Home

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 juli 2025

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 juli 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
3 juli 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

3 juli 2025(*)

"„Hogere voorziening - Beperkende maatregelen die zijn vastgesteld in het licht van de situatie in Belarus wat de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten betreft - Lijsten van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren - Plaatsing en handhaving op deze lijsten van de naam van Belarussische ondernemingen die bijna volledig in handen zijn van de staat - Steun aan het Loekasjenko-regime als criterium voor plaatsing op die lijsten - Verplichting voor bepaalde Belarussische ondernemingen die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de staat, om een deel van hun winst aan die staat te betalen op grond van een verplichte overheidsmaatregel”"

In zaak C‑326/24 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 2 mei 2024,

Grodno Azot AAT, gevestigd te Grodno (Belarus),

Khimvolokno Plant, gevestigd te Grodno,

aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Engelen, advocaat, en N. Montag, avocată, vervolgens door M. Krestiyanova, avocate, en N. Montag, avocată,

rekwirantes, andere partij in de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Antoniadis en A. Boggio-Tomasaz als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening vorderen Grodno Azot AAT en Khimvolokno Plant vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 21 februari 2024, Grodno Azot en Khimvolokno Plant/Raad (T‑117/22 EU:T:2024:112 ; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van, ten eerste, uitvoeringsbesluit (GBVB) 2021/2125 van de Raad van 2 december 2021 tot uitvoering van besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus (PB 2021, L 430 I, blz. 16) en uitvoeringsverordening (EU) 2021/2124 van de Raad van 2 december 2021 tot uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus (PB 2021, L 430 I, blz. 1) (hierna samen: „litigieuze oorspronkelijke handelingen”) en, ten tweede, besluit (GBVB) 2023/421 van de Raad van 24 februari 2023 tot wijziging van besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en in het licht van de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB 2023, L 61, blz. 41) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/419 van de Raad van 24 februari 2023 tot uitvoering van artikel 8 bis van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB 2023, L 61, blz. 20) (hierna samen: „litigieuze handhavingshandelingen”), voor zover deze vier handelingen (hierna samen: „litigieuze handelingen”) haar betreffen.

Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding

2 Voor de onderhavige hogere voorziening kan de feitelijke en juridische context van de onderhavige zaak, zoals uiteengezet in de punten 2 tot en met 17 van het bestreden arrest, als volgt worden samengevat.

3 De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die sinds 2004 door de Europese Unie zijn vastgesteld in het licht van de ernstige situatie in Belarus wat de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten betreft.

4 De Raad van de Europese Unie heeft op 18 mei 2006 verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus (PB 2006, L 134, blz. 1) vastgesteld. De titel van die verordening is krachtens artikel 1, lid 1, van verordening (EU) nr. 588/2011 van de Raad van 20 juni 2011 (PB 2011, L 161, blz. 1) vervangen door de titel „Verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus”.

5 De Raad heeft op 15 oktober 2012 besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus (PB 2012, L 285, blz. 1) vastgesteld.

6 Artikel 4, lid 1, van dit besluit bepaalt het volgende:

„Alle tegoeden en economische middelen die eigendom zijn, in het bezit zijn, of onder zeggenschap staan van:

  1. personen, entiteiten of lichamen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen of de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie, of wier activiteiten anderszins de democratie en de rechtsstaat in Belarus ernstig ondermijnen, of alle andere natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, alsmede alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan;

  2. natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die van het Loekasjenko-bewind profiteren of het steunen, alsmede rechtspersonen, entiteiten of lichamen die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan,

en vermeld staan in de bijlage, worden bevroren.”

7 Artikel 2, leden 4 en 5, van verordening nr. 765/2006, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1014/2012 van de Raad van 6 november 2012 (PB 2012, L 307, blz. 1), verwijst naar artikel 4, lid 1, onder a) en b), van besluit 2012/642 en bevat dezelfde criteria voor plaatsing op de lijsten van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren als die welke in deze laatste bepaling zijn voorgeschreven, met name het criterium inzake „steun” aan het „Loekasjenko-regime” (hierna: „criterium van steun aan het Loekasjenko-regime”).

8 Op 2 december 2021 heeft de Raad de litigieuze oorspronkelijke handelingen vastgesteld. Uit overweging 4 daarvan blijkt dat „[g]ezien de ernst van de situatie in Belarus [...] 17 personen en 11 entiteiten [moeten] worden toegevoegd aan de [...] lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen”.

9 Bij de litigieuze oorspronkelijke handelingen is de „Open Joint Stock Company ‚Grodno Azot’[,] met inbegrip van de afdeling ‚fabriek Khimvolokno’ van de vennootschap op aandelen ‚Grodno Azot’” geplaatst in tabel B van de lijst in de bijlage bij besluit 2012/642 en in tabel B van de lijst in bijlage I bij verordening nr. 765/2006 (hierna gezamenlijk: „litigieuze lijsten”), en wel om de volgende redenen (hierna: „motivering”):

„Grodno Azot is een groot, in Grodno gevestigd staatsbedrijf dat stikstofproducten maakt. [Lukashenko] heeft het een ‚heel belangrijk bedrijf, een strategisch bedrijf’, genoemd. Grodno Azot is ook eigenaar van de fabriek Khimvolokno, een grote producent van garens en vezels van polyamide en polyester alsmede van composietmaterialen. Grodno Azot en de fabriek Khimvolokno zijn een aanzienlijke inkomstenbron van het [Lukashenko]-regime. Aldus steunt Grodno Azot het [Lukashenko]-regime.

