progressieve pathologie die aan de toediening van een vaccin werd toegeschreven, aan de orde gesteld in het arrest Sanofi Pasteur/Frankrijk van het EHRM(51). De nationale (Franse) rechters waren in wezen van oordeel dat de verjaringstermijn voor de vordering van de gelaedeerde begon te lopen op de datum waarop de schade was geconsolideerd. De farmaceutische onderneming had aangevoerd dat de wijze van vaststelling van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn in strijd was met het in artikel 6, lid 1, EVRM erkende rechtszekerheidsbeginsel en met haar recht op het ongestoord genot van haar eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM.

80.      Het EHRM erkent dat er een verschil bestaat tussen slachtoffers van een latente pathologie in de zaak Howald Moor e.a. tegen Zwitserland en slachtoffers van een progressieve pathologie in de zaak Sanofi Pasteur tegen Frankrijk. Terwijl eerstgenoemden pas na het verstrijken van de beroepstermijnen op de hoogte waren van hun ziekte, was de schadevordering van de laatstgenoemde gelaedeerden niet verjaard op het tijdstip waarop de ziekte werd vastgesteld.(52) Dit verschil was echter niet doorslaggevend voor het EHRM om te komen tot een andere beoordeling van het recht op toegang tot de rechter waar het gaat om slachtoffers van een progressieve pathologie.

81.      Het EHRM heeft immers geoordeeld dat het recht op toegang tot de rechter aan de orde is wanneer een schadevordering die is ingesteld door iemand wiens lichamelijke integriteit is geschonden, verjaard is voordat de betrokkene daadwerkelijk in staat is geweest zijn schade te begroten.(53) Het was van oordeel dat de gelaedeerde, gelet op het evolutieve karakter van diens pathologie en bij gebreke van consolidatie ervan, niet in staat was om „zijn letsel volledig in te schatten” en dus niet in staat was om tegen de onderneming die het vaccin vóór die consolidatie had geproduceerd een procedure in te stellen teneinde volledige schadeloosstelling te verkrijgen.(54)

82.      Uit deze rechtspraak van het EHRM volgt dat de onvoorwaardelijke toepassing van een vervaltermijn op slachtoffers van een progressieve pathologie afbreuk kan doen aan het recht op toegang tot de rechter wanneer de gelaedeerde geen schadevordering kan instellen zolang hij niet in de gelegenheid is om de volledige omvang van de schade te beoordelen.

83.      Volgens deze redenering lijkt de onvoorwaardelijke toepassing van de vervaltermijn in artikel 11 van richtlijn 85/374 op alle gelaedeerden, en met name op degenen die aan een progressieve pathologie lijden en die volgens de medische bewijsstukken niet de volledige omvang van hun letsel kunnen kennen, de kern van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op toegang tot de rechter te kunnen aantasten.

84.      De Nederlandse regering heeft evenwel betoogd dat artikel 11 van richtlijn 85/374 geen afbreuk doet aan de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter van gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden. Dit is het geval omdat er duidelijk sprake is van schade, ook al kan de omvang van de schade toenemen. Zo kan het slachtoffer van een progressieve pathologie, in tegenstelling tot het slachtoffer van een latente pathologie, vóór het verstrijken van de vervaltermijn een vordering tot schadevergoeding instellen.

85.      Ook de Duitse regering onderschrijft dit standpunt en is van mening dat het de taak van de lidstaten is om gelaedeerden de mogelijkheid te bieden om actie te ondernemen voordat de vordering is verjaard. Zij heeft in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting uitvoerig uiteengezet dat naar Duits recht de gelaedeerde een declaratoire vordering (Feststellungsklage)(55) kan instellen. Deze declaratoire vordering strekt ertoe de aansprakelijkheid van de producent voor de betaling van schadevergoeding vast te stellen, hoewel de schade zich verder ontwikkelt en het bedrag ervan nog niet kwantificeerbaar is. Bovendien stuit zij de vervaltermijn van tien jaar van artikel 11 van richtlijn 85/374.

