Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 december 2025
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 december 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 december 2025
Uitspraak
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
11 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 205 – Hoofdelijke aansprakelijkheid – Insolventie van de hoofdschuldenaar – Behoud van de verplichting tot betaling van de btw – Hoofdelijke aansprakelijkheid van een derde na doorhaling van de hoofdschuldenaar in het handelsregister – Rechtzekerheidsbeginsel – Evenredigheidsbeginsel ”
In zaak C‑121/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije) bij beslissing van 7 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2024, in de procedure
„Vaniz” EOOD
tegen
Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” – Veliko Tarnovo,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „Vaniz” EOOD, vertegenwoordigd door H. Kostadinov, аdvоkаt,
– Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” – Veliko Tarnovo, vertegenwoordigd door B. M. Nikolov,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door S. Ruseva en T. Tsingileva als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en M. Ilkova als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”) en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Vaniz” EOOD, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Bulgaars recht, en de Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” – Veliko Tarnovo (directeur van de directie „Betwistingen en dagelijks beheer van belastingen en sociale zekerheid” van Veliko Tarnovo, Bulgarije; hierna: „belastingdienst”) over de hoofdelijke aansprakelijkheid van Vaniz voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In overweging 44 van de btw-richtlijn staat te lezen:
„De lidstaten moeten kunnen bepalen dat een ander dan de tot voldoening van de belasting gehouden persoon hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen.”
4 Artikel 193 van deze richtlijn luidt:
„De btw is verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of een belastbare dienst verricht, behalve in de gevallen waarin de belasting uit hoofde van de artikelen 194 tot en met 199 ter en artikel 202 door een andere persoon verschuldigd is.”
5 Artikel 205 van die richtlijn bepaalt:
„In de in de artikelen 193 tot en met 200 en 202, 203 en 204 bedoelde situaties kunnen de lidstaten bepalen dat een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen.”
6 Artikel 207 van die richtlijn luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig de artikelen 194 tot en met 197 en de artikelen 199 en 204 worden geacht in plaats van een niet op hun respectieve grondgebied gevestigde belastingplichtige tot voldoening van de belasting te zijn gehouden, de in deze afdeling vastgestelde betalingsverplichtingen nakomen.
De lidstaten treffen voorts de nodige maatregelen opdat de personen die overeenkomstig artikel 205 worden geacht hoofdelijk verplicht te zijn de btw te voldoen, deze betalingsverplichtingen nakomen.”
Bulgaars recht
DOPK
7 Artikel 21, lid 1, van de Danachno-osiguritelen protsesualen kodeks (wetboek belasting‑ en socialeverzekeringsprocesrecht) (DV nr. 105 van 29 december 2005), in de vanaf 1 januari 2006 geldende versie (hierna: „DOPK”), bepaalt:
„In de in de artikelen 16, 18 en 19 bedoelde gevallen wordt de aansprakelijkheid van derden vastgesteld door middel van een naheffingsaanslag.”
8 Artikel 112, lid 1, van dit wetboek luidt:
„De navorderingsprocedure wordt ingeleid met de uitvaardiging van een bevel tot belastingcontrole.”
9 Artikel 168 van dat wetboek bepaalt:
„De publiekrechtelijke vordering vervalt:
[...]
6. na verdeling van de opbrengst van de tegeldemaking van de activa van een failliete rechtspersoon, tenzij derden aansprakelijk zijn voor de publiekrechtelijke vordering;
7. bij doorhaling van een rechtspersoon na ontbinding ervan door een liquidatieprocedure, tenzij derden aansprakelijk zijn voor de publiekrechtelijke vordering;
[...]”
ZDDS
10 Artikel 177 van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (wet op de belasting over de toegevoegde waarde) (DV nr. 63 van 4 augustus 2006), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZDDS”), luidt:
„(1) De geregistreerde persoon voor wie de belastbare levering bestemd is, is aansprakelijk voor de door een andere geregistreerde persoon verschuldigde maar niet-betaalde belasting, voor zover gebruik is gemaakt van het recht op aftrek van voorbelasting die direct of indirect in verband met de verschuldigde, niet-betaalde belasting staat.
(2) De in lid 1 bedoelde aansprakelijkheid treedt in wanneer de geregistreerde persoon wist of had moeten weten dat deze belasting onbetaald zou blijven en dit door de controle-instantie is bewezen overeenkomstig de artikelen 117 tot en met 120 [DOPK].