[Lukashenko] heeft de onderneming bezocht en toen een ontmoeting gehad met vertegenwoordigers ervan om de modernisering van de fabriek en diverse vormen van staatssteun te bespreken. Ook beloofde [Lukashenko] dat er via een lening een nieuwe stikstoffabriek in Grodno zal worden gebouwd. Aldus trekt Grodno Azot profijt van het [Lukashenko]-regime.

De werknemers van Grodno Azot, daaronder begrepen de werknemers in de fabriek Khimvolokno, die hebben deelgenomen aan de vreedzame protesten tegen het regime en hebben gestaakt, werden ontslagen, geïntimideerd en bedreigd door zowel het management van Grodno Azot als vertegenwoordigers van het regime. Grodno Azot is bijgevolg verantwoordelijk voor repressie van het maatschappelijk middenveld.”

10 Op 24 februari 2023 heeft de Raad de litigieuze handhavingshandelingen vastgesteld waarbij de namen van rekwirantes op de litigieuze lijsten werden gehandhaafd op grond van redenen die in wezen identiek zijn aan die welke in de litigieuze oorspronkelijke handelingen waren uiteengezet.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

11 Bij verzoekschrift van 2 maart 2022, zoals nadien aangepast, hebben rekwirantes het Gerecht verzocht om de litigieuze handelingen nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking hebben, waarbij zij zich voor elk van deze handelingen hebben gebaseerd op twee middelen die in wezen waren ontleend aan een onjuiste beoordeling van de feiten en schending van artikel 4, lid 1, onder a) en b), van besluit 2012/642.

12 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van rekwirantes verworpen.

13 Wat in de eerste plaats het verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze oorspronkelijke handelingen betreft, heeft het Gerecht in eerste instantie in punt 38 van het bestreden arrest op basis van meerdere feitelijke omstandigheden die rekwirantes en de Raad tijdens de procedure bij het Gerecht hadden aangevoerd, of op basis van op de website gepubliceerde informatie, vermeld in de punten 33 tot en met 37 van dat arrest, afgeleid dat de Raad de feiten niet onjuist had beoordeeld door ervan uit te gaan dat Grodno Azot een groot staatsbedrijf was, dat door president Loekasjenko was omschreven als een „heel belangrijk bedrijf, een strategisch bedrijf”, alsook dat de fabriek Khimvolokno in handen van Grodno Azot was en die fabriek een aanzienlijke inkomstenbron voor het Loekasjenko-regime vormde.

14 In tweede instantie heeft het Gerecht achtereenvolgens in de punten 44 tot en met 63 van het bestreden arrest de argumenten onderzocht waarmee rekwirantes betwistten dat uit de in punt 38 van dat arrest genoemde gegevens zou blijken dat zij steun verlenen aan het Loekasjenko-regime. Op basis van die analyse heeft het Gerecht in punt 64 van dat arrest geoordeeld dat de Raad het recht niet onjuist heeft toegepast door te oordelen dat de positie van rekwirantes in de Belarussische economie, het feit dat zij staatseigendom waren en het feit dat zij een belangrijke bron van inkomsten vormden voor het Loekasjenko-regime, tezamen voldoende aanwijzingen vormden om ervan uit te gaan dat zij het Loekasjenko-regime steunen in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642.

15 In het bijzonder heeft het Gerecht, ten eerste, in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest geoordeeld dat – anders dan rekwirantes stellen – uit de motivering van de litigieuze oorspronkelijke handelingen om te beginnen blijkt dat de Raad zich bij zijn oordeel dat rekwirantes steun verleenden aan het Loekasjenko-regime niet uitsluitend had gebaseerd op de omstandigheid dat zij staatseigendom waren van Belarus, maar daarbij ook rekening had gehouden met een reeks gegevens, waaronder het feit dat zij een belangrijke bron van inkomsten voor dat regime vormden, en ten tweede, dat de Raad zich niet op het standpunt had gesteld dat elke onderneming die staatseigendom is automatisch een bron van inkomsten voor dat regime vormt, maar van mening was dat het feit dat rekwirantes een bron van inkomsten voor dat regime vormen boven op de omstandigheid kwam dat zij staatseigendom zijn.

16 In deze context heeft het Gerecht in de punten 49 en 50 van het bestreden arrest met name verwezen naar zijn rechtspraak inzake de duidelijke en nauwkeurige bewoordingen van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642, dat betrekking heeft op de personen en entiteiten die „[het Loekasjenko-regime] steunen”, en naar de doelstelling van die bepaling.

17 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 51 en 52 van het bestreden arrest op basis van de bewoordingen van overweging 6 van besluit 2012/642 opgemerkt dat artikel 4, lid 1, onder b), van dat besluit niet alleen betrekking heeft op politieke steun, maar ook op financiële of materiële steun aan dat regime.

