Home

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 11 september 2025

Conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 11 september 2025

Gegevens

Datum uitspraak
11 september 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. MEDINA

van 11 september 2025 (1)

Zaak C471/24

J.J.

tegen

PKO BP S.A.

[verzoek van de Sąd Okręgowy w Częstochowie (rechter in eerste aanleg Częstochowa, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke contractuele bedingen – Richtlijn 93/13/EEG – Hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet – Contractueel beding dat voorziet in de vaststelling van de rentevoet op basis van een benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/1011 – Cruciale benchmark – WIBOR-benchmark – Vereiste van transparantie ”






1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de verenigbaarheid met richtlijn 93/13/EEG(2) van contractuele bedingen die in hypothecaire kredietovereenkomsten voorzien in een variabele rentevoet op basis van de Warsaw Interbank Offered Rate (WIBOR-)benchmark. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J.J., een consument, en PKO BP S.A. (hierna: „PKO”), een in Polen gevestigde bank, over de terugbetaling van een deel van de bedragen die deze consument aan deze bank heeft betaald in het kader van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet en over de niet-tegenwerpbaarheid of ongeldigheid van een beding in die overeenkomst betreffende de vaststelling van de rentevoet.

2.        De onderhavige zaak is nieuw doordat in de hypothecaire kredietovereenkomst gebruik wordt gemaakt van een cruciale benchmark in de zin van verordening (EU) 2016/1011(3), namelijk de WIBOR. Bij hypotheken die na 2013 zijn aangegaan, wordt de WIBOR bij 98,5 % van alle leningen aan Poolse huishoudens als referentierente gebruikt. Het is duidelijk dat de onderhavige zaak van bijzonder belang is voor de Poolse hypotheeksector, met name voor zover die sector gebruikmaakt van de WIBOR.(4)

I.      Toepasselijke bepalingen

3.        Voor deze conclusie volstaat het te verwijzen naar de Ustawa z dnia 23 marca 2017 r. o kredycie hipotecznym oraz o nadzorze nad pośrednikami kredytu hipotecznego i agentami (wet van 23 maart 2017 op het hypothecair krediet en het toezicht op hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers)(5), waarvan artikel 29, leden 1 en 2, het volgende bepaalt:

„1.      In de hypothecaire kredietovereenkomst worden de bestanddelen vermeld die worden genoemd in artikel 69, lid 2, van de Ustawa z dnia 29 sierpnia 1997 r. – Prawo bankowe[(6)] alsmede:

[...]

(8)      de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de rentevoet wordt vastgesteld op grond waarvan het bedrag van de maandelijkse termijnen wordt berekend;

[...]

2.      Indien de partijen geen vaste rentevoet voor het hypothecair krediet zijn overeengekomen, wordt de in lid 1, punt 8, bedoelde rentevoet bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de hypothecaire kredietovereenkomst is vastgesteld.”

II.    Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen

4.        Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft verzoeker in het hoofdgeding, J.J., een consument, op 18 juni 2019 contact opgenomen met PKO om een hypothecaire lening van 400 000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 96 700 EUR) te verkrijgen. Bij die gelegenheid is hij onder meer geïnformeerd over de risico’s die verbonden zijn aan leningen met een variabele rentevoet in het algemeen. Hij heeft geen informatie ontvangen over de werking van de toepasselijke specifieke benchmark.

5.        Op 1 augustus 2019 hebben partijen in het hoofdgeding een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten voor een totaalbedrag van 413 436,69 PLN (ongeveer 100 000 EUR) voor de aankoop van een woning, met een looptijd van 20 jaar (hierna: „betrokken overeenkomst”). Voor deze lening gold een variabele rentevoet, berekend op basis van de WIBOR 6M, die op de datum van sluiting van de overeenkomst 1,79 % bedroeg, vermeerderd met een vaste marge van 1,85 %, waarbij de toepasselijke variabele rentevoet op halfjaarlijkse basis werd aangepast aan de ontwikkeling van deze benchmark (hierna: „litigieus contractueel beding”).

6.        In de algemene voorwaarden van de betrokken overeenkomst wordt de WIBOR 6M omschreven als de benchmark voor zesmaands deposito’s in zloty op de Poolse interbancaire markt, waarvan de waarde wordt bepaald overeenkomstig de regels betreffende met name de WIBOR die zijn gepubliceerd op de informatiewebsite van de „beheerder” van deze benchmarks(7), GPW Benchmark S.A. In de bijzondere voorwaarden van de betrokken overeenkomst wordt vermeld dat PKO de kredietnemer in kennis heeft gesteld van het risico van variabele rentevoeten, die in geval van een verhoging van de benchmark leiden tot een verhoging van het bedrag van de verschuldigde rente en dus van de maandelijkse termijnen. De algemene voorwaarden bevatten ook informatie hierover.

7.        Vervolgens hebben partijen in het hoofdgeding een aanvullende overeenkomst bij de betrokken overeenkomst gesloten, waarin de nadere regels zijn vastgelegd die van toepassing zijn in geval van een wezenlijke wijziging van de WIBOR 6M of bij beëindiging van de publicatie van de WIBOR 6M. Nadat J.J. tevergeefs bij PKO een klacht had ingediend over de rechtmatigheid van het litigieuze contractuele beding, heeft hij tegen die bank beroep ingesteld.

8.        De Sąd Okręgowy w Częstochowie (rechter in eerste aanleg Częstochowa, Polen), de verwijzende rechter, wijst erop dat PKO volgens de opmerkingen van J.J. geen betrouwbare, begrijpelijke en volledige informatie heeft verstrekt over het aan een variabele rentevoet verbonden risico en over de methode voor de bepaling van de WIBOR 6M. Dit geldt volgens J.J. met name voor de invloed die de banken, waaronder PKO, kunnen uitoefenen op de vaststelling van die benchmark, ongeacht de daadwerkelijke economische omstandigheden op de interbancaire markt en de economische realiteit, om zo voor zichzelf een „verborgen marge” te waarborgen. Hij betoogt dat bedingen inzake variabele rentevoeten juist enkel betrekking mogen hebben op objectieve indicatoren, waarop partijen geen enkele invloed kunnen uitoefenen. J.J. meent dat PKO daardoor de hoogte van zijn renteverplichting kan beïnvloeden en dat de bank het volledige renterisico aan hem als consument heeft overgedragen. Hij stelt ook dat PKO hem geen informatie heeft verstrekt over hetgeen de WIBOR 6M inhoudt, zodat hij de economische implicaties van zijn verplichtingen niet kon beoordelen.