(3) Voor de toepassing van lid 2 wordt aangenomen dat de persoon had moeten weten dat de belasting onbetaald zou blijven wanneer aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1. de in de zin van lid 1 verschuldigde belasting werd voor een bepaald belastingtijdvak door geen van de toeleveranciers van een belastbare handeling met betrekking tot dezelfde waar of dezelfde belastbare dienst daadwerkelijk betaald, ongeacht of deze zich in dezelfde, een veranderde of een verwerkte toestand bevindt;
2. de belastbare handeling is slechts in schijn verricht, heeft de wet omzeild of is verricht voor een prijs die aanzienlijk verschilt van de marktprijs.
(4) Voor de aansprakelijkheid op grond van lid 1 is niet vereist dat een specifiek voordeel wordt verkregen als gevolg van de niet-betaling van de verschuldigde belasting.
(5) Onder de voorwaarden van de leden 2 en 3 is ook de toeleverancier van de belastingplichtige die de niet-betaalde belasting moet betalen, aansprakelijk.
(6) In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen treedt de aansprakelijkheid in ten aanzien van de belastingplichtige die de rechtstreekse afnemer is van de levering waarvoor de verschuldigde belasting niet is betaald, en wanneer de belasting niet kan worden geïnd, kan elke afnemer die zich lager in de leveringsketen bevindt, aansprakelijk worden gesteld.
(7) Lid 6 is van overeenkomstige toepassing op toeleveranciers.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 In de maanden juli, augustus en september van 2017 heeft Vaniz, die actief is op het gebied van goederenvervoer over de weg, vrachtwagens gekocht en voertuigen voor transport gehuurd bij de leverancier „Stars International” EOOD, die voor deze verschillende transacties 35 facturen heeft uitgereikt. Stars International heeft deze transacties in haar btw-aangiften opgenomen, terwijl Vaniz, als ontvanger van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten, haar recht op aftrek van voorbelasting heeft uitgeoefend. De door Stars International aangegeven btw is echter niet aan de schatkist afgedragen, zoals de belastingdienst tijdens een belastingcontrole heeft vastgesteld.
12 Bovendien is op 19 juli 2019 een insolventieprocedure ingeleid voor Stars International. Bij vonnis van 4 augustus 2020 is deze procedure beëindigd en werd de doorhaling van Stars International uit het handelsregister gelast.
13 Op 17 januari 2022 heeft de belastingdienst tegen Vaniz een belastingcontroleprocedure ingeleid om vast te stellen of zij hoofdelijk aansprakelijk was voor de betaling van de btw die Stars International had aangegeven op de 35 bovengenoemde facturen, maar die door die vennootschap niet aan de schatkist was afgedragen. Tijdens deze procedure heeft deze dienst zich op het standpunt gesteld dat Vaniz wist of had moeten weten dat deze btw niet zou worden betaald.
14 De belastingdienst was van mening dat Vaniz hoofdelijk aansprakelijk was voor de betaling van die btw en legde haar een naheffingsaanslag op van 217 277,82 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 111 092 EUR), vermeerderd met vertragingsrente van 114 365,21 BGN (ongeveer 58 474 EUR).
15 Vaniz is tegen deze aanslag opgekomen bij de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije), de verwijzende rechter. Zij voert aan dat Stars International, de hoofdschuldenaar van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde btw-schuld, in het handelsregister is doorgehaald en sinds 4 augustus 2020 als rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, dat wil zeggen vóór de inleiding van de procedure tot vaststelling van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van deze schuld op 17 januari 2022. Volgens haar worden de verplichtingen van een rechtspersoon na diens ontbinding tenietgedaan, zodat een procedure tot vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van een derde voor deze verplichtingen niet meer kan worden ingesteld.
16 De belastingdienst is daarentegen van mening dat de btw-schuld naar nationaal recht niet tenietgaat door het overlijden of de ontbinding van de schuldenaar wanneer er derden zijn die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor die schuld.
17 De verwijzende rechter herinnert eraan dat het Hof in zijn arrest van 20 mei 2021, ALTI (C‑4/20, EU:C:2021:397), heeft geoordeeld dat de lidstaten op grond van de hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 205 van de btw-richtlijn de persoon die hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de door de belastingplichtige niet-voldane belasting, alle elementen in verband met deze belasting ten laste kunnen brengen, wanneer vaststaat dat deze persoon, toen hij gebruikmaakte van zijn recht op aftrek, wist of had moeten weten dat die schuldenaar de belasting niet zou afdragen.