86.      Men zou dus kunnen betogen dat het een zaak van nationaal procesrecht is om de situatie te regelen van gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden en om te voorzien in passende mechanismen zodat wordt voorkomen dat de vordering van deze personen verjaart. Volgens deze benadering zou niet artikel 11 van richtlijn 85/374 het recht op toegang tot de rechter schenden, maar het nationale procesrecht indien de situatie van die personen niet in aanmerking wordt genomen.

87.      Deze benadering houdt echter geen stand. Ten eerste is zij moeilijk te verenigen met de volledige harmonisatie van de verjaringstermijn die deze bepaling bewerkstelligt en kan zij voor slachtoffers van een progressieve pathologie leiden tot een versnippering van de bescherming van het recht op toegang tot de rechter. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat anders dan de verjaringstermijn van artikel 10, lid 2, van richtlijn 85/374, die de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake schorsing of stuiting onverlet laat, de in artikel 11 van deze richtlijn gestelde vervaltermijn niet verwijst naar dergelijke wettelijke regelingen. Naar aanleiding van een vraag die het Hof ter terechtzitting aan de Commissie heeft gesteld over de kenmerken van die vervaltermijn, heeft de Commissie aangegeven dat de nationale procedurele mechanismen die mogelijkerwijs gelden wanneer het gaat om een progressieve pathologie, de volledige harmonisatie die door de vervaltermijn tot stand is gebracht niet mogen ondermijnen.

88.      Ten tweede lijkt de benadering waarbij de kwestie aan de nationale procedurele autonomie wordt overgelaten, niet het risico weg te nemen dat de vaststelling in het Unierecht van een onvoorwaardelijke vervaltermijn tot vruchteloze schadeclaims leidt. Indien gelaedeerden verplicht zijn hun vordering voortijdig in te stellen, voordat zij hun ziekte kunnen beoordelen, lopen zij het risico dat zij geen toegang hebben tot alle informatie.(56) Ter terechtzitting heeft de raadsman van LF betoogd dat het deskundigenonderzoek zonder alle beschikbare informatie ongunstig zal zijn voor de gelaedeerde. De vordering van de gelaedeerde is dan gedoemd om te resulteren in een onvolledige schadevergoeding of, erger, te mislukken. Een dergelijk resultaat zou in strijd zijn met artikel 47 van het Handvest, dat de houder van het recht de mogelijkheid biedt om een doeltreffende voorziening in rechte voor te bereiden en in te stellen. Volgens de rechtspraak van het EHRM moet het recht op toegang tot de rechter „concreet en doeltreffend” en niet „theoretisch of illusoir” zijn.(57)

89.      Om deze redenen ben ik van mening dat de onvoorwaardelijke toepassing van de termijn van tien jaar van artikel 11 van richtlijn 85/374 op alle gelaedeerden, zonder rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van personen met een progressieve pathologie wier aandoening niet vóór het verstrijken van die termijn is geconsolideerd, de wezenlijke inhoud van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op toegang tot de rechter niet eerbiedigt.

90.      Ten derde moet, voor het geval dat het Hof mijn analyse aangaande de wezenlijke inhoud van het recht op toegang tot de rechter niet deelt, worden nagegaan of de in artikel 11 van richtlijn 85/374 vastgestelde vervaltermijn in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wanneer die termijn wordt toegepast op gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden.

91.      Het evenredigheidsbeginsel vereist dat de beperkingen die door met name Unierechtelijke handelingen aan in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden kunnen worden gesteld niet buiten de grenzen treden van wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, moet de minst belastende worden gekozen. Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat deze doelstelling in overeenstemming moet worden gebracht met de door de maatregel aangetaste grondrechten, zulks via een evenwichtige afweging tussen de doelstelling van algemeen belang en de op het spel staande rechten, om ervoor te zorgen dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen.(58)

92.      Wat de vraag betreft of de termijn van tien jaar beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang, zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof verenigbaar is met het Unierecht dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht.(59) Artikel 11 beoogt juist de producent rechtszekerheid te bieden in het kader van de bij deze richtlijn ingevoerde risicoaansprakelijkheidsregeling.(60)