9.        PKO betwist de argumenten van J.J. over het loskoppelen van de WIBOR 6M van de daadwerkelijke transacties waarin deze wordt gebruikt, over de mogelijkheid voor de banken om deze benchmark te manipuleren en over het bestaan van een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen hen om de WIBOR-waarden vast te stellen. Zij betoogt in essentie dat J.J. naar behoren is geïnformeerd over de risico’s die verbonden zijn aan het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet.

10.      De verwijzende rechter is van oordeel dat de naam van de benchmark weliswaar niet uitdrukkelijk wordt vermeld in de wet op het hypothecair krediet, maar dat het, met name gelet op verordening (EU) 2016/1368(8), geen twijfel lijdt dat de cruciale benchmark WIBOR als „de benchmark” in artikel 29, lid 2, van die wet moet worden opgevat. Tegen deze achtergrond verzoekt de verwijzende rechter om verduidelijking van de draagwijdte van de op de kredietgever rustende verplichting om de consument te informeren, teneinde vast te stellen of de kredietgever de volgende informatie moet verstrekken: a) de wijze waarop de benchmark wordt bepaald; b) welke factoren van invloed zijn op de waarde ervan; c) eventuele transparantieproblemen met de benchmark(9); d) de discretionaire bevoegdheid van de banken om de relevante gegevens te verstrekken; e) de criteria die de banken gebruiken om deze gegevens te verzamelen; f) het feit dat de kredietgever de gegevens zelf verstrekt, en g) de wijze waarop de kredietgever deze gegevens intern verzamelt en verwerkt.

11.      In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Częstochowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 1, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het is toegestaan om contractuele bedingen te onderzoeken die betrekking hebben op een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld?

3)      Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord: moet artikel 3, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat contractuele bedingen betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, kunnen worden geacht in strijd te zijn met de goede trouw en het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk te verstoren doordat de consument onjuist is geïnformeerd over de blootstelling aan het risico van de variabele rentevoet, met name doordat niet is aangegeven hoe de benchmark wordt vastgesteld die dient als basis voor de variabele rentevoet en wat de onzekerheden zijn omtrent het gebrek aan transparantie en de ongelijke verdeling van dit risico tussen de contractpartijen?

4)      Indien de vorige vragen bevestigend worden beantwoord: moet artikel 6, lid 1, juncto artikel 3, lid 1 en lid 2, tweede [alinea], en artikel 2 van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat wanneer een contractueel beding betreffende een variabele rentevoet die op basis van de WIBOR-benchmark wordt vastgesteld, als oneerlijk wordt beschouwd, de overeenkomst in stand kan blijven, waarbij de debetrentevoet gebaseerd wordt op het tweede element voor de berekening van de rentevoet in de overeenkomst, namelijk de vaste marge van de bank, zodat de variabele debetrentevoet een vaste rentevoet wordt?”

12.      J.J., PKO en de Tsjechische, de Poolse en de Portugese regering, alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 11 juni 2025 hebben al deze partijen, met uitzondering van de Tsjechische regering, pleidooi gehouden voor het Hof.

III. Analyse

13.      Overeenkomstig een verzoek van het Hof wordt in deze conclusie enkel ingegaan op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag.

14.      Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat J.J., zoals ter terechtzitting is bevestigd, de verenigbaarheid van de WIBOR met het nationale recht of het Unierecht (namelijk verordening 2016/1011) als zodanig niet bestrijdt. Hij betwist ook niet de methodologie voor de vaststelling van de waarde van deze benchmark en in beginsel evenmin het gebruik van de WIBOR in kredietovereenkomsten met een variabele rentevoet. J.J. stelt veeleer dat het feit dat de WIBOR als cruciale benchmark wordt erkend, niet betekent dat het PKO het recht van de consument op nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie over de kosten van een hypotheek zomaar mag negeren.

A.      Inleiding

15.      Ter inleiding moet het begrip „benchmark” in de zin van verordening 2016/1011 worden uitgelegd. Artikel 3, lid 1, punt 3, van deze verordening definieert „benchmark” als „een index op basis waarvan het uit hoofde van een financieel instrument of een financiële overeenkomst te betalen bedrag of de waarde van een financieel instrument wordt vastgesteld”. Uit artikel 34, lid 1, onder a), en lid 6, onder b), van verordening 2016/1011 volgt dat de toestemming voor het beheer van benchmarks zoals de WIBOR wordt verleend bij een administratief besluit van een bevoegde autoriteit – in Polen is dat de Komisja Nadzoru Finansowego (KNF) (financiële toezichthouder) – nadat deze heeft onderzocht of de betrokken benchmark voldoet aan de vereisten van deze verordening.(10) Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt het besluit van de financiële toezichthouder tot doel te hebben om vast te stellen dat de procedure voor het aanbieden van de WIBOR door de WIBOR-beheerder (met inbegrip van het WIBOR-reglement(11)) aan de vereisten van de Uniewetgeving voldoet.