18 Deze rechter is evenwel van oordeel dat de temporele begrenzingen van de hoofdelijke aansprakelijkheid moeten worden vastgelegd en dat in het bijzonder moet worden verduidelijkt tot welk moment een dergelijke aansprakelijkheid kan worden vastgesteld. Volgens deze rechter moet in casu in aanmerking worden genomen dat het niet gaat om een belastingschuld van de belastingplichtige, maar om aansprakelijkheid voor de schulden van een ander, en dat de persoon van wie betaling van deze schulden wordt gevorderd, pas ontdekt dat hij een dergelijke aansprakelijkheid moet dragen op een tijdstip waarop de btw-plichtige juridisch niet meer bestaat. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Vaniz door de belastingdienst in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van de beginselen van het Unierecht.
19 Derhalve heeft de Administrativen sad Veliko Tarnovo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Staan overweging 44 en artikel 205 van [de btw-richtlijn] alsmede de beginselen van transparantie en evenredigheid van de aansprakelijkheid toe dat een procedure wordt ingeleid om de hoedanigheid van hoofdelijk schuldenaar van btw-schulden en de omvang van de hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen nadat de hoofdschuldenaar heeft opgehouden als rechtssubject te bestaan?
2) Staan deze bepalingen er – na de doorhaling van de schuldenaar [in het handelsregister], zonder dat een rechtsopvolger de rechten en verplichtingen heeft overgenomen – aan in de weg dat een geregistreerde vordering op die persoon blijft bestaan waarvoor een derde vervolgens aansprakelijk wordt gesteld?
3) Is de hierboven beschreven administratieve praktijk van de nationale belastingdiensten in overeenstemming met de verwezenlijking van het rechtszekerheidsbeginsel?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
20 Volgens de belastingdienst zijn de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk.
21 Ten eerste betoogt die dienst dat, anders dan de verwijzende rechter in de eerste vraag stelt, de belastingcontroleprocedure tot vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Vaniz krachtens artikel 177 ZDDS voor de btw-schulden van Stars International reeds was ingeleid op de datum waarop laatstgenoemde vennootschap werd ontbonden. Bijgevolg komt de eerste vraag niet overeen met de feitelijke situatie van het hoofdgeding en is zij dus louter hypothetisch.
22 Ten tweede bestaat er geen relevante Unierechtelijke regeling op grond waarvan de tweede vraag kan worden beantwoord.
23 In dit verband zij in herinnering gebracht dat artikel 267 VWEU volgens vaste rechtspraak een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten tot stand brengt. In het kader van die procedure, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof, behoort elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis dient te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich op basis van de door de nationale rechter omschreven feiten over de uitlegging of geldigheid van een Uniebepaling uit te spreken [zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 4 oktober 2024, Schrems (Mededeling van gegevens aan het grote publiek), C‑446/21, EU:C:2024:834, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
24 Bij de beantwoording van de eerste vraag moet dus worden uitgegaan van de feiten waarop deze berust, zoals uiteengezet door de verwijzende rechter, die de juistheid ervan dient na te gaan.
25 Bovendien betreft de in punt 22 van het onderhavige arrest bedoelde beoordeling het onderzoek ten gronde van de voorgelegde vragen en vormt deze geen grond voor niet-ontvankelijkheid.
26 Hieruit volgt dat de door de belastingdienst aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid moeten worden afgewezen.
Ten gronde
27 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de persoon die hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen in de zin van dat artikel aansprakelijk kan worden gesteld nadat de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon als rechtssubject heeft opgehouden te bestaan, wanneer vaststaat dat deze persoon, toen hij gebruikmaakte van zijn recht op aftrek, wist of had moeten weten dat die schuldenaar de belasting niet zou afdragen.
28 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat artikel 205 van de btw-richtlijn de lidstaten in beginsel toestaat om ten behoeve van een doeltreffende inning van de btw maatregelen vast te stellen op grond waarvan een andere persoon dan degene die uit hoofde van de artikelen 193 tot en met 200 en 202 tot en met 204 van deze richtlijn normalerwijze tot voldoening van deze belasting is gehouden, hoofdelijk verplicht is die belasting te voldoen (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 29).
29 Aangezien artikel 205 van de btw-richtlijn echter noch de personen noemt die de lidstaten kunnen aanwijzen als hoofdelijke schuldenaren, noch de situaties waarin die aanwijzing kan plaatsvinden, staat het aan de lidstaten om de voorwaarden en de procedure voor de tenuitvoerlegging van de in dit artikel bepaalde hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 31).
30 Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de lidstaten de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, met name het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel, naleven (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, niet in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke degene die hoofdelijk aansprakelijk is gesteld in de zin van dit artikel, bovenop het bedrag aan btw dat niet is voldaan door de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon ook de vertragingsrente moet betalen die door deze schuldenaar over dat bedrag verschuldigd is, wanneer vaststaat dat eerstgenoemde, toen hij gebruikmaakte van zijn recht op aftrek, wist of had moeten weten dat die schuldenaar de belasting niet zou afdragen (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 45 en dictum). Het Hof heeft in dat arrest overwogen dat een dergelijke regeling eveneens lijkt te stroken met het rechtszekerheidsbeginsel (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 43).
32 Om in de eerste plaats te bepalen of artikel 205 van de btw-richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, alsook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie naar analogie arrest van 25 april 2024, Finanzamt X (Onttrekking en overdracht van een goed om niet), C‑207/23, EU:C:2024:352, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33 Uit de bewoordingen van artikel 205 van de btw-richtlijn blijkt dat dit artikel voorziet in een hoofdelijke verplichting om de btw te voldoen die rust op een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehouden. Uit de aard van de hoofdelijke aansprakelijkheid vloeit echter voort dat elke schuldenaar aansprakelijk is voor het totale bedrag van de schuld en dat de crediteur in beginsel vrij blijft om de betaling van die schuld te eisen van een of meer schuldenaren naar keuze (arrest van 22 november 2017, Aebtri, C‑224/16, EU:C:2017:880, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat het wegvallen van een van de hoofdelijke schuldenaren de verplichting van zijn medeschuldenaar of medeschuldenaren niet doet verdwijnen.
34 Bijgevolg heeft het feit dat de btw-plichtige als rechtssubject wegvalt, op zich geen invloed op de mogelijkheid voor de belastingdienst, als schuldeiser van de hoofdelijke verplichting, om de hoofdelijke aansprakelijkheid van de derde voor de betaling van de btw-schuld in te roepen.
35 Deze uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 205 van de btw-richtlijn en door de doelstelling die daarmee wordt nagestreefd. Uit de artikelen 193 tot en met 205 van deze richtlijn blijkt namelijk dat artikel 205 ervan deel uitmaakt van een geheel van bepalingen die beogen de btw-plichtige in verschillende situaties vast te stellen, waarbij deze bepalingen de schatkist er juist van verzekeren dat de btw op doeltreffende wijze wordt geïnd bij degene bij wie dat in de desbetreffende situatie op de meest adequate wijze kan geschieden (zie in die zin arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 28). Het is in overeenstemming met deze doelstelling om te voorzien in de hoofdelijke aansprakelijkheid van een derde voor de betaling van de btw, met name in een situatie waarin de belastingplichtige insolvent is of is ontbonden en dus niet of niet langer in staat is om deze te voldoen.
36 Wat in de tweede plaats het evenredigheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat de lidstaten in overeenstemming met dit beginsel middelen moeten aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de betrokken Unieregeling zo min mogelijk aantasten. Ofschoon het bijgevolg legitiem is dat de maatregelen van de lidstaten de rechten van de schatkist zo doelmatig mogelijk proberen te beschermen, mogen zij niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Wat de noodzaak betreft om een derde aansprakelijk te stellen nadat de btw-plichtige heeft opgehouden te bestaan, zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat in geval van btw-misbruik zoals bedoeld in de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, de schatkist ter wille van de efficiëntie de mogelijkheid moet hebben om de verschuldigde belasting en alle daarmee verband houdende elementen in te vorderen bij iedere medecontractant die aan het btw-misbruik heeft deelgenomen (arrest van 20 mei 2021, ALTI, C‑4/20, EU:C:2021:397, punt 44). Deze mogelijkheid is des te meer noodzakelijk wanneer de belastingplichtige insolvent is geworden of als rechtssubject heeft opgehouden te bestaan.
38 Wat de vraag betreft of deze mogelijkheid niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid van derden als bedoeld in artikel 205 van de btw-richtlijn, moet worden opgemerkt dat indien de belastingdienst de aansprakelijkheid van derden die hebben deelgenomen aan btw-misbruik slechts zou mogen vaststellen zolang de btw-plichtige bestaat, een dergelijke beperking afbreuk zou doen aan de mogelijkheid om die aansprakelijkheid in te roepen. In een dergelijk geval kan de belastingdienst zich namelijk niet meer tot die derden wenden wanneer hij vaststelt dat de btw niet meer van de belastingplichtige kan worden geïnd omdat deze als rechtssubject heeft opgehouden te bestaan. Bovendien zou een belastingplichtige te kwader trouw zijn liquidatie kunnen bewerkstellingen om met name te voorkomen dat derden die hebben bijgedragen aan het misbruik dat tot de btw-schuld heeft geleid, aansprakelijk worden gesteld. Bijgevolg gaat de mogelijkheid om een derde aansprakelijk te stellen voor de betaling van de btw nadat de belastingplichtige heeft opgehouden te bestaan, niet verder dan noodzakelijk is om de nuttige werking van artikel 205 van de btw-richtlijn te verzekeren.
39 In de derde plaats vereist het rechtszekerheidsbeginsel ten eerste dat op de door het Unierecht bestreken gebieden de rechtsregels van de lidstaten ondubbelzinnig zijn geformuleerd, zodat de betrokkenen op duidelijke en nauwkeurige wijze hun rechten en plichten kunnen kennen en de nationale rechter in staat is om de eerbiediging ervan te verzekeren (arrest van 9 juli 2015, Salomie en Oltean, C‑183/14, EU:C:2015:454, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een geregistreerde persoon voor wie de belastbare levering bestemd is, krachtens artikel 177, lid 1, ZDDS aansprakelijk is voor de door een andere geregistreerde persoon verschuldigde maar niet-betaalde belasting, voor zover gebruik is gemaakt van het recht op aftrek van voorbelasting die direct of indirect in verband met de verschuldigde, niet-betaalde belasting staat. Artikel 177, lid 2, ZDDS verduidelijkt dat de in lid 1 van dit artikel 177 bedoelde aansprakelijkheid intreedt wanneer de geregistreerde persoon wist of had moeten weten dat deze btw onbetaald zou blijven en dit door de controle-instantie is bewezen. Uit deze beslissing blijkt ook dat artikel 168, punt 7, DOPK uitdrukkelijk bepaalt dat „bij doorhaling van een rechtspersoon na ontbinding ervan door een liquidatieprocedure”, de belastingdienst in voorkomend geval de mogelijkheid heeft om derden aansprakelijk te stellen voor de betaling van de belastingschuld.
41 Gelet daarop is de ontvanger van een goederenlevering of een dienst in staat om uit de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is op te maken dat hij, indien hij op het tijdstip van de verrichting van deze handeling wist of had moeten weten dat de belasting niet zou worden betaald en hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op aftrek, hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van deze belasting en dat het wegvallen van de belastingplichtige als rechtssubject hem niet van zijn aansprakelijkheid ontslaat.
42 Aangezien deze mogelijkheid volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter duidelijk is voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, lijkt deze regeling in overeenstemming te zijn met de in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten.
43 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist ten tweede dat de situatie van een belastingplichtige, wat zijn rechten en plichten jegens de belasting‑ of de douanediensten betreft, niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft (arrest van 10 december 2015, Veloserviss, C‑427/14, EU:C:2015:803, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Het is vaste rechtspraak dat verjaringstermijnen in het algemeen dienen ter bevordering van dit doel (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij gebreke van toepasselijke Unierechtelijke bepalingen staat het aan de lidstaten om de regels en verjaringstermijnen voor een belastingvordering uit hoofde van de btw vast te stellen (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Napfény-Toll, C‑615/21, EU:C:2023:573, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Hoewel de vaststelling en de toepassing van deze regels tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, moeten zij bij de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht in acht nemen, dat verlangt dat redelijke termijnen worden vastgesteld die zowel de betrokken belastingplichtige als de betrokken administratie beschermen (arrest van 13 juli 2023, Napfény-Toll, C‑615/21, EU:C:2023:573, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Aangezien in casu niet wordt betwist dat de verjaringstermijn voor publiekrechtelijke schuldvorderingen in het nationale recht redelijk is, en de belastingdienst de persoon die hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de btw-schuld binnen die termijn in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zijn fiscale situatie opnieuw te onderzoeken, lijkt niet te zijn voorbijgegaan aan het vereiste van het rechtszekerheidsbeginsel dat erin bestaat dat de situatie van deze aansprakelijke persoon niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
47 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 205 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de persoon die hoofdelijk verplicht is de btw te voldoen in de zin van dat artikel 205 aansprakelijk kan worden gesteld nadat de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon als rechtssubject heeft opgehouden te bestaan, wanneer vaststaat dat deze persoon, toen hij gebruikmaakte van zijn recht op aftrek, wist of had moeten weten dat die schuldenaar deze belasting niet zou afdragen.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 205 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de persoon die hoofdelijk verplicht is de belasting over de toegevoegde waarde te voldoen in de zin van dat artikel 205 aansprakelijk kan worden gesteld nadat de tot voldoening van deze belasting gehouden persoon als rechtssubject heeft opgehouden te bestaan, wanneer vaststaat dat deze persoon, toen hij gebruikmaakte van zijn recht op aftrek, wist of had moeten weten dat die schuldenaar deze belasting niet zou afdragen.
ondertekeningen