93.      Het EHRM heeft ook consequent erkend dat wettelijke verjaringstermijnen, die een van de legitieme beperkingen van het recht op toegang tot de rechter vormen, belangrijke doelstellingen dienen, namelijk het waarborgen van de rechtszekerheid en het gezag van gewijsde, het beschermen van potentiële verweerders tegen vorderingen die moeilijk te weerleggen zijn en het voorkomen van ongerechtigheid die zich zou kunnen voordoen indien de rechterlijke instanties zich over gebeurtenissen uit een ver verleden zouden moeten uitspreken op basis van bewijsmateriaal dat in de loop der tijd mogelijk onbetrouwbaar en onvolledig is geworden.(61)

94.      Bovendien heeft het EHRM benadrukt dat het rechtszekerheidsbeginsel een van de fundamentele aspecten van de rechtsstaat vormt.(62)

95.      De rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling vormen derhalve door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest, die een beperking van de uitoefening van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten rechtvaardigen.

96.      Met betrekking tot de vraag of de aan de orde zijnde vervaltermijn van tien jaar verder gaat dan wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen, moet worden opgemerkt dat de risicoaansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 het resultaat is van een complexe afweging van verschillende belangen.(63) Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak(64) volgt dat de verjaringsregels de rechtszekerheid waarborgen en rekening houden met het feit dat de risicoaansprakelijkheid voor de producenten een zwaardere last vormt dan een nationale algemene aansprakelijkheidsregeling, hetgeen ook tot uiting komt in de noodzaak om een verzekering af te sluiten tegen de risico’s die aan die specifieke aansprakelijkheid zijn verbonden.(65)

97.      Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de Uniewetgever beschikt om de verschillende betrokken belangen tegen elkaar af te wegen, lijkt een termijn van tien jaar vanaf het in de handel brengen van het gebrekkige product „in het algemeen” en „in de overgrote meerderheid van de gevallen”, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, voldoende lang om gelaedeerden in staat te stellen een vordering tegen de producent in te stellen.

98.      Zoals in de rechtsleer treffend is benadrukt, is er echter geen „universele” vervaltermijn die de belangen van producenten en van slachtoffers van lichamelijk letsel op juiste wijze in evenwicht kan brengen.(66) Hoewel de termijn van tien jaar voor gelaedeerden in abstracto beschouwd voldoende lang lijkt, lijkt hij niet geschikt te zijn wanneer het gaat om bepaalde uitzonderlijke gevallen van lichamelijk letsel waarbij het letsel zich niet onmiddellijk of kort na het schadebrengende feit voordoet, maar progressief is. Wanneer er geen rekening wordt gehouden met die specifieke situatie, wordt voorbijgegaan aan het feit dat het verval van de rechten van de desbetreffende gelaedeerden niet het gevolg is van hun stilzitten, maar van hun tegenspoed dat zij aan een progressieve pathologie lijden.

99.      De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting in wezen betoogd dat gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden, binnen de vervaltermijn een vordering kunnen instellen wanneer zij zich bewust zijn van bepaalde symptomen en een bepaald bedrag aan schadevergoeding (un certain dédommagement) kunnen verkrijgen. Deze vergoeding zal noodzakelijkerwijs gedeeltelijk zijn indien de gevolgen van het gebrekkige product niet volledig kunnen worden ontdekt wanneer de vordering wordt ingesteld. Voorts heeft de Commissie erop gewezen dat, indien de regels van nationaal recht daarin voorzien, de gelaedeerde kan verzoeken om opschorting van de procedure totdat de schade volledig bekend is, teneinde hem in staat te stellen zijn oorspronkelijke vordering aan te vullen en volledige vergoeding van de schade te verkrijgen.

100. Om de hierboven uiteengezette redenen(67) lijkt de mogelijkheid om gedeeltelijke schadevergoeding te verkrijgen niet bevredigend vanuit het oogpunt van het recht van een gelaedeerde om een doeltreffende vordering in te stellen. Bovendien kan het feit dat het nationale procesrecht kan voorzien in de mogelijkheid om te verzoeken om schorsing van de procedure totdat de volledige schade bekend is, niet alleen hypothetisch zijn, maar zich ook, afhankelijk van de precieze bepalingen van het nationale recht, niet verdragen met de door richtlijn 85/374 tot stand gebrachte volledige harmonisatie van de vervaltermijn.