16.      In het bijzonder wordt in de methode die is gebruikt om de WIBOR-referentierenten(12) vast te stellen in essentie bepaald dat de „referentierenten” referentierentevoeten zijn waartegen de geselecteerde banken bereid zijn om voor bepaalde perioden onderling geld te storten of te lenen. Deze referentiepercentages worden door de beheerder (GPW Benchmark) vastgesteld op basis van door de deelnemende banken tijdens een zogenoemde „fixing”-procedure verstrekte „handelbare bied‑ en laatkoersen”.(13) Voor de vaststelling van een rentepercentage zijn ten minste zes bied‑ en laatkoersen van banken nodig. Gedetailleerde regels over de bied‑ en laatkoersen, de criteria voor de selectie van deelnemers en hun verplichtingen zijn beschreven in de „Code of Conduct” op de website van GPW Benchmark.(14) De fixing vindt elke werkdag plaats. De referentiepercentages worden vastgesteld voor de volgende „depositotermijnen”: „1 werkdag – overnight (O/N)”, „1 werkdag – tomorrow/next (T/N)”, „1 week (SW)”, „2 weken (2W)”, „1 maand (1M)”, „3 maanden (3M)”, „6 maanden (6M)” (de in het hoofdgeding aan de orde zijnde depositotermijn), „9 maanden (9M)” en „1 jaar (1Y)”.(15) In de regel moeten de gegevens voor de berekening van de WIBOR betrekking hebben op reële transacties, maar indien deze gegevens niet beschikbaar of adequaat zijn, kunnen in plaats daarvan controleerbare niet op transacties gebaseerde gegevens worden gebruikt (dat wil zeggen bied‑ en laatkoersen of „biedrenten”).(16) De WIBOR wordt bepaald aan de hand van een middelingsmethode op basis van het aantal door de deelnemende banken aangeleverde indicatieve bied‑ en laatkoersen.(17) Ten slotte worden de WIBOR-rentepercentages elke werkdag gepubliceerd en zijn zij voor het publiek toegankelijk.(18)

B.      Eerste prejudiciële vraag: toepasselijkheid van richtlijn 93/13

17.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op die overeenkomst toepasselijke rentevoet bestaat uit een benchmark (in casu de WIBOR) en de vaste marge van de bank, is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.

18.      De verwijzende rechter vraagt zich af of richtlijn 93/13 van toepassing is, gelet op ten eerste zijn opmerkingen over de toepasselijke bepaling van nationaal recht(19) en ten tweede het feit dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 met name „contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen [...] zijn overgenomen” van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluit.

19.      Volgens de rechtspraak van het Hof moet bovengenoemde uitsluiting strikt worden uitgelegd.(20) Deze uitsluiting is enkel van toepassing indien twee voorwaarden zijn vervuld: in het contractuele beding moet een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en daarbij moet het om een dwingende bepaling gaan. Om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of in het betrokken contractuele beding bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die aanvullend zijn en derhalve bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen.(21)

20.      Volgens de rechtspraak kan een contractueel beding slechts worden geacht een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling „over te nemen” (en dus buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 te vallen) wanneer het kan worden geacht concreet dezelfde rechtsregel tot uitdrukking te brengen als die waarnaar in die dwingende bepaling wordt verwezen.(22)

21.      Met betrekking tot een benchmark heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitsluiting van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 niet van toepassing is indien de nationale regeling slechts een algemeen kader vaststelt voor de vaststelling van het rentepercentage voor de kredietovereenkomst en er aan de kredietverstrekker een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de benchmark als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.(23)

22.      Blijkens de verwijzingsbeslissing was het rentepercentage op grond van de betrokken overeenkomst gebaseerd op de WIBOR 6M in combinatie met een vaste marge van 1,85 %.(24)

23.      De vraag rijst of dit contractuele beding kan worden geacht een dwingende bepaling te hebben overgenomen in de zin van de rechtspraak van het Hof (aangehaald in punt 19 van deze conclusie). Artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet bepaalt dat indien de partijen geen vaste rentevoet voor het hypothecair krediet zijn overeengekomen, de rentevoet wordt bepaald door de som van de benchmark en de marge die in de hypothecaire kredietovereenkomst is vastgesteld. Deze wet stelt aldus een algemeen kader vast voor het bepalen van het rentepercentage van een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet, in die zin dat zij bepaalt dat de variabele rentevoet bestaat uit een benchmark en de vaste marge van de bank, zonder vast te leggen welke specifieke benchmark moet worden toegepast. Deze bepaling lijkt het gebruik van de WIBOR niet verplicht te stellen. Het feit dat de nationale wetgever, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, heeft gekozen voor algemene bewoordingen om de voorwaarden voor het gebruik van een variabele rentevoet vast te stellen, lijkt erop te wijzen dat artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet moet worden beschouwd als een algemene bepaling die de marktdeelnemers een zekere beoordelingsmarge laat om een specifieke benchmark, de rentevoet daarvan en de exacte vaste marge vast te stellen. Derhalve lijkt het litigieuze contractuele beding, dat preciseert dat de rentevoet gebaseerd is op de WIBOR en de 6M-rentevoet in combinatie met een vaste marge van 1,85 %, de inhoud van bovengenoemde nationale bepaling niet letterlijk weer te geven. Ten slotte bestaat er geen Unierechtelijke verplichting om een specifieke benchmark te gebruiken. Verordening 2016/1011 zelf verplicht niet tot het gebruik van een specifieke benchmark en, in het bijzonder, van de WIBOR 6M.

24.      Om deze redenen en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet niet duidelijk en ondubbelzinnig vast te stellen dat een specifieke benchmark en de rentevoet ervan, en in het bijzonder de WIBOR 6M-benchmark, moeten worden gebruikt. Dit artikel verplicht kredietgevers niet om in hypothecaire kredietovereenkomsten gebruik te maken van de WIBOR en evenmin van enig ander specifiek referentiepercentage. Zoals ook de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd, blijkt dat kredietgevers niet worden geconfronteerd met juridische belemmeringen voor het gebruik van een andere benchmark dan de WIBOR en dat de WIBOR weliswaar de belangrijkste maar niet de enige beschikbare benchmark op de Poolse markt is. Wederom onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijken er andere benchmarks te zijn die mogelijk hadden kunnen worden gebruikt, zoals de Warsaw Interest Rate Overnight (WIRON-)benchmark(25), de POLONIA-benchmark(26) of zelfs elke andere door de bevoegde autoriteit goedgekeurde benchmark. Bijgevolg beschikte PKO ten tijde van de sluiting van de overeenkomst over een zekere beoordelingsmarge, met name met betrekking tot de benchmark en de rentevoet ervan, toen zij in die overeenkomst een contractueel beding met een variabele rentevoet opnam.

25.      Volgens de verwijzende rechter lijdt het evenwel geen twijfel dat de in artikel 29, lid 2, van de wet op het hypothecair krediet bedoelde benchmark de WIBOR moet zijn. Voorts geeft hij aan dat tot 90 % van de consumentenkredietovereenkomsten in Polen gebaseerd is op een variabele rentevoet en de WIBOR als benchmark gebruikt.

26.      Zoals hierboven vermeld, valt een contractueel beding buiten de werkingssfeer van richtlijn 93/13 wanneer het een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling overneemt. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat, zoals ook blijkt uit de dertiende overweging van richtlijn 93/13, de in artikel 1, lid 2, geformuleerde uitsluiting van de werkingssfeer van de richtlijn zich uitstrekt tot de bepalingen van nationaal recht die voor de overeenkomstsluitende partijen gelden zonder dat zij dienaangaande enige keuze hebben. Deze uitsluiting vindt haar rechtvaardiging in het feit dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, een evenwicht dat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven.(27)

27.      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat alleen een duidelijke keuze van de wetgever om een specifieke dwingende bepaling in te voeren, in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 een vermoeden kan rechtvaardigen dat een evenwicht tussen alle door het Unierecht beschermde rechten daadwerkelijk wordt gewaarborgd. De praktijk van de op de markt actieve beroepsbeoefenaren kan, hoe dominant zij ook is, geen dergelijk effect genereren.

28.      Zoals in punt 16 van deze conclusie is uiteengezet, wordt de benchmark niet alleen bepaald door de keuze van een index, maar ook door de keuze van het type referentiepercentage. Krachtens verordening 2016/1011 zorgt de benchmarkbeheerder onder meer voor de publicatie of beschikbaarstelling van de belangrijkste elementen van de methodologie die hij gebruikt om benchmarks vast te stellen.(28) Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, heeft de beheerder van de WIBOR volgens voor het publiek toegankelijke informatie een dergelijke methodologie uiteengezet voor verschillende WIBOR-benchmarks, waaronder de WIBOR 1M, de WIBOR 3M, de WIBOR 6M en de WIBOR 1Y.(29) Derhalve laat de methodologie die de benchmarkbeheerder heeft vastgesteld om uitvoering te geven aan de vereisten van verordening 2016/1011, kredietgevers een zekere beoordelingsmarge bij de keuze van de specifieke benchmark en/of de specifieke rentevoet van de benchmark.

29.      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat, zoals de Tsjechische regering terecht heeft opgemerkt, aangezien de in artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 bedoelde uitsluiting strikt moet worden uitgelegd, andere situaties dan die waarin het contractuele beding een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling overneemt(30), niet van de werkingssfeer van deze richtlijn kunnen worden uitgesloten. De omstandigheid dat de WIBOR op grond van artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 is opgenomen in de lijst van cruciale benchmarks(31) rechtvaardigt op zichzelf niet dat het contractuele beding waarin naar de WIBOR wordt verwezen, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 93/13. Deze opneming vormt een erkenning van het belang van de WIBOR op de markt(32) en niet de uitdrukking van een keuze van de nationale wetgever in de zin van de hierboven besproken rechtspraak van het Hof.

30.      Bovendien blijkt uit artikel 1 en overweging 6 van verordening 2016/1011 dat een van de belangrijkste doelstellingen van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk regelgevend kader voor benchmarks op het niveau van de Unie erin bestond een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen („om [...] de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks in financiële [...] overeenkomsten”). Het zou in strijd zijn met dit doel indien het gebruik van een dergelijke benchmark, in een situatie waarin een kredietgever een zekere beoordelingsmarge behoudt bij de keuze van de specifieke benchmark en de rentevoet daarvan in het litigieuze contractuele beding, in de weg zou staan aan rechterlijke toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van een dergelijk contractueel beding.

31.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op de lening toepasselijke rentevoet een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wanneer de nationale regeling niet voorziet in de dwingende toepassing van die benchmark en de specifieke rentevoet ervan, ongeacht de keuze van de overeenkomstsluitende partijen.

C.      Tweede prejudiciële vraag: vereiste van transparantie van contractuele bedingen

32.      Indien het Hof mijn antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt, moet de tweede vraag van de verwijzende rechter worden onderzocht. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of op grond van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is.

33.      Volgens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 heeft de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van deze overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De verwijzende rechter kan het oneerlijke karakter van een beding dat betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst dus enkel toetsen indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is.(33)

34.      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd.(34) Bijgevolg kan een verwijzende rechter het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding enkel beoordelen nadat is nagegaan of het beding onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” valt en of is voldaan aan het transparantievereiste (duidelijk en begrijpelijk).

1.      Begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst”

35.      Specifiek met betrekking tot de categorie contractuele bedingen die onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, heeft het Hof geoordeeld dat die bedingen omvat die de voornaamste verbintenissen van de overeenkomst bepalen en als dusdanig de overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder dat begrip vallen.(35)

36.      Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomst, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan, te onderzoeken of het door die rechter in zijn vraag bedoelde beding een wezenlijk onderdeel is van de prestatie van de kredietnemer, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever geleende bedrag.(36) Het staat evenwel aan het Hof om op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 de criteria aan te duiden die van toepassing zijn bij dat onderzoek.(37)

37.      De voornaamste prestaties van een kredietovereenkomst houden vooral in dat de kredietgever zich ertoe verplicht om aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en dat de kredietnemer zich ertoe verplicht om dit geldbedrag, in het algemeen met rente, in afgesproken termijnen terug te betalen.(38) In een hypothecaire kredietovereenkomst met variabele rentevoet wordt de voornaamste prestatie van de kredietnemer, die bestaat in terugbetaling van het door de kredietgever ter beschikking gestelde geldbedrag, bepaald door naar die rentevoet te verwijzen. De terugbetaling van het krediet op basis van een variabele rentevoet houdt dus in beginsel rechtstreeks verband met de aard zelf van de verbintenis van de schuldenaar, en vormt dus een wezenlijk onderdeel van de hypothecaire kredietovereenkomst.

38.      Het litigieuze contractuele beding bepaalt dat de hypothecaire kredietovereenkomst uitgaat van een rente die wordt berekend op basis van een variabele rentevoet, die in de WIBOR-benchmark wordt vermeld. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 69, lid 2, punt 5, van de wet op het bankwezen van 29 augustus 1997 uitdrukkelijk bepaalt dat bedingen betreffende de rentevoet en elke wijziging daarvan deel moeten uitmaken van een kredietovereenkomst. Bovendien heeft de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangegeven dat een hypothecaire kredietovereenkomst krachtens artikel 29, lid 1, punt 8, van de wet op het hypothecair krediet de methode en de voorwaarden moet uiteenzetten voor het vaststellen van de rentevoet op basis waarvan het bedrag van de termijnen wordt berekend.

39.      Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter kan het litigieuze contractuele beding worden geacht onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” te vallen en maakt het dus deel uit van de voornaamste verbintenissen van de kredietnemer in een dergelijke overeenkomst.

2.      Begrip „duidelijke en begrijpelijke taal” en vereiste van transparantie

40.      Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd ook geldt wanneer een beding onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 valt. De in die bepaling bedoelde bedingen ontsnappen immers enkel aan de beoordeling van hun oneerlijke karakter voor zover de bevoegde nationale rechter, na een beoordeling per geval, oordeelt dat zij door de verkoper duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd(39) (vereiste van transparantie van contractuele bedingen).

41.      Met betrekking tot het vereiste van transparantie van contractuele bedingen heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat die bedingen taalkundig en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om aan dat vereiste, dat in artikel 5 van richtlijn 93/13 wordt herhaald, te voldoen. Dit vereiste dat contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en dus het vereiste dat zij transparant zijn, zoals vastgelegd in richtlijn 93/13, moet ruim worden opgevat, aangezien deze richtlijn op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt.(40)

42.      In het arrest Gómez del Moral Guasch I heeft het Hof het transparantievereiste onderzocht in relatie tot een contractueel beding dat in het kader van een hypothecaire kredietovereenkomst voorziet in een vergoeding van die lening door middel van rente die wordt berekend op basis van een variabele rentevoet, die is vastgesteld onder verwijzing naar een officiële benchmark. Het Hof heeft geoordeeld dat het vereiste van transparantie aldus moet worden begrepen dat het niet alleen gebiedt dat het betrokken beding voor de consument formeel en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat wordt gesteld om de concrete werking van de berekeningswijze van die rentevoet te begrijpen en om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten.(41)

43.      Aangezien de bevoegdheid van het Hof enkel betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht, in dit geval inzonderheid richtlijn 93/13, staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om daartoe de noodzakelijke feitelijke verificaties te verrichten op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en de informatie die door de kredietgever in het kader van de onderhandeling van de betrokken overeenkomst worden verstrekt. Meer in het bijzonder staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of in de betrokken zaak aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen.(42)

44.      In het arrest Gómez del Moral Guasch I heeft het Hof geoordeeld dat het voor dat onderzoek relevant was dat de voornaamste gegevens met betrekking tot de berekening van de in die zaak op de overeenkomst toepasselijke benchmark gemakkelijk toegankelijk waren voor eenieder die een hypothecaire lening wilde aangaan.(43) Het Hof heeft het voor de beoordeling van de transparantie van het in die zaak aan de orde zijnde contractuele beding ook relevant geacht dat de kredietinstellingen volgens de van kracht zijnde nationale regeling de consumenten moesten informeren over de evolutie van de relevante benchmark in het verleden.(44)

45.      Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter stond om na te gaan of de kredietgever bij de sluiting van de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomst daadwerkelijk aan alle informatieverplichtingen van de nationale regeling had voldaan.(45)

46.      In het arrest Kutxabank(46) heeft het Hof geoordeeld dat de informatie over bepaalde contractuele aspecten die kandidaat-kredietnemers nodig hebben om de draagwijdte van de aanvaarding van een voorstel voor een kredietovereenkomst te begrijpen, kan voortvloeien uit gegevens die niet rechtstreeks door de professionele kredietgever zijn verstrekt, op voorwaarde dat deze gegevens publiekelijk beschikbaar en toegankelijk zijn, in voorkomend geval dankzij bepaalde aanwijzingen die de professionele kredietgever daartoe aan de consument heeft verstrekt.

47.      Wat in het bijzonder de toegankelijkheid betreft van de informatie die niet rechtstreeks door de professionele kredietgever is verstrekt, is het van belang dat die kredietgever de kandidaat-kredietnemers voldoende nauwkeurige en juiste aanwijzingen verstrekt zodat zij van die informatie kennis kunnen nemen zonder naspeuringen te verrichten die redelijkerwijs niet van de gemiddelde consument kunnen worden verwacht.(47)

48.      In het hoofdgeding verwijst het litigieuze contractuele beding naar een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet. Zoals reeds in punt 10 van deze conclusie en met name in voetnoot 8 is uiteengezet, is de WIBOR overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening 2016/1011 opgenomen in de lijst van cruciale benchmarks. Het proces voor de erkenning van de WIBOR als cruciale benchmark wordt geregeld door deze verordening, die volgens artikel 1 ervan is vastgesteld om de nauwkeurigheid, de degelijkheid en de integriteit te waarborgen van de relevante benchmarks die in financiële overeenkomsten worden gebruikt.

49.      Verordening 2016/1011 houdt rekening met de ongelijke onderhandelingsmogelijkheden van consumenten ten opzichte van kredietgevers en het gebruik van standaardvoorwaarden in hypotheek‑ en consumentenkredietovereenkomsten die naar een benchmark verwijzen. In overweging 71 van verordening 2016/1011 wordt erop gewezen dat consumenten in dergelijke situaties slechts een beperkte keuze kunnen hebben wat de gebruikte benchmark betreft. Om de positie van consumenten en die van kredietgevers in evenwicht te brengen, moet er volgens de Uniewetgever voor worden gezorgd dat de kredietgevers ten minste adequate informatie aan consumenten verstrekken. Daartoe zijn richtlijn 2008/48/EG(48) en richtlijn 2014/17/EU(49) dienovereenkomstig gewijzigd bij de artikelen 56 en 57 van verordening 2016/1011.

50.      Meer bepaald voegt verordening 2016/1011 nieuwe informatie toe [nieuw artikel 13, lid 1, onder e bis), van richtlijn 2014/17] die aan consumenten moet worden verstrekt voordat een hypothecaire kredietovereenkomst met gebruikmaking van een benchmark wordt gesloten. De algemene informatie die kredietgevers bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten verstrekken, moet „de naam van de benchmark en de beheerder daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument” bevatten.

51.      Wat de betrokken overeenkomst betreft, merkt de verwijzende rechter op dat deze informatie bevatte over de entiteit die de benchmark vaststelt en over de basis waarop die benchmark wordt vastgesteld, over de depositotermijn voor die benchmark en over de wijze waarop de rentevoet op basis van die benchmark wordt bepaald. Deze rechter betwijfelt evenwel of ook moet worden uitgelegd hoe de WIBOR zelf wordt bepaald en welke factoren de niveauwijziging van de WIBOR beïnvloeden. Deze vraag heeft betrekking op de opmerkingen die bij de verwijzende rechter zijn ingediend door J.J., die zich erover beklaagde dat hij geen uitleg had gekregen over de wijze waarop de WIBOR wordt aangeboden, en over het feit dat deze benchmark wordt bepaald op basis van door de banken zelf verstrekte gegevens en dat de banken over een zekere keuzevrijheid beschikken bij het verstrekken van die gegevens.

52.      In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening 2016/1011 de methodologie voor het vaststellen van benchmarks regelt om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid ervan te waarborgen. Uit overweging 26 van deze verordening blijkt dat de Uniewetgever zich bewust is van het risico op manipulatie bij het verstrekken van de inputgegevens. Hij erkent dat benchmarkbeheerders in de regel verplicht zijn om transactiegebaseerde inputgegevens te gebruiken. Andere gegevens, zoals bepaald in die verordening, kunnen evenwel worden gebruikt indien de transactiegegevens niet volstaan of ongeschikt zijn om de integriteit en nauwkeurigheid van de benchmark te waarborgen. Dit komt tot uiting in artikel 11 van verordening 2016/1011, waarin de vereisten met betrekking tot de inputgegevens voor het aanbieden van een benchmark zijn vastgelegd (deze moeten met name „toereikend zijn om op nauwkeurige en betrouwbare wijze de economische realiteit weer te geven die de benchmark moet meten” en „verifieerbaar” zijn).

53.      Overweging 27 van verordening 2016/1011 benadrukt de noodzaak om een transparante methodologie vast te stellen die de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de benchmark waarborgt. In deze overweging staat te lezen dat transparantie niet inhoudt dat de formule die wordt toegepast voor de vaststelling van een bepaalde benchmark moet worden gepubliceerd, maar veeleer dat die elementen worden bekendgemaakt op grond waarvan belanghebbenden kunnen begrijpen hoe de benchmark wordt vastgesteld en zij de representativiteit, relevantie en geschiktheid daarvan voor het bestemde gebruik kunnen beoordelen. Dit komt tot uiting in artikel 13 van deze verordening, met als opschrift „Transparantie van de methodologie”, dat de beheerder (in de zin van verordening 2016/1011) verplicht om bepaalde in dat artikel opgesomde informatie te publiceren of beschikbaar te stellen.

54.      Uit het voorgaande volgt dat deze informatie, die belanghebbenden, waaronder consumenten, in staat stelt de methodologie te begrijpen die is gebruikt voor het aanbieden van een benchmark overeenkomstig verordening 2016/1011, deel moet uitmaken van de informatie die de beheerder moet publiceren of beschikbaar moet stellen. Volgens het bij verordening 2016/1011 vastgestelde gemeenschappelijke kader berust deze verantwoordelijkheid bij de benchmarkbeheerder.

55.      Bovendien voorziet verordening 2016/1011 in de artikelen 7, 8 en 9 in een onafhankelijke klachtenprocedure die volgens overweging 23 „belanghebbenden in staat [moet] stellen klachten bij de benchmarkbeheerder te melden en ervoor [moet] zorgen dat de benchmarkbeheerder de gronden van een klacht op objectieve wijze beoordeelt”. Deze procedure biedt belanghebbenden, met inbegrip van consumenten, een specifieke administratieve weg om een klachtenprocedure in te leiden indien zij betwijfelen of de benchmark in overeenstemming met de relevante bepalingen van het Unierecht is vastgesteld.

56.      Wanneer een kredietgever een consument een hypothecaire kredietovereenkomst aanbiedt die gebruikmaakt van een benchmark, is de informatieplicht van die kredietgever specifiek vastgelegd in artikel 13, lid 1, onder e bis), van richtlijn 2014/17. Zoals hierboven is opgemerkt, moet de kredietgever de consument informeren over „de namen van de benchmarks en de beheerders daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument”. Deze informatie moet voldoende precies en nauwkeurig aan potentiële kredietnemers worden verstrekt om een gemiddelde consument in staat te stellen toegang te krijgen tot de voor het publiek toegankelijke relevante informatie en kennis te nemen van de belangrijkste elementen van de methodologie die ten grondslag ligt aan het aanbieden van de benchmark. De relevante mogelijke gevolgen voor de consument zijn die welke voortvloeien uit factoren die van invloed kunnen zijn op de omvang van de verplichting van de consument, waaronder met name het risico in verband met schommelingen van de variabele rentevoet en de informatie over de belangrijkste elementen die tot dergelijke schommelingen leiden.

57.      Uit de analyse van het bij verordening 2016/1011 vastgestelde kader voor benchmarks volgt dat het transparantievereiste van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met deze verordening, de kredietgever niet verplicht om rechtstreeks meer gedetailleerde informatie over de methodologie voor de vaststelling van de benchmark te verstrekken dan die welke op grond van verordening 2016/1011 vereist is. In deze verordening is immers algemene informatie over de gebruikte methodologie te vinden en meer specifieke informatie moet door de beheerder worden gepubliceerd of openbaar worden gemaakt.

58.      Zoals hierboven is opgemerkt, blijft het evenwel een feit dat de kredietgever de consument precies en nauwkeurig moet informeren over de relevante informatie betreffende de naam van de benchmark en de beheerder daarvan, alsmede de gevolgen voor de consument. Mijns inziens zou het in strijd zijn met de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende vereisten van transparantie en goede trouw indien de kredietgever slechts enkele van de elementen van de gebruikte onderliggende methodologie zou vermelden, zodat die methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, niet volledig openbaar worden gemaakt of een vertekend beeld van het type benchmark geven.

59.      Ter terechtzitting heeft J.J. aangevoerd dat bij hem het valse beeld werd gewekt dat de WIBOR bestond uit transactiegebaseerde gegevens met betrekking tot interbancaire leningen, terwijl in werkelijkheid 98,27 % van de onderliggende gegevens bestond uit ramingen (bied‑ en laatkoersen) die waren verstrekt door de bij het vaststellingsproces betrokken banken.(50) J.J. voerde ook aan dat PKO hem informatie had verstrekt die in strijd was met de toepasselijke wetgeving en met de economische realiteit. PKO heeft deze vorderingen krachtig betwist. Zij betoogde ter terechtzitting dat zij nauwkeurige en precieze informatie had verstrekt. Overeenkomstig de hierboven uiteengezette rechtspraak van het Hof(51) staat het aan de nationale rechter, wanneer hij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking neemt, om na te gaan of aan de consument voldoende precies en nauwkeurig alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen.

60.      Hieruit volgt dat op de tweede prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is, indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (vereiste van transparantie). Om aan dit vereiste te voldoen, moet de kredietverstrekker de consument voldoende precies en nauwkeurig informeren over de naam van de gebruikte benchmark en die van de beheerder ervan, alsmede over de mogelijke gevolgen voor de consument van het gebruik van die benchmark, zodat hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. De wijze waarop de informatie direct of indirect door de kredietgever wordt verstrekt, moet zodanig zijn dat deze informatie de onderliggende methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, volledig weergeeft en geen vertekend beeld geeft van het type benchmark.

D.      Derde prejudiciële vraag: onrechtmatig karakter van het litigieuze contractuele beding

61.      Aangezien de beoordeling van het transparantievereiste door de verwijzende rechter kan leiden tot de vaststelling dat er sprake is van een gebrek aan transparantie in verband met het litigieuze contractuele beding, zal het Hof zich moeten buigen over de derde prejudiciële vraag. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een contractueel beding waarin een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet is opgenomen, oneerlijk kan zijn in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 doordat de bank de consument onvoldoende informatie heeft verstrekt en het risico ongelijk is verdeeld tussen de partijen bij de overeenkomst.(52)

62.      Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 wordt een contractueel beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In dit verband heeft het Hof erop gewezen dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 met de verwijzing naar de begrippen „goede trouw” en „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, in abstracto de factoren omschrijft die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.(53)

63.      Om te bepalen of een beding ten nadele van de consument leidt tot een „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen, om te beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie brengt dan die welke het geldende nationale recht bepaalt. Aangezien het gaat om een beding betreffende de berekening van de rente in een kredietovereenkomst, is het ook van belang om de in dit beding vastgelegde wijze van berekening van de rente en het daadwerkelijke rentebedrag dat daaruit voortvloeit te vergelijken met de wettelijke rente en de rentevoeten die ten tijde van de sluiting van de betrokken overeenkomst op de markt werden gehanteerd voor leningen voor een bedrag en een looptijd overeenkomende met die van de betrokken kredietovereenkomst.(54)

64.      Wat de vraag betreft in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van richtlijn 93/13, na te gaan of de verkoper, door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.(55)

65.      Bovendien moeten overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop deze is gesloten, in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop zij betrekking heeft. Hieruit vloeit in dit verband voort dat ook de gevolgen moeten worden beoordeeld die het beding kan hebben in het kader van het op de overeenkomst toepasselijke recht, hetgeen een onderzoek van het nationale rechtsstelsel impliceert.(56)

66.      In dit verband heeft de bevoegdheid van het Hof dienaangaande volgens de rechtspraak betrekking op de uitlegging van het begrip „oneerlijk beding” als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 en in de bijlage daarbij, alsook op de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan die richtlijn. Het staat daarom aan die rechter om zich, rekening houdend met die criteria en in het licht van de omstandigheden van de zaak, uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen, waarmee de verwijzende rechter geacht wordt rekening te houden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het betrokken contractuele beding.(57)

67.      In het hoofdgeding rijst de vraag of een contractueel beding oneerlijk is in de context van de verstrekking van vermeend ontoereikende of onjuiste informatie door de kredietgever aan de consument en de onder meer daaruit voortvloeiende ongelijke verdeling van het risico tussen de partijen bij de overeenkomst. Het enkele feit dat een beding niet voldoet aan het transparantievereiste, dat, zoals ik reeds heb aangegeven, inhoudt dat de consument voldoende en nauwkeurig moet worden geïnformeerd, kan op zichzelf echter niet tot gevolg hebben dat het beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.(58) Om vast te stellen of een contractueel beding oneerlijk is, dient de verwijzende rechter de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende criteria volledig te beoordelen.

68.      In dit verband moet worden opgemerkt dat de twijfels van de verwijzende rechter zich lijken te concentreren op twee verschillende kwesties: i) het verstrekken van adequate informatie aan de consument over het risico dat voortvloeit uit het gebruik van de variabele rentevoet in de betrokken lening, en ii) het verstrekken van adequate en precieze informatie over de vaststelling van de WIBOR.

69.      Nationale rechterlijke instanties mogen weliswaar krachtens richtlijn 93/13 contractuele bedingen op basis van benchmarks als de WIBOR in civiele zaken zoals het hoofdgeding beoordelen(59), maar zij mogen geen onderzoek uitvoeren naar de methodologie voor de vaststelling van dergelijke benchmarks, aangezien een dergelijk onderzoek niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. Bovendien is bij verordening 2016/1011, zoals hierboven is uiteengezet(60), een specifieke onafhankelijke klachtenprocedure ingevoerd teneinde belanghebbenden, met inbegrip van consumenten, een specifieke administratieve weg te bieden om een klachtenprocedure in te leiden indien zij betwijfelen of de benchmark in overeenstemming met de relevante bepalingen van het nationale recht en/of het Unierecht is vastgesteld. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zou de mogelijkheid voor de nationale civiele rechter om de methodologie voor de vaststelling van de cruciale benchmark te toetsen aan de hand van een beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding in de zin van richtlijn 93/13, afbreuk doen aan het door de Uniewetgever krachtens verordening 2016/1011 ingevoerde specifieke systeem voor het beheer van cruciale benchmarks.

70.      Bijgevolg moet de beoordeling van de verwijzende rechter in het hoofdgeding beperkt blijven tot het litigieuze contractuele beding en tot alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, terwijl de elementen die verband houden met het bij verordening 2016/1011 ingevoerde systeem voor het beheer van benchmarks van de werkingssfeer zijn uitgesloten van die beoordeling.

71.      In het bijzonder staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de kredietverstrekker de consument alle relevante informatie heeft verschaft aan de hand waarvan deze laatste de economische gevolgen van het litigieuze contractuele beding voor zijn financiële verplichtingen kon inschatten. Daarbij zij eraan herinnerd dat de door richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding een van de elementen is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding.(61)

72.      In de verwijzingsbeslissing geeft de verwijzende rechter aan dat de contractuele bedingen inzake de op de WIBOR gebaseerde variabele rentevoet kunnen worden geacht in strijd te zijn met de vereisten van goede trouw en het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst aanzienlijk te verstoren ten nadele van de consument, doordat de consument niet naar behoren is geïnformeerd over zijn blootstelling aan het aan een variabele rentevoet verbonden risico en dit risico ongelijkmatig was verdeeld tussen deze partijen. Hij wijst er tevens op dat PKO, als kredietgever, op de hoogte was van de methodologie voor de vaststelling van de WIBOR en van de bestaande twijfels over de transparantie van de vaststelling van die rentevoet, maar ervoor heeft gekozen de consument daarover niet te informeren. Volgens de verwijzende rechter kan dit worden beschouwd als een bron van onevenwichtigheid tussen de partijen bij de overeenkomst voor alle aspecten van die overeenkomst.(62)

73.      In deze omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of het litigieuze contractuele beding oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, waarbij hij alle uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende criteria dient te toetsen. Deze beoordeling moet onder meer de vraag omvatten of er sprake was van een gebrek aan duidelijke informatie die afbreuk kon doen aan het vermogen van J.J. om de economische gevolgen van het litigieuze contractuele beding te begrijpen. In deze context dient de verwijzende rechter na te gaan of het ontbreken van nauwkeurige en toereikende informatie het evenwicht zodanig kon wijzigen in het voordeel van de bank dat het evenwicht tussen de voor de partijen uit de betrokken overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk werd verstoord ten nadele van de consument. De verwijzende rechter dient daartoe na te gaan of de kredietgever (PKO), bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument (J.J.), redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.(63) Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het aan het gebruik van het litigieuze contractuele beding verbonden risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen.

74.      Bovendien moet de verwijzende rechter beoordelen of de door de kredietgever aan de consument verstrekte informatie op neutrale en objectieve wijze is verstrekt, zonder de consument te doen geloven dat de keuze van het litigieuze contractuele beding en van de WIBOR gunstig was voor hem, terwijl dat feitelijk niet het geval was.

75.      Hieruit volgt dat op de derde prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter moet onderzoeken of een contractueel beding inzake een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de voor de partijen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument. Daarbij moet de nationale rechter in het kader van zijn algehele beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding nagaan of de kredietgever, bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het uit het gebruik van het litigieuze contractuele beding voortvloeiende risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen. Deze beoordeling kan echter geen betrekking hebben op de WIBOR als zodanig en op de wijze waarop deze wordt vastgesteld.

IV.    Conclusie

76.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Sąd Okręgowy w Częstochowie te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de op de lening toepasselijke rentevoet een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet is, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wanneer de nationale regeling niet voorziet in de dwingende toepassing van die benchmark en de specifieke rentevoet ervan, ongeacht de keuze van de overeenkomstsluitende partijen.

2)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan kan worden beoordeeld of een beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypothecaire kredietovereenkomst dat voorziet in de toepassing op die overeenkomst van een op de WIBOR 6M gebaseerde variabele rentevoet, oneerlijk is, indien dat beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (vereiste van transparantie). Om aan dit vereiste te voldoen, moet de kredietverstrekker de consument voldoende precies en nauwkeurig informeren over de naam van de gebruikte benchmark en die van de beheerder ervan, alsmede over de mogelijke gevolgen voor de consument van het gebruik van die benchmark, zodat hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. De wijze waarop de informatie direct of indirect door de kredietgever wordt verstrekt, moet zodanig zijn dat deze informatie de onderliggende methodologie en de belangrijkste elementen die tot schommelingen van de rentevoet leiden, volledig weergeeft en geen vertekend beeld geeft van het type benchmark.

3)      Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 vereist dat de nationale rechter onderzoekt of een contractueel beding inzake een op de WIBOR-benchmark gebaseerde variabele rentevoet in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de voor de partijen uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen aanzienlijk verstoort ten nadele van de consument. Daarbij moet de nationale rechter in het kader van zijn algehele beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding nagaan of de kredietgever, bij eerlijke en billijke onderhandelingen met de consument, redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat deze laatste een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. Daartoe moet worden nagegaan of de consument toestemming heeft gegeven voor het uit het gebruik van het litigieuze contractuele beding voortvloeiende risico nadat hij volledige en nauwkeurige informatie had ontvangen. Deze beoordeling kan echter geen betrekking hebben op de WIBOR als zodanig en op de wijze waarop deze wordt vastgesteld.”