De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 april 2025
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 april 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 3 april 2025
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vijfde kamer)
3 april 2025(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Asielbeleid - Internationale bescherming - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 46, lid 3 - Vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Omvang van de bevoegdheden van de rechter in eerste aanleg - Nationale regeling die niet voorziet in de bevoegdheid om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt”"
In zaak C‑283/24 [Barouk](2),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias (administratieve rechter voor internationale bescherming, Cyprus) bij beslissing van 29 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 23 april 2024, in de procedure
B. F.
tegenKypriaki Dimokratia,
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door F. Sotiriou en E. Symeonidou als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Debieuvre en A. Katsimerou als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 3, onder c), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9), alsmede artikel 4, lid 3, VEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen B. F. en de Kypriaki Dimokratia (Republiek Cyprus), vertegenwoordigd door de Ypiresia Asylou (Cypriotische asielautoriteit, Cyprus) (hierna: „asielautoriteit”), over het besluit van laatstgenoemde om het verzoek om internationale bescherming van B. F. af te wijzen en zijn terugkeer naar zijn land van herkomst te gelasten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2011/95
3 Artikel 4 van richtlijn 2011/95 bepaalt:
„1.[…]
3.De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
[…]
de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
[…]”
Richtlijn 2013/32
4 De overwegingen 18, 50 en 60 van richtlijn 2013/32 luiden:
„(18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.
[…]
(50) Krachtens een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie moet tegen beslissingen inzake een verzoek om internationale bescherming, beslissingen inzake een weigering om de behandeling van een verzoek na de stopzetting ervan te hervatten, en beslissingen inzake de intrekking van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan voor een rechterlijke instantie.
[…]
(60) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn neergelegd in het [H]andvest. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat de artikelen 1, 4, 18, 19, 21, 23, 24 en 47 van het [H]andvest worden toegepast en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.”
5 In artikel 2, onder f), van deze richtlijn is bepaald:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
‚beslissingsautoriteit’: elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen”.
6 Artikel 18 van deze richtlijn, met als opschrift „Medisch onderzoek”, luidt:
„1.Wanneer de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU relevant acht, en mits de verzoeker daarmee instemt, regelen de lidstaten een medisch onderzoek van de verzoeker betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten erin voorzien dat de verzoeker dat medisch onderzoek regelt.
De in de eerste alinea bedoelde medische onderzoeken worden verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars en het resultaat daarvan wordt zo spoedig mogelijk voorgelegd aan de beslissingsautoriteit. De lidstaten kunnen de medische beroepsbeoefenaars aanwijzen die deze medische onderzoeken mogen verrichten. De weigering van de verzoeker om een dergelijk medisch onderzoek te ondergaan, belet de beslissingsautoriteit niet een beslissing over het verzoek om internationale bescherming te nemen.
Overeenkomstig dit lid verrichte medische onderzoeken worden betaald uit openbare middelen.
2.Wanneer er geen medisch onderzoek overeenkomstig lid 1 wordt uitgevoerd, stellen de lidstaten verzoekers ervan in kennis dat zij op eigen initiatief en kosten een medisch onderzoek kunnen regelen betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade.
3.De resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde medische onderzoeken worden door de beslissingsautoriteit beoordeeld samen met de andere elementen van het verzoek.”
7 Artikel 46 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt:
„1.De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;
[…]
[…]
3.Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.
4.De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. […]
[…]”
Cypriotisch recht
8 Artikel 15 van de Peri Prosfygon Nomos (vluchtelingenwet), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „vluchtelingenwet”), met als opschrift „Medisch en psychologisch onderzoek van de verzoeker”, bepaalt:
„(1)Wanneer de bevoegde functionaris [van de asielautoriteit] dit voor het onderzoek van het verzoek […] nuttig acht, en mits de verzoeker daarmee instemt, verricht een arts en/of psycholoog een onderzoek van de verzoeker betreffende:
aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade, en
symptomen en tekenen van foltering of andere ernstige vormen van fysiek of psychisch geweld, inclusief seksueel geweld.
(2)De in lid 1 bedoelde medische onderzoeken worden met overheidsmiddelen verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars en het resultaat daarvan wordt zo spoedig mogelijk voorgelegd aan de [de asielautoriteit].
(3)De weigering van de verzoeker om een medisch en/of psychologisch onderzoek te ondergaan, belet het hoofd [van de asielautoriteit] niet een beslissing over het verzoek te nemen.
(4)De resultaten van de overeenkomstig lid 1 of lid 8 uitgevoerde medische en/of psychologische onderzoeken worden door het hoofd [van de asielautoriteit] beoordeeld samen met de andere elementen van het verzoek.
(5)Wanneer er aanwijzingen van ernstige schade zijn, voert de bevoegde functionaris [van de asielautoriteit] het onderhoud met de verzoeker, na overleg en in samenwerking met de bevoegde arts.
[…]
(8)Wanneer er geen medisch en/of psychologisch onderzoek overeenkomstig lid 1 wordt uitgevoerd, stelt [de asielautoriteit] verzoekers ervan in kennis dat zij op eigen initiatief en kosten een medisch en/of psychologisch onderzoek kunnen regelen betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade.”
9 Artikel 7 van het Peri tis Litourgias Dioikitikou Dikastiriou Diethnous Prostasias Diadikastikoi Kanonismoi tou 2019 (reglement van orde van 2019 betreffende de werking van de administratieve rechter voor internationale bescherming), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt:
„De [administratieve rechter voor internationale bescherming] kan de procedure regelen en, in voorkomend geval, instructies geven met betrekking tot het verzamelen van een schriftelijke of mondelinge getuigenis of ander bewijsmateriaal, de gesprekken met de asielzoeker of de persoon die om internationale bescherming verzoekt, en andere procedures, overeenkomstig de vluchtelingenwet […] en de richtsnoeren van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), zoals deze rechtbank in de omstandigheden van het geval passend en billijk acht.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Op 4 september 2018 heeft B. F., een Libanese staatsburger, in Cyprus een verzoek om internationale bescherming ingediend.
11 Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft hij met name aangevoerd dat hij door de geheime en militaire diensten van Libanon was gefolterd, onder meer wegens zijn politieke activisme en zijn deelname aan de militaire vleugel van een Libanese politieke partij, en dat hij nog steeds het slachtoffer was van bedreigingen en pogingen tot moord, zodat hij ervan overtuigd was dat hij bij terugkeer naar Libanon op de luchthaven in dat land zou worden aangehouden en tot een gevangenisstraf of de doodstraf zou worden veroordeeld.
12 Bij besluit van 7 februari 2022 heeft de asielautoriteit geweigerd hem de vluchtelingenstatus toe te kennen op grond dat er bij terugkeer naar Libanon geen gegronde vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade bestond. In dit verband was deze autoriteit van mening dat de verklaringen die B. F. tijdens verschillende gesprekken had afgelegd, onsamenhangend, tegenstrijdig en onnauwkeurig waren.
13 B. F. heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias (administratieve rechter voor internationale bescherming, Cyprus), de verwijzende rechter, die eveneens verklaart tot de slotsom te zijn gekomen dat de beweringen van B. F. over de politieke, religieuze en raciale vervolging die hij zou hebben ondergaan door de geheime diensten van Libanon, onder meer als lid van een Libanese politieke partij, onsamenhangend, onlogisch en niet plausibel waren.
14 Volgens de verwijzende rechter moet bij de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming echter rekening worden gehouden met de kwetsbaarheid van de verzoeker, aangezien deze met name van invloed kan zijn op de samenhang van zijn verklaringen ter ondersteuning van zijn verzoek om internationale bescherming en dus de beoordeling van zijn geloofwaardigheid.
15 De asielautoriteit heeft evenwel nagelaten een medisch of psychologisch onderzoek van de betrokkene te verrichten betreffende aanwijzingen van vervolging of ernstige schade die hij in het verleden stelt te hebben ondergaan, of naar symptomen en aanwijzingen van marteling of andere ernstige daden van lichamelijk of geestelijk geweld.
16 Bij gebreke van een medisch onderzoek van de betrokkene acht de verwijzende rechter het derhalve onmogelijk om de geloofwaardigheid van de verzoeker te beoordelen, die nochtans integrerend deel uitmaakt van het volledige en ex nunc onderzoek van het verzoek om internationale bescherming dat de rechter in eerste aanleg krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 moet verrichten.
17 De verwijzende rechter verklaart dat hij naar nationaal recht niet bevoegd is om een dergelijk medisch onderzoek te gelasten, hetgeen wordt bevestigd door recente rechtspraak van de Anotato Dikastirio Kyprou (hoogste rechterlijke instantie, Cyprus), volgens welke de asielautoriteit krachtens het nationale recht als enige bevoegd is om de asielzoeker te gelasten medische onderzoeken te ondergaan. De verwijzende rechter kan deze autoriteit dus enkel vragen stellen over de redenen waarom dergelijke onderzoeken niet hebben plaatsgevonden en, in voorkomend geval, het bestreden besluit nietig verklaren indien hij van oordeel is dat artikel 15 van de vluchtelingenwet is geschonden.
18 Bijgevolg vraagt deze rechter zich af of hij aan artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 de bevoegdheid kan ontlenen om een medisch onderzoek te gelasten, aangezien deze bepaling, gelezen in het licht van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, hem verplicht een „volledig en ex nunc onderzoek” van het verzoek om internationale bescherming te verrichten.
19 De verwijzende rechter vraagt zich in het bijzonder af of hij, indien hij zou oordelen dat een medisch onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, ervan mag uitgaan dat hij, gelet op de rechtstreekse werking van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, zoals neergelegd in de rechtspraak van het Hof, bevoegd is om zelf een dergelijk onderzoek te gelasten of ten minste om de beslissingsautoriteit te gelasten een medisch onderzoek te verrichten en hem de resultaten daarvan mee te delen.
20 Voor het geval dat zou worden aanvaard dat de middelen waarover hij beschikt om het in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn bedoelde onderzoek te verrichten binnen de procedurele autonomie van de lidstaten vallen, wenst de verwijzende rechter bovendien te vernemen of hij, wanneer de toepasselijke nationale wettelijke regeling niet voldoet aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel, de beslissingsautoriteit kan verplichten om, doordat zij de regeling toepast waarin artikel 18 van richtlijn 2013/32 voorziet, een medisch onderzoek van de betrokkene te verrichten en hem de resultaten daarvan mee te delen.
21 Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of, mede gelet op het vereiste van een snelle behandeling van asielverzoeken, de waarborgen van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest worden geëerbiedigd wanneer de nationale rechter, indien tijdens de rechterlijke behandeling van een asielverzoek een medische vraag rijst, niet bevoegd is om een medisch onderzoek te gelasten hoewel hij van oordeel is dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk is, terwijl hij wel een besluit van de beslissingsautoriteit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming nietig kan verklaren op grond dat deze autoriteit de persoon die om internationale bescherming verzoekt, niet aan een medisch onderzoek heeft onderworpen.
22 In deze omstandigheden heeft de Dioikitiko Dikastirio Diethnous Prostasias de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn [2013/32], gelezen in het licht van artikel 47 van het [Handvest] en in samenhang met de verplichting van individuele beoordeling als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder c), van richtlijn [2011/95], de verplichting van samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2011/95] en de in artikel 4, lid [3], VEU neergelegde verplichting van loyale samenwerking, aldus worden uitgelegd dat, bij gebreke van een uitdrukkelijke nationale bepaling die de […] rechterlijke instantie de bevoegdheid verleent om de [asielzoeker] te verwijzen voor een medisch onderzoek, deze rechterlijke instantie aan [artikel 46] rechtstreeks de bevoegdheid kan ontlenen om een [dergelijk] onderzoek van [die] verzoeker te gelasten, wanneer hij dit noodzakelijk acht voor een volledig en ex nunc onderzoek van [het] verzoek om internationale bescherming?
Moet artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn [2013/32], gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest en in samenhang met de verplichting van individuele beoordeling als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder c), van richtlijn [2011/95], de verplichting van samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2011/95] en de in artikel 4, lid [3], VEU neergelegde verplichting van loyale samenwerking, aldus worden uitgelegd dat, bij gebreke van een uitdrukkelijke nationale bepaling die de […] rechterlijke instantie de bevoegdheid verleent om de [asielzoeker] te verwijzen voor een medisch onderzoek, en bij uitbreiding, bij gebreke van een uitdrukkelijke regeling inzake een verwijzingsprocedure voor medisch onderzoek waarover de nationale rechter beschikt, deze rechterlijke instantie aan [artikel 46] rechtstreeks de bevoegdheid ontleent om de beslissingsautoriteit, die altijd partij is in de procedure bij de nationale rechter, te gelasten de regeling van artikel 18 van richtlijn [2013/32] in werking te stellen en de nationale rechter de resultaten van een medisch onderzoek van de verzoeker over te leggen?
Moet artikel 46, lid 3, van richtlijn [2013/32], gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat de middelen voor de uitvoering van een volledig en ex nunc onderzoek van een verzoek om internationale bescherming tot de procedurele autonomie van de lidstaten behoren? Zo ja, moet artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn [2013/32], gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest en in samenhang met de verplichting van samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2011/95] en de in artikel 4, lid [3], VEU neergelegde verplichting van loyale samenwerking, aldus worden uitgelegd dat, bij ontbreken van een uitdrukkelijke nationale bepaling die de […] rechterlijke instantie de bevoegdheid verleent om de [asielzoeker] te verwijzen voor een medisch onderzoek, en bij uitbreiding, bij gebreke van een uitdrukkelijke regeling inzake een verwijzingsprocedure voor medisch onderzoek waarover de nationale rechter beschikt, deze rechterlijke instantie bevoegd is om de beslissingsautoriteit, die altijd partij is in de procedure bij de nationale rechter, te gelasten de regeling van artikel 18 van richtlijn [2013/32] in werking te stellen en de nationale rechter de resultaten van een medisch onderzoek van de verzoeker over te leggen, wanneer de nationale regeling volgens die rechter niet beantwoordt aan de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel?
Moet artikel 46, lid 3, van richtlijn [2013/32], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat bij ontbreken van een geschikte regeling ter verzekering van een individueel, volledig en ex nunc onderzoek als bedoeld in artikel 46, lid 3, van richtlijn [2013/32], aan de waarborgen van die [bepalingen] is voldaan wanneer de nationale rechterlijke instantie bevoegd is om een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming nietig te verklaren?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
23 Met zijn vier vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest en artikel 4, lid 3, VEU, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter van eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit van de beslissingsautoriteit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, teneinde te voldoen aan het vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek als bedoeld in artikel 46, lid 3, wanneer hij van oordeel is dat dit onderzoek noodzakelijk of relevant is voor de beoordeling van dat verzoek, dan wel of het volstaat dat die rechter bevoegd is om een dergelijk besluit nietig te verklaren op grond dat die autoriteit die verzoeker niet aan een medisch onderzoek heeft onderworpen, en om de zaak terug te verwijzen naar die autoriteit opdat deze laatste dat onderzoek vervolgens in het kader van een nieuwe procedure gelast.
24 Overeenkomstig het opschrift ervan heeft artikel 46 van richtlijn 2013/32 betrekking op het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van personen die om internationale bescherming verzoeken. In artikel 46, lid 1, wordt aan deze verzoekers een dergelijk recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie toegekend tegen beslissingen over hun verzoek. Artikel 46, lid 3, bakent de omvang van dit recht in die zin af dat de lidstaten die aan deze richtlijn zijn gebonden, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarvoor wordt opgekomen tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming een „volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden [uitvoert], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]”.
25 Verder zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt. Dit artikel van het Handvest volstaat op zichzelf en hoeft niet te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Dit kan bijgevolg niet anders liggen voor artikel 46, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Vanuit deze optiek heeft het Hof met betrekking tot de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals omschreven in bedoeld artikel 46, lid 3, geoordeeld dat de in deze bepaling gebruikte bewoordingen „[ervoor] zorgen […] dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat”, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten krachtens deze bepaling verplicht zijn hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de in deze bepaling bedoelde beroepen een onderzoek, door de rechter, omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 In dit verband komt uit de term „ex nunc” duidelijk de verplichting van de rechter naar voren om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld. Bij een dergelijke beoordeling kan het verzoek om internationale bescherming dan namelijk uitputtend worden behandeld zonder dat het dossier hoeft te worden terugverwezen naar de beslissingsautoriteit. Bijgevolg beantwoordt de bevoegdheid van de rechter om rekening te houden met nieuwe gegevens waarover deze autoriteit geen uitspraak heeft gedaan aan de doelstelling van richtlijn 2013/32, welke richtlijn er in het bijzonder naar streeft dat „zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling”, zoals met name blijkt uit overweging 18 ervan (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punten 78 en 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Het woord „volledig” in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn bevestigt zijnerzijds dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als die welke zich hebben aangediend nadat deze autoriteit de beslissing heeft vastgesteld (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In de onderhavige zaak benadrukt de verwijzende rechter ten eerste dat hij volgens het toepasselijke nationale recht zelf niet over de bevoegdheid beschikt om de persoon die om internationale bescherming verzoekt, aan een medisch onderzoek te onderwerpen of de beslissingsautoriteit te gelasten dat onderzoek te verrichten, ook al is hij van oordeel dat een dergelijk onderzoek in casu noodzakelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, terwijl de asielautoriteit, die de „beslissingsautoriteit” is in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn 2013/32, wel over een dergelijke bevoegdheid beschikt overeenkomstig artikel 15 van de vluchtelingenwet, dat strekt tot omzetting van artikel 18 van deze richtlijn.
30 Ten tweede wijst deze rechter erop dat hij krachtens het toepasselijke nationale recht wel bevoegd is om een besluit van de asielautoriteit waarbij de toekenning van internationale bescherming wordt geweigerd, nietig te verklaren indien hij van oordeel is dat de asielautoriteit, gelet op de bijzonderheden van het geval, overeenkomstig voornoemd artikel 15 een medisch onderzoek had moeten gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, en dat die nietigverklaring die autoriteit in staat stelt om vervolgens in het kader van een nieuwe administratieve procedure een besluit vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van een dergelijk onderzoek.
31 Gelet op de in de punten 25 tot en met 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat een nationale regeling die een rechter in eerste aanleg niet toestaat om, onder voorbehoud van instemming van de verzoeker, een medisch onderzoek te gelasten, terwijl hij van oordeel is dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk of relevant is om de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming te beoordelen, niet voldoet aan het in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 gestelde vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek.
32 Dat het die rechter in dergelijke omstandigheden niet is toegestaan om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, lijkt immers in strijd te zijn met de krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 op de lidstaten rustende verplichting om hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van die beroepen een onderzoek door de rechter omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken in de zin van de in punt 26 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak.
33 Aangezien het voor de bevoegde rechter echter onmogelijk is om informatie over de gezondheidstoestand van de om internationale bescherming verzoekende persoon te verkrijgen met het oog op de beoordeling van diens verzoek om internationale bescherming, kunnen bij die beoordeling niet alle feitelijke elementen in aanmerking worden genomen aan de hand waarvan die rechter een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken. Met name kan aan de hand van het medisch onderzoek van de verzoeker worden nagegaan of eventuele ziektesymptomen van deze verzoeker kunnen worden verklaard door vroegere vervolging of ernstige schade, met name in zijn land van herkomst, en waarmee om die reden rekening moet worden genomen bij de beoordeling welke internationale bescherming de verzoeker werkelijk nodig heeft [zie in die zin arrest van 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan), C‑756/21, EU:C:2023:523, punt 61 ].
34 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat een nationale regeling die enkel bepaalt dat de rechter in eerste aanleg het besluit van de beslissingsautoriteit tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming nietig kan verklaren op grond dat deze autoriteit de verzoeker aan een medisch onderzoek had moeten onderwerpen, niet voldoet aan het vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek in de zin van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, ook al maakt deze bevoegdheid het dus mogelijk dat dit verzoek door die autoriteit opnieuw wordt onderzocht in het licht van de resultaten van een medisch onderzoek van de persoon die om internationale bescherming verzoekt.
35 Het volstaat immers om op te merken dat een dergelijke nationale regeling, voor zover zij impliceert dat het aan die autoriteit staat om een nieuw besluit vast te stellen rekening houdend met de resultaten van een medisch onderzoek, niet waarborgt dat het uit de in punt 27 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van het Hof voortvloeiende beginsel in acht wordt genomen, volgens hetwelk het aan de rechter zelf staat om ervoor te zorgen dat het verzoek om internationale bescherming uitputtend wordt behandeld zonder dat het dossier naar de beslissingsautoriteit hoeft te worden terugverwezen, en aldus afbreuk doet aan de doelstelling van snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming die richtlijn 2013/32 nastreeft en waarvan het belang door het Hof is onderstreept in diezelfde rechtspraak.
36 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de enige bepaling van richtlijn 2013/32 tot vaststelling van regels voor medisch onderzoek artikel 18 van deze richtlijn is. Zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 18 en in het bijzonder uit lid 1 ervan, zijn de daarin opgenomen bepalingen als zodanig echter slechts van toepassing in het kader van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming door de beslissingsautoriteit en niet in het kader van een beroep bij een rechterlijke instantie tegen een besluit van een dergelijke autoriteit.
37 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om, krachtens het beginsel van procedurele autonomie, de procedurele regelingen voor een dergelijk onderzoek vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die regelingen niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties die onder het nationale recht vallen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van het recht van de om internationale bescherming verzoekende persoon op een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [zie naar analogie arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 Wat dit laatste punt betreft, moet de betrokken rechter ten eerste het medisch onderzoek in elk geval kunnen gelasten wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat de gezondheidsproblemen van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, kunnen voortvloeien uit een traumatische gebeurtenis die zich in het bijzonder in zijn land van herkomst heeft voorgedaan, en meer in het algemeen wanneer volgens die rechter een dergelijk onderzoek noodzakelijk of relevant is om te beoordelen welke internationale bescherming de verzoeker daadwerkelijk nodig heeft. Bovendien moet de wijze waarop een medisch onderzoek wordt verricht, in overeenstemming zijn met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals het recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie‑ en gezinsleven, zoals gewaarborgd door respectievelijk artikel 1 en artikel 7 van het Handvest [zie in die zin arresten van 25 januari 2018, F, C‑473/16, EU:C:2018:36, punt 35 , en 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan), C‑756/21, EU:C:2023:523, punt 61 ].
39 Ten tweede moet worden gepreciseerd dat het niet noodzakelijk is dat de rechter die het medisch onderzoek van de betrokken verzoeker heeft gelast, zich zelf tot een gekwalificeerde gezondheidswerker kan wenden om dat onderzoek te doen verrichten en hem de resultaten ervan te laten meedelen, aangezien die rechter ook de beslissingsautoriteit kan gelasten de nodige maatregelen te nemen om die verzoeker aan het gelaste medisch onderzoek te onderwerpen en hem de resultaten van dat onderzoek binnen een korte termijn mee te delen. In het ene of het andere geval kan de rechter zich immers de gegevens verschaffen die hij relevant of noodzakelijk acht voor een geactualiseerde beoordeling van het concrete geval, met inachtneming van de door richtlijn 2013/32 nagestreefde doelstelling van snelheid, zoals die in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
40 In de vierde plaats, indien aldus moet worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet voldoet aan het in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 neergelegde vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek aangezien zij niet voorziet in de mogelijkheid voor de rechter om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, moet eraan worden herinnerd dat het aan de verwijzende rechter staat om deze regeling niettemin zo veel mogelijk in overeenstemming met dat vereiste uit te leggen (zie met name arrest van 20 december 2017, Protect Natur-, Arten‑ und Landschaftsschutz Umweltorganisation, C‑664/15, EU:C:2017:987, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Zou een dergelijke conforme uitlegging echter onmogelijk blijken te zijn, dan heeft het Hof reeds benadrukt dat de rechter die bevoegd is om het Unierecht toe te passen, de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van Unieregels met directe werking, zoals artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, zouden kunnen beletten, buiten toepassing moet laten (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat uit de rechtstreekse werking van zowel artikel 47 van het Handvest als artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 voortvloeit dat de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming, een medisch onderzoek van die verzoeker moet kunnen gelasten wanneer een dergelijk onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van dat verzoek, teneinde een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen in de zin van dat artikel 47 en overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking.
43 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest en artikel 4, lid 3, VEU, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter van eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit van de beslissingsautoriteit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, teneinde te voldoen aan het vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek als bedoeld in artikel 46, lid 3, wanneer hij van oordeel is dat dit onderzoek noodzakelijk of relevant is voor de beoordeling van dat verzoek.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterover de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 4, lid 3, VEU,
moet aldus worden uitgelegd dat
een nationale rechter van eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit van de beslissingsautoriteit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid moet hebben om een medisch onderzoek te gelasten van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, teneinde te voldoen aan het vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek als bedoeld in artikel 46, lid 3, wanneer hij van oordeel is dat dit onderzoek noodzakelijk of relevant is voor de beoordeling van dat verzoek.
ondertekeningen