101. De noodzaak om de onevenredige uitkomst van de toepassing van een absolute vervaltermijn voor bepaalde categorieën schade te verhelpen, wordt bevestigd door de wijzigingen die bij richtlijn (EU) 2024/2853(68) zijn aangebracht. Artikel 17, lid 2, van deze richtlijn voert een uitzonderingsbepaling in ten aanzien van gelaedeerden die vanwege de latentietijd van een lichamelijk letsel niet binnen de termijn van tien jaar een procedure hebben kunnen inleiden. Voor deze gelaedeerden wordt de vervaltermijn verlengd tot 25 jaar. Uit overweging 57 van deze richtlijn blijkt dat de Uniewetgever de vervaltermijn heeft verlengd „[o]m te voorkomen dat de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen voor door een gebrekkig product veroorzaakte schade onredelijk wordt beperkt [...] in gevallen waarin uit medische bewijsstukken blijkt dat de symptomen van een lichamelijk letsel langzaam opkomen”.

102. Hoewel richtlijn 2024/2853 niet van toepassing is op het hoofdgeding(69), blijkt uit de redenen die aan de wijziging van de vervaltermijn ten grondslag liggen dat het verzuim om rekening te houden met de bijzonderheden van specifieke categorieën schade het recht van de betrokken gelaedeerden op toegang tot de rechter kan aantasten.

103. Om die redenen ben ik van mening dat de toepassing van de vervaltermijn van tien jaar van artikel 11 van richtlijn 85/374 onevenredig afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter voor gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden en die, vanwege het evolutieve karakter van hun pathologie, hun toestand niet volledig kunnen beoordelen en derhalve niet in staat zijn geweest om binnen die termijn een procedure tegen de producent in te leiden.

104. De wijze waarop de vervaltermijn moet worden aangepast aan uitzonderlijke gevallen van gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden en de afweging van alle betrokken belangen zijn een zaak van de Uniewetgever.

105. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 11 van richtlijn 85/374, op grond waarvan de door deze richtlijn aan een gelaedeerde verleende rechten vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop het schadelijke product in het verkeer is gebracht, ongeldig is in het licht van artikel 47 van het Handvest voor zover de toepassing van dat artikel tot gevolg heeft dat gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden en die blijkens medische bewijsstukken, vanwege de progressieve aard van hun gezondheidstoestand, de hun berokkende schade niet volledig kunnen inschatten en derhalve niet binnen die termijn een procedure tegen de producent kunnen instellen, hun recht om schadevergoeding te vorderen zien vervallen en daardoor geen recht op toegang tot de rechter hebben.

C.      Derde prejudiciële vraag

106. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een progressieve pathologie de verjaringstermijn van drie jaar voor de vordering tot schadevergoeding begint te lopen op de dag waarop de volledige omvang van de schade bekend is, met name door de vaststelling van een consolidatiedatum, die wordt gedefinieerd als het tijdstip waarop de toestand van de gelaedeerde niet langer progressief is. De verwijzende rechter wenst tevens te vernemen of deze verjaringstermijn, subsidiair, moet worden geacht te beginnen lopen vanaf de datum waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard en in verband kan worden gebracht met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling van de schade.

107. Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft de Cour de cassation het hoofdgeding naar de verwijzende rechter verwezen op grond dat de cour d’appel de Caen het beroep van LF niet-ontvankelijk had verklaard zonder te onderzoeken of zijn gezondheidstoestand was geconsolideerd.(70)

108. Er zij aan herinnerd dat artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 bepaalt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen op de dag waarop de eiser „kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent”. De vraag van de verwijzende rechter is toegespitst op de vaststelling van de datum waarop het slachtoffer van een progressieve pathologie kennis heeft gekregen van de schade.

109. Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(71)

110. Artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 verwijst voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten. Artikel 10, lid 2, verwijst alleen naar het nationale recht met betrekking tot de regeling van de schorsing of stuiting van de verjaring, en niet met betrekking tot de dies a quo. Bovendien is een autonome en uniforme uitlegging van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn, zoals blijkt uit de tiende overweging van richtlijn 85/374, in overeenstemming met het doel van deze richtlijn om een uniforme verjaringstermijn voor het instellen van een schadevordering vast te stellen.

111. Uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 blijkt dat de verjaringstermijn begint te lopen op de dag dat kennis wordt verkregen (dan wel had moeten worden verkregen) van de schade. Uit deze tekst alleen lijkt niet te kunnen worden afgeleid of de kennis moet worden geacht pas te zijn verkregen op het tijdstip van consolidatie van de gezondheidstoestand van de gelaedeerde, dan wel op het tijdstip waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard, ongeacht de toekomstige verslechtering.

112. Wat de context van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 betreft, zij eraan herinnerd dat de gelaedeerde volgens artikel 4 ervan de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen. Blijkens artikel 9, onder a), van richtlijn 85/374 omvat het begrip „schade” de schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel.

113. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof moet een billijke en volledige schadeloosstelling van de gelaedeerden van een gebrekkig product worden gewaarborgd voor de in het vorige punt bedoelde schade.(72)

114. De datum waarop de verjaringstermijn krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 begint te lopen, moet zodanig worden vastgesteld dat de gelaedeerde kan bewijzen dat aan alle voorwaarden voor aansprakelijkheid van de producent is voldaan. Zoals de Commissie in wezen heeft betoogd, moet de gelaedeerde dus voldoende kennis hebben van de omstandigheden met betrekking tot al deze voorwaarden, met inbegrip van een voldoende kennis van de schade. De voldoende kennis van de schade stelt de gelaedeerde in staat een billijke en volledige schadeloosstelling te verkrijgen.

115. In het algemeen kan de kennis van de datum waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard, worden beschouwd als een passend vereiste voor gelaedeerden om een vordering in te stellen. Zoals de Commissie ter terechtzitting in wezen heeft opgemerkt, zijn er gevallen van lichamelijk letsel waarin niet hoeft te worden gewacht op de consolidatie van de schade, aangezien er voldoende kennis van die schade is en, afhankelijk van de omstandigheden, van hoe deze zich verder zal ontwikkelen. In het geval van een progressieve pathologie kan de gelaedeerde, bij gebreke van consolidatie, de aard van de geleden schade echter niet inschatten. De consolidatiedatum moet worden bepaald aan de hand van medische bewijsstukken; dit hangt niet af van de persoonlijke inschatting van de gelaedeerde.(73) Voor deze gelaedeerden mag de verjaringstermijn dus niet ingaan vóór de consolidatiedatum, dat wil zeggen de datum waarop hun gezondheidstoestand ophoudt zich verder te ontwikkelen.

116. De door de verwijzende rechter voorgestelde alternatieve datum, te weten de datum waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard, indien deze datum in het geval van een progressieve pathologie wordt begrepen als die waarop de eerste symptomen zich voordoen, zou de mogelijkheid voor de gelaedeerde om daadwerkelijk een schadevordering in te stellen ernstig kunnen aantasten. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, zou de gelaedeerde in een situatie waarin de schade nog niet voldoende duidelijk is, ervan kunnen worden weerhouden een kostbare rechtsvordering in te stellen, terwijl de betrokkene maanden of jaren later de omvang van de schade beter had kunnen bepalen. Indien de gelaedeerde bovendien een vordering instelt terwijl de schade nog beperkt is en zijn gezondheidstoestand zich verder ontwikkelt, dreigt hij slechts een gedeeltelijke schadeloosstelling te ontvangen.(74)

117. Wat het doel betreft van de regeling waarvan artikel 10 van richtlijn 85/374 deel uitmaakt, blijkt uit de negende overweging van die richtlijn dat de bescherming van de consument vereist dat schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel moet worden vergoed. De gelaedeerde moet zijn recht op billijke en volledige schadeloosstelling voor de geleden schade daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

118. De Duitse regering heeft betoogd dat de verjaringstermijn van drie jaar moet beginnen te lopen op de datum waarop de schade zich openbaart en waarop de gelaedeerde, met inbegrip van het slachtoffer van progressieve schade, zich bewust wordt van de manifestatie van de schade. Zoals reeds gezegd, wordt de situatie van progressieve schade in de Duitse wetgeving geregeld door de mogelijkheid om een declaratoire vordering in te stellen.(75) De Duitse regering heeft betoogd dat deze oplossing van toepassing is in geval van latere schade die „typisch” kan worden verwacht. In geval van onvoorzienbare „atypische” schade gaat echter een nieuwe verjaringstermijn in op het tijdstip waarop de eiser kennis heeft gekregen van de schade.

119. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat in bepaalde nationale rechtsorden gelaedeerden kunnen verzoeken om schorsing van de procedure totdat de schade voldoende bekend is. De Commissie heeft echter erkend dat een dergelijke mogelijkheid niet in alle lidstaten bestaat.

120. De verschillende benaderingen die in de nationale rechtsstelsels kunnen bestaan, tonen aan dat de mate van bescherming van de mogelijkheid voor gelaedeerden om schadevergoeding te vorderen, afhankelijk van het nationale procesrecht, kan verschillen, terwijl de verjaringstermijn eenvormig moet zijn. Bovendien kan er, als van de gelaedeerde wordt verlangd dat hij het bedrag van de vergoeding die wordt gevorderd, geleidelijk verhoogt naarmate de extra schade die voortvloeit uit het schadebrengende feit zich voordoet, afbreuk worden gedaan aan de volle werking van het recht op schadevergoeding. Dit kan namelijk kostbaar en tijdrovend zijn.(76)

121. Teneinde een uniforme uitlegging van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn te verzekeren en de doeltreffendheid te waarborgen van het recht van het slachtoffer van een progressieve pathologie om schadevergoeding te vorderen, kan deze datum niet worden geacht beginnen te lopen voordat de schade is geconsolideerd. De consolidatiedatum wordt bepaald op basis van medische bewijsstukken.

122. Volgens deze uitlegging van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 moet worden aangenomen dat wanneer er sprake is van een progressieve pathologie, de verjaringstermijn van drie jaar pas ingaat op de datum waarop de schade is geconsolideerd, ook al heeft de schade zich vóór deze datum geopenbaard.

123. Deze uitlegging van artikel 10 van richtlijn 85/374 moet worden gelezen in het licht van het antwoord dat ik op de tweede prejudiciële vraag in deze conclusie geef. Om de nuttige werking van artikel 10 te waarborgen waar het gaat om personen die lijden aan een progressieve pathologie, moet de in artikel 11 gestelde vervaltermijn immers zodanig worden vastgesteld dat er rekening wordt gehouden met hun bijzondere situatie en met hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens artikel 47 van het Handvest.

124. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer er sprake is van een progressieve pathologie, de in die bepaling vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen op de datum waarop de schade is geconsolideerd, die wordt gedefinieerd als het tijdstip waarop uit medische bewijsstukken blijkt dat de toestand van de gelaedeerde zich niet verder ontwikkelt.

V.      Conclusie

125. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de door de cour d’appel de Rouen gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, gelezen in het licht van het arrest van het Hof van 25 april 2002, González Sánchez (C‑183/00, EU:C:2002:255),

moet aldus worden uitgelegd dat

de gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade kan vorderen in het kader van een nationale algemene schuldaansprakelijkheidsregeling, voor zover een dergelijke regeling niet uitsluitend berust op de gebrekkigheid van het product. De schuld kan met name bestaan in het in het verkeer houden van een product terwijl de producent weet dat het gebrekkig is, of in het feit dat de producent, ondanks dat hij van deze risico’s op de hoogte is gebracht, geen zorgvuldigheid betracht ten aanzien van de risico’s van het product.

2)      Artikel 11 van richtlijn 85/374, op grond waarvan de door deze richtlijn aan de gelaedeerde verleende rechten vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop het schadelijke product in het verkeer is gebracht,

is ongeldig in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor zover de toepassing van dat artikel tot gevolg heeft dat gelaedeerden die aan een progressieve pathologie lijden en die blijkens medische bewijsstukken, vanwege de progressieve aard van hun gezondheidstoestand, de hun berokkende schade niet volledig kunnen inschatten en derhalve niet binnen die termijn een procedure tegen de producent kunnen instellen, hun recht om schadevergoeding te vorderen zien vervallen en daardoor geen recht op toegang tot de rechter hebben.

3)      Artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer er sprake is van een progressieve pathologie, de in die bepaling vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen op de datum waarop de schade is geconsolideerd, die wordt gedefinieerd als het tijdstip waarop uit medische bewijsstukken blijkt dat de toestand van de gelaedeerde zich niet verder ontwikkelt.”