18 Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 54 tot en met 56 van het bestreden arrest het betoog van rekwirantes verworpen dat zij geen controle hadden over de manier waarop de aan de Belarussische Staat betaalde middelen werden gebruikt en dat deze niet werden gebruikt om de persoonlijke uitgaven van president Loekasjenko te financieren. In punt 57 van dat arrest kwam het Gerecht tot de slotsom dat, aangezien de Raad voor de toepassing van het criterium van steun aan het regime had vastgesteld dat rekwirantes een bron van inkomsten vormden voor het Loekasjenko-regime, hij niet hoefde aan te tonen dat rekwirantes op grond van hun financiële bijdragen verantwoordelijk waren voor schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat of voor de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie.

19 Ten derde heeft het Gerecht in de punten 59 tot en met 63 van het bestreden arrest het betoog van rekwirantes afgewezen dat de dividenden die zij, wanneer zij winst maakten, aan de Belarussische Staat moesten betalen op grond van edict nr. 637 van de president van de Republiek Belarus van 28 december 2005 inzake de procedure voor het in de begroting opnemen van een deel van de winst van staatsbedrijven en ‑verenigingen die commerciële organisaties zijn, alsmede van de inkomsten uit dividenden (deelneming in het aandelenkapitaal) van bedrijfsentiteiten die eigendom zijn van de staat of van gemeenten, en inzake de oprichting van een speciaal staatsbegrotingsfonds voor nationale ontwikkeling (nationaal register van rechtshandelingen van de Republiek Belarus nr. 1/7075 van 29 december 2005; hierna: „edict nr. 637/2005”) moesten worden gelijkgesteld met „belastingen” en dus overeenkomstig zijn rechtspraak die met name voortvloeit uit het arrest van 6 oktober 2015, Chyzh e.a./Raad (T‑276/12, EU:T:2015:748, punt 169 ), geen steun aan het Loekasjenko-regime in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 konden vormen.

20 In dit verband heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit punt 1‑1 van edict nr. 637 blijkt dat de verplichting om een deel van de winst aan de staat of aan substatelijke entiteiten af te dragen, slechts gold voor een beperkte categorie marktdeelnemers, en niet voor alle Belarussische belastingplichtigen.

21 Voorts heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest aangegeven dat uit de bewoordingen van punt 1‑2 van edict nr. 637/2005 bleek dat de betrokken betaling formeel losstond van de belastingen en daarbovenop kwam.

22 Het Gerecht heeft daaruit in punt 63 van het bestreden arrest afgeleid dat de omstandigheid dat rekwirantes krachtens edict nr. 637/2005 verplicht waren om een deel van hun winst aan de staat af te dragen, niet in tegenspraak was met de beoordeling dat zij financiële steun verleenden aan het Loekasjenko-regime, maar die beoordeling bevestigde, aangezien dat regime door middel van dat edict de controle had vergroot die het als enige aandeelhouder reeds uitoefende over de middelen van rekwirantes, omdat het ervoor zorgde dat het regelmatig een deel van de gerealiseerde winst ontving.

23 Wat in de tweede plaats het verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze handhavingshandelingen betreft, heeft het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest opgemerkt dat twee op internet gepubliceerde artikelen waren toegevoegd aan het dossier dat de Raad bij de vaststelling van die handelingen had samengesteld. Volgens het eerste artikel, dat op 18 april 2022 was gepubliceerd, had Grodno Azot, na in 2020 verlies te hebben geleden, in 2021 een nettowinst van bijna 530 000 000 Belarussische roebel [BYN] (ongeveer 175 000 000 EUR) geboekt en de uitkering van meer dan 100 000 000 BYN (ongeveer 33 195 000 EUR) aan dividenden aangekondigd. Volgens het tweede artikel, gepubliceerd op 20 oktober 2022, had de Belarussische minister van Economische Zaken verklaard dat de inkomsten van Grodno Azot tussen januari en augustus 2022 met bijna 20 % waren gestegen. Volgens het Gerecht hadden rekwirantes de gegrondheid van die informatie niet betwist. In punt 75 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat de Raad geen beoordelingsfout had gemaakt door na een nieuw onderzoek van de situatie van rekwirantes tot de slotsom te komen dat zij een belangrijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime vormden.

Conclusies van partijen

24 Rekwirantes verzoeken het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen;

  • de zaak zelf af te doen indien deze in staat van wijzen is;

  • subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing, en

  • de Raad te verwijzen in de kosten van zowel de procedure bij het Hof als die bij het Gerecht.

25 De Raad verzoekt het Hof:

  • de hogere voorziening af te wijzen;

  • subsidiair, indien het Hof beslist het bestreden arrest te vernietigen en de zaak zelf af te doen, het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen te verwerpen, en

  • rekwirantes te verwijzen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de onderhavige hogere voorziening.

Hogere voorziening

26 Rekwirantes voeren ter onderbouwing van hun hogere voorziening vier middelen aan. Het eerste middel betreft schending van de beginselen en rechtsregels inzake de bewijslast. Het tweede middel betreft een onjuiste uitlegging van de aard en de functie van de dividenden in het onderhavige geval en in elke belastingregeling. Het derde middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout omdat niet is onderzocht of de gestelde economische steun „aanzienlijk” was. Met hun vierde middel voeren rekwirantes schending van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 aan.

Eerste middel

Argumenten van partijen

27 Met hun eerste middel, dat betrekking heeft op de punten 32, 36 tot en met 39, 42, 47, 48, 52, 55 en 57 van het bestreden arrest, betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het zich, om tot de slotsom te komen dat de Raad geen beoordelingsfout heeft gemaakt bij de vaststelling dat zij een belangrijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime vormden, uitsluitend heeft gebaseerd op de informatie over de dividenden, hoewel die informatie niet voorkwam en evenmin was vermeld in het eerste bewijsdossier van de Raad. Hierdoor heeft het Gerecht de redenen die de Raad heeft aangevoerd voor plaatsing op de lijst op basis van het criterium van steun aan het „regime” met terugwerkende kracht gerechtvaardigd, hetgeen een omkering van de bewijslast en een schending van andere bewijsbeginselen en ‑regels is. Indien de Raad beslist om een beperkende maatregel op te leggen, moet hij in het aanvankelijke dossier beschikken over alle daartoe relevante gegevens, hetgeen in casu duidelijk niet het geval is wat betreft de voormelde informatie.

28 Het eerste bewijsdossier van de Raad ter staving van het feit dat rekwirantes een „aanzienlijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime” waren, bevatte enkel een uittreksel van de website van rekwirantes met informatie over hun omvang, hun nettowinst in 2018 en hun omzet in 2020. Deze informatie verklaart echter geenszins op welke manier rekwirantes dat regime aanzienlijk economisch zouden steunen.

29 In het bijzonder is in dit eerste dossier niet verwezen, zelfs niet indirect, naar de dividenden die rekwirantes aan de Belarussische Staat hebben uitgekeerd. Rekwirantes hebben in hun verzoekschrift bewijzen met betrekking tot de dividenden verstrekt. Het Gerecht heeft deze gegevens weliswaar als aanvullend bewijs gepresenteerd, maar uit de punten 52 en 55 van het bestreden arrest blijkt dat het zijn conclusie dat rekwirantes steun aan het regime verlenen omdat zij voor dit regime een aanzienlijke bron van inkomsten zijn, uitsluitend op dat bewijsmateriaal heeft gebaseerd.

30 In strijd met de beginselen inzake de bewijslast die in herinnering zijn gebracht in het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 120 en 121 ), heeft het Gerecht zich gebaseerd op bewijsmateriaal waarvan de Raad geen kennis had voor 2 maart 2022, datum waarop rekwirantes deze gegevens hebben voorgelegd, terwijl zij op 2 december 2021 op de lijst waren geplaatst.

31 Voor het geval dat uit de rechtspraak van het Gerecht volgt dat het zich niet alleen à décharge, maar ook à charge mag baseren op bewijselementen die een verzoeker heeft overgelegd, teneinde de bewijzen te bevestigen of te versterken die de Raad als grondslag voor de betrokken beperkende maatregelen in aanmerking heeft genomen, is er in casu geen enkel bewijselement dat moet worden bevestigd of onderbouwd. Het Gerecht heeft zich immers enkel gebaseerd op bewijselementen die niet eens in het dossier met bewijselementen van de Raad waren vermeld, en heeft aldus feitelijk de door de Raad verstrekte motivering herschreven.

32 Bijgevolg heeft het Gerecht de beginselen en regels inzake de bewijslast niet in acht genomen door te oordelen, ten eerste, dat de feiten die zijn beschreven in de uiteenzetting van de redenen ter onderbouwing van de stelling dat rekwirantes „een aanzienlijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime” vormen, zijn bewezen en, ten tweede, dat zij binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 vallen.

33 De Raad betwist het betoog van rekwirantes.

Beoordeling door het Hof

34 Om na te gaan of het Gerecht is voorbijgegaan aan de regels inzake de bewijslast op het gebied van beperkende maatregelen, zij eraan herinnerd dat de Unierechter, bij het toezicht op dergelijke maatregelen, overeenkomstig de hem bij de Verdragen verleende bevoegdheden in beginsel een volledig wettigheidstoezicht moet uitoefenen op alle handelingen van de Unie (arrest van 29 november 2018, Bank Tejarat/Raad, C‑248/17 P, EU:C:2018:967, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vereist dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen waarop het besluit tot plaatsing van de naam van een persoon op de lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, is gebaseerd, zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor die persoon, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dit betekent in casu dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop de aangevochten handelingen steunen, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd. Het staat bovendien aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arrest van 29 november 2018, Bank Tejarat/Raad, C‑248/17 P, EU:C:2018:967, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In casu moet worden benadrukt dat rekwirantes, zoals in punt 37 van het bestreden arrest is vastgesteld, in hun bij het Gerecht ingediende schrifturen hebben erkend dat zij in de periode van 2018 tot en met 2020 een deel van hun winst aan de Belarussische Staat hebben afgedragen en documenten betreffende die betalingen hebben overgelegd. Rekwirantes hebben aldus bevestigd dat zij een bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime vormden, hetgeen een essentiële omstandigheid vormt.

37 In een dergelijke situatie was de Raad niet verplicht om bewijselementen aan te voeren ter staving van die essentiële omstandigheid die de gegrondheid van de motivering aantoont, zoals volgt uit de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

38 Zoals het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het irrelevant dat rekwirantes de informatie over die betalingen als bewijs à décharge hebben gepresenteerd.

39 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht de op de Raad rustende bewijslast heeft omgekeerd, door met name rekening te houden met de informatie die rekwirantes in de loop van het geding hebben verstrekt over de betalingen van een deel van hun winst aan de Belarussische Staat, om te bepalen of die betalingen steun aan het Loekasjenko-regime vormden, op basis waarvan het gerechtvaardigd was hen te plaatsen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn in de vorm van bevriezing van tegoeden en economische middelen (zie in die zin arrest van 29 november 2018, Bank Tejarat/Raad, C‑248/17 P, EU:C:2018:967, punt 41 ).

40 Voor zover rekwirantes wijzen op het belang van de omstandigheid dat de Raad de gegevens betreffende de betalingen van een deel van hun winst in de motivering heeft vermeld of dat deze gegevens zijn opgenomen in het dossier ter staving van die motivering, en dus uitdrukkelijk door die instelling in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de betrokken beperkende maatregel, zodat er geen sprake is van mededeling achteraf, lijken zij in werkelijkheid te betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat die instelling het motiveringsvereiste van artikel 296 VWEU heeft geschonden.

41 Wat dat betreft zij opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, er enerzijds toe dient de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is, dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds de rechter van de Unie in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Voorts heeft het Hof met betrekking tot met name handelingen waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, reeds geoordeeld dat het van weinig belang is dat in die handelingen bepaalde betalingen niet uitdrukkelijk zijn vermeld om te bepalen hoe en in welke mate de regering van het derde land waarop dergelijke maatregelen betrekking hebben, financieel ondersteund wordt. Volgens de rechtspraak van het Hof moet om te beoordelen of de motivering van een handeling toereikend is, acht worden geslagen op de context van die handeling en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen, en is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie in die zin arrest van 12 mei 2016, Bank of Industry and Mine/Raad, C‑358/15 P, EU:C:2016:338, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Gelet op de informatie die hun in de motivering en in het dossier van de Raad is verstrekt, namelijk in wezen de informatie dat zij, als staatsondernemingen, moesten worden geacht financiële steun te verlenen aan het Loekasjenko-regime wegens de kennelijke betaling van een deel van hun winst aan de Belarussische Staat, waren de litigieuze handelingen toereikend gemotiveerd. Ten eerste hebben rekwirantes immers voor het Gerecht kunnen betwisten – wat zij ook hebben gedaan – dat de betrokken betalingen, waarnaar zij zoals gezegd zelf hadden verwezen, relevant waren voor de toepassing van het criterium van steun aan het Loekasjenko-regime en, ten tweede, heeft deze motivering het Gerecht in staat gesteld om de rechtmatigheid van die handelingen te toetsen.

44 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel

Argumenten van partijen

45 Met hun tweede middel, dat gericht is tegen de punten 60 tot en met 67 van het bestreden arrest, betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun argument te verwerpen dat de op grond van edict nr. 637/2005 aan de Belarussische Staat betaalde dividenden, gelet op de aard en functie ervan, moesten worden gelijkgesteld met belastingen, met als gevolg dat zij volgens de rechtspraak van het Gerecht in beginsel geen steun aan het Loekasjenko-regime in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 kunnen vormen. Daarmee heeft het Gerecht een onjuiste uitlegging gegeven aan de aard en de functie van niet alleen de verplichte dividenden in het onderhavige geval, maar ook aan elke belastingregeling, ongeacht de betrokken staat, namelijk door te weigeren om deze dividenden gelijk te stellen met belastingen, met als motivering dat belastingen van toepassing zijn op alle Belarussische belastingplichtigen, terwijl de berekening van die dividenden overeenkomt met een bijzondere grondslag die in edict nr. 637/2005 is vastgesteld, en alleen een specifieke categorie entiteiten deze dividenden moet betalen.

46 In de eerste plaats betalen niet alle Belarussische belastingplichtigen, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, dezelfde belastingen. Alle belastingstelsels over de hele wereld bepalen het voorwerp van de betrokken belasting en de belastingplichtigen. In casu moeten de Belarussische staatsondernemingen verplichte dividenden uitkeren. Bovendien wordt in edict nr. 637/2005 een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën van staatsbedrijven, te weten ondernemingen die volledig in handen zijn van de staat en ondernemingen waarvan de staat ten minste 50 % van de aandelen bezit. Veel belastingen in Belarus, zoals verplichte dividenden, hebben betrekking op bepaalde categorieën personen. De verplichting van staatsbedrijven om verplichte dividenden te betalen, verschilt niet van de selectieve toepassing van andere belastingen.

47 In de tweede plaats heeft het Gerecht er in punt 62 van het bestreden arrest geen rekening mee gehouden dat de berekening van de verplichte dividenden, zoals elke andere belasting in Belarus en in de rest van de wereld, geschiedt op basis van een specifieke grondslag, die in Belarus overeenkomstig punt 1‑2, tweede alinea, van edict nr. 637/2005 wordt vastgesteld.

48 In de derde plaats is de conclusie van het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest dat de Belarussische Staat „als enige aandeelhouder” zijn zeggenschap over ondernemingen zoals rekwirantes alleen maar heeft versterkt door een verplichte winstuitkering op te leggen, in tegenspraak met punt 33 van dat arrest, waarin wordt vastgesteld dat deze staat slechts „99,96 % [van het maatschappelijk kapitaal van rekwirantes]” in handen had.

49 Deze conclusie is onlogisch, aangezien een staat als enige aandeelhouder of zelfs meerderheidsaandeelhouder van ondernemingen reeds zeggenschap over die ondernemingen heeft en dit niet kan vergroten. Zo kan de staat eenzijdig beslissen over de uitkering van dividenden.

50 In de vierde plaats zijn er andere elementen die door het Gerecht buiten beschouwing zijn gelaten en die bevestigen dat de verplichte dividenden in Belarus belastingen zijn.

51 Ten eerste valt de inning van verplichte dividenden in Belarus onder de bevoegdheid van de belastingautoriteiten overeenkomstig de toepasselijke fiscale procedures. Ten tweede is de benadering waarbij na de vennootschapsbelasting dividenden worden geïnd, gebaseerd op het beginsel van de belasting van uitzonderlijke winsten. Ten derde vinden meerdere Belarussische belastingen hun oorsprong in andere rechtsinstrumenten dan het belastingwetboek. Ten vierde wordt het niet of te laat uitkeren van verplichte dividenden op dezelfde wijze bestraft als het niet of te laat betalen van belastingen. Ten vijfde worden de verplichte dividenden en de vennootschapsbelasting betaald aan dezelfde ontvanger en op dezelfde bankrekening. Ten zesde kan een verplichting tot betaling van verplichte dividenden, net als elke andere belasting, worden gecompenseerd met een vordering die voortvloeit uit te veel betaalde belasting met betrekking tot een andere belasting, zoals de vennootschapsbelasting. Ten zevende en ten slotte drukt op de verplichte Belarussische dividenden geen belasting, overeenkomstig het in artikel 166 van het Belarussische belastingwetboek neergelegde beginsel dat geen belasting op belasting kan worden geheven, in tegenstelling tot gewone dividenden, waarbij de vennootschap die deze dividenden uitkeert, optreedt als fiscaal agent en de belasting over de uitgekeerde dividenden inhoudt en aan de schatkist betaalt.

52 De Raad betoogt dat de argumenten van rekwirantes in hoofdorde gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn, voor zover zij zijn gericht tegen de punten 61 en 62 van het bestreden arrest, omdat deze feitelijke vaststellingen bevatten, en gedeeltelijk ongegrond zijn. Subsidiair betoogt de Raad dat een dergelijk betoog ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

53 Vastgesteld moet worden, zoals het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat rekwirantes in hun schrifturen „erkennen dat zij dividenden [hebben] uitgekeerd” aan de Belarussische Staat, die nagenoeg het volledige kapitaal van Grodno Azot in handen heeft, en dat zij overigens een document hebben overgelegd waaruit blijkt dat deze vennootschap aan de begroting van de Republiek Belarus dividenden heeft uitgekeerd ten bedrage van 8 481 000 BYN (ongeveer 3 526 000 EUR) in 2018, 34 200 000 BYN (ongeveer 14 604 000 EUR) in 2019 en 6 835 000 BYN (ongeveer 2 462 000 EUR) in 2020.

54 Het Gerecht heeft in punt 64 van het bestreden arrest dan ook terecht kunnen oordelen dat de Raad het recht niet onjuist heeft toegepast door te oordelen dat rekwirantes „een belangrijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime” vormden en dat deze omstandigheid, bezien in samenhang met de positie van rekwirantes in de Belarussische economie en het feit dat 99,96 % van hun kapitaal in handen van de staat was, voldoende aanwijzingen boden om aan te nemen dat zij steun verleenden aan dat regime in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642, welke bepaling in het bijzonder betrekking heeft op personen en entiteiten die dat regime financieel ondersteunen (zie in die zin arrest van 12 mei 2016, Bank of Industry and Mine/Raad, C‑358/15 P, EU:C:2016:338, punt 81 ).

55 Een dergelijke uitlegging van het criterium van steun aan het Loekasjenko-regime, aangezien zij de nadruk legt op de financiële steun aan dat regime, sluit overigens aan bij het hoofddoel van die bepaling, namelijk de druk op dat regime te verhogen om een einde te maken aan de ernstige en voortdurende schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in Belarus, alsook aan de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie.

56 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het voor de beoordeling of er sprake is van „steun aan het Loekasjenko-regime” in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642, niet doorslaggevend is of de aan de Belarussische Staat uitgekeerde bedragen als belasting dan wel als dividend worden gekwalificeerd. In beide gevallen gaat het immers om bedragen die op grond van een overheidsregeling worden betaald aan de staat door een entiteit waarvan de staat nagenoeg het volledige kapitaal in handen heeft. Indien dergelijke betalingen worden uitgesloten van dit begrip „steun aan het Loekasjenko-regime”, op de enkele grond dat de verschuldigde bedragen als belastingen worden aangemerkt, zou dit voor het regime de mogelijkheid openen om de Unieregels te omzeilen door het belastingtarief op de winst van dergelijke entiteiten te verhogen, en het bedrag van de dividenden te verlagen die volgens het Belarussische recht aan de staat moeten worden betaald wanneer een onderneming die in handen is van de Belarussische Staat winst maakt (zie naar analogie arrest van 12 mei 2016, Bank of Industry and Mine/Raad, C‑358/15 P, EU:C:2016:338, punt 80 ).

57 Hieruit volgt dat het betoog van rekwirantes – voor zover zij het Gerecht verwijten dat het in punt 59 van het bestreden arrest het begrip „belasting” in die context ten onrechte heeft beperkt en bijgevolg in de punten 60 tot en met 62 van dat arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat hun betalingen aan de Belarussische Staat niet konden worden gelijkgesteld met dergelijke belastingen – niet ter zake dienend is, aangezien het hoe dan ook niet kan afdoen aan de conclusie van het Gerecht in punt 64 van dat arrest, die in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat er in casu voldoende aanwijzingen waren om te oordelen dat rekwirantes „steun aan het Loekasjenko-regime” verleenden in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642.

58 Hetzelfde geldt voor het betoog van rekwirantes met betrekking tot punt 63 van het bestreden arrest. In dat punt heeft het Gerecht met name geoordeeld dat de verplichting voor rekwirantes naar Belarussisch recht om een deel van hun winst aan de staat af te dragen de beoordeling „bevestigt” dat zij het Loekasjenko-regime financieel steunden, aangezien deze verplichting het regime in staat stelde de controle die het uitoefende te versterken. Uit de term „bevestigt” en, meer in het algemeen, uit een gezamenlijke lezing van de punten 58 tot en met 64 van het bestreden arrest blijkt dat de overweging in dat punt 63 geenszins noodzakelijk is voor de conclusie waarnaar in het vorige punt van het onderhavige arrest wordt verwezen.

59 Volgens vaste rechtspraak zijn grieven tegen ten overvloede geformuleerde overwegingen van een beslissing van het Gerecht echter niet ter zake dienend, aangezien zij niet tot vernietiging van die beslissing kunnen leiden (zie in die zin arresten van 7 november 2002, Hirschfeldt/EMA, C‑184/01 P, EU:C:2002:645, punt 48 , en  6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel worden afgewezen.

Derde middel

Argumenten van partijen

61 Met hun derde middel, dat ziet op de punten 36 tot en met 38, 47 tot en met 57 en 74 tot en met 79 van het bestreden arrest, verwijten rekwirantes het Gerecht dat het een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt omdat het zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de financiële steun die in de vorm van dividendenbetalingen voor de jaren 2018, 2019 en 2020 werd verleend – waarvan rekwirantes de bedragen in hun memories hebben gespecificeerd – „aanzienlijk” was overeenkomstig de kwalificatie in die zin in de motivering van het arrest. Deze fout is bewezen, zowel wat de analyse van de litigieuze oorspronkelijke handelingen als wat de litigieuze handhavingshandelingen betreft.

62 Noch die motivering, noch het eerste bewijsdossier van de Raad bevat gegevens die deze kwalificatie kunnen onderbouwen.

63 Subsidiair betogen rekwirantes dat het Gerecht deze vraag ontkennend zou hebben beantwoord indien het naar behoren had onderzocht of zij een belangrijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime vormden, wat het evenwel heeft nagelaten.

64 In dit verband verwijzen rekwirantes naar het arrest van 29 april 2015, Bank of Industry and Mine/Raad (T‑10/13, EU:T:2015:235 ), en in het bijzonder naar punt 186 van dat arrest, waarin het Gerecht tot de slotsom is gekomen dat de betrokken staatsonderneming „aanzienlijke” bedragen had betaald aan de Iraanse nationale schatkist, die financiële steun aan de Iraanse regering vormden.

65 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ging het echter om een betaling ten bedrage van minstens 76 miljoen EUR over een referentieperiode van vijf jaar. Het betrof dus een aanzienlijk hoger bedrag dan de bedragen die rekwirantes aan de Belarussische Staat hebben betaald uit hoofde van verplichte dividenden voor de jaren 2018, 2019 en 2020. Laatstbedoelde bedragen kunnen derhalve niet worden aangemerkt als een belangrijke bron van inkomsten. Dit wordt bevestigd door de verhouding van die bedragen tot het bruto binnenlands product (bbp) van de Republiek Belarus voor de betrokken jaren, zijnde respectievelijk 0,0069 %, 0,0253 % en 0,0045 % van dat bbp.

66 Deze conclusie geldt ook voor de betaling in verband met de litigieuze handhavingshandelingen. Uit het tweede bewijsdossier van de Raad blijkt immers dat rekwirantes in 2022 een bedrag van 33 195 000 EUR hebben betaald uit hoofde van verplichte dividenden, wat overeenkomt met 0,0471 % van het bbp van de Republiek Belarus voor dat jaar. Dit bedrag is kennelijk lager dan wat het Gerecht in het arrest van 29 april 2015, Bank of Industry and Mine/Raad (T‑10/13, EU:T:2015:235 ), als „aanzienlijk” heeft aangemerkt.

67 Ten slotte vormden de door rekwirantes uitgekeerde verplichte dividenden noch in het kader van de litigieuze oorspronkelijke handelingen, noch in het kader van de litigieuze handhavingshandelingen een bron van inkomsten voor de staat, aangezien het totale bedrag van deze dividenden lager is dan de teruggaaf van belasting over de toegevoegde waarde die zij over de periode 2018‑2022 hebben ontvangen.

68 De Raad betwist het betoog van rekwirantes.

Beoordeling door het Hof

69 Opgemerkt zij dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest weliswaar tot de slotsom is gekomen dat de Raad het recht niet onjuist heeft toegepast door met name het standpunt in te nemen dat rekwirantes „een aanzienlijke bron van inkomsten voor het Loekasjenko-regime” vormden, maar dat deze conclusie noodzakelijkerwijs rekening houdt met de betaalde bedragen zoals gespecificeerd in punt 37 van dat arrest en dus impliceert dat het Gerecht heeft geoordeeld dat die bron van inkomsten aanzienlijk was, en aldus de beoordeling van de Raad in die zin en de geldigheid van de litigieuze oorspronkelijke handelingen heeft bevestigd.

70 Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de litigieuze handhavingshandelingen, zoals blijkt uit de punten 74 en 76 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen.

71 Vastgesteld moet dus worden dat het derde middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

72 Voor zover rekwirantes subsidiair opkomen tegen de beoordeling door het Gerecht van het belang van de bron van inkomsten die zij voor het Loekasjenko-regime vertegenwoordigden in het licht van de bedragen die op grond van edict nr. 637/2005 aan de Belarussische Staat zijn betaald, moet worden vastgesteld dat het gaat om een beoordeling van feiten die, behoudens een onjuiste opvatting daarvan, niet vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Yieh United Steel/Commissie, C‑79/20 P, EU:C:2022:305, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 Bijgevolg is dit subsidiaire betoog niet-ontvankelijk, aangezien rekwirantes niet hebben aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Yieh United Steel/Commissie, C‑79/20 P, EU:C:2022:305, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 Dit geldt in het bijzonder voor de argumenten van rekwirantes dat de uit hoofde van edict nr. 637/2005 betaalde bedragen niet als aanzienlijk kunnen worden aangemerkt, aangezien het totale bedrag van de betalingen aanzienlijk lager is dan het bedrag dat het Gerecht in punt 186 van het arrest van 29 april 2015, Bank of Industry and Mine/Raad (T‑10/13, EU:T:2015:235 ), als „aanzienlijk” heeft aangemerkt, dan wel elk afzonderlijk bedrag niet aanzienlijk lijkt indien het wordt uitgedrukt als een percentage van het bbp van de Republiek Belarus.

75 Deze argumenten moeten hoe dan ook worden afgewezen, aangezien zij feitelijke grondslag missen. Om te beginnen is het duidelijk dat, zoals de Raad overigens terecht heeft betoogd, niet kan worden geoordeeld dat punt 186 van dat arrest een drempel aanwijst waaronder financiële steun niet als aanzienlijk kan worden aangemerkt.

76 Mede gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad bij de vaststelling van beperkende maatregelen op grond van met name het in artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 bedoelde criterium van steun aan het Loekasjenko-regime, staat voorts niets eraan in de weg dat de Raad het belang van een dergelijke steun beoordeelt op basis van de betrokken betalingen, uitgedrukt in absolute termen in plaats van als percentage van het bbp van de Republiek Belarus.

77 Bovendien hebben zowel de Raad als het Gerecht weliswaar feitelijk erkend – en zelfs bevestigd – dat de door rekwirantes op grond van edict nr. 637/2005 betaalde bedragen aanzienlijk waren, maar deze overweging is hoe dan ook kennelijk ten overvloede geformuleerd gelet op de duidelijke en nauwkeurige bewoordingen van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642, die zich verzetten tegen de toevoeging van een extra voorwaarde die niet in die bepaling is gesteld, zoals de voorwaarde dat de steun aan het Loekasjenko-regime aanzienlijk is. Het subsidiaire betoog van rekwirantes treft dus ook geen doel, overeenkomstig de rechtspraak die met name voortvloeit uit de arresten van 7 november 2002, Hirschfeldt/EMA (C‑184/01 P, EU:C:2002:645, punt 48 ), en  6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 63 ).

78 Ten slotte is volgens vaste rechtspraak van het Hof het door rekwirantes ter ondersteuning van hun derde middel aangevoerde argument inzake schending van het evenredigheidsbeginsel niet-ontvankelijk in hogere voorziening. Het staat immers vast dat het niet voor het Gerecht is aangevoerd (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, World Duty Free Group en Spanje/Commissie, C‑51/19 P en C‑64/19 P, EU:C:2021:793, punten 54 en 55 ).

79 Gelet op een en ander dient het derde middel te worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

80 Met hun vierde middel, dat betrekking heeft op de punten 47 tot en met 52 van het bestreden arrest, betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642, door te oordelen dat aan het daarin neergelegde criterium van steun aan het regime is voldaan voor alle staatsondernemingen, aangezien zij noodzakelijkerwijs aanzienlijke steun aan het regime verlenen louter vanwege hun eigendomsstructuur. Zij menen dat het Gerecht daarmee die bepaling te ruim heeft uitgelegd, hetgeen leidt tot schending van artikel 21 VEU alsook, zoals zij in hun dupliek nader toelichten, van de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en billijkheid.

81 Rekwirantes leiden uit de verschillende in de eerste alinea van de motivering opgenomen factoren en uit het feit dat de Raad nooit melding heeft gemaakt van concrete betalingen die zij aan de Belarussische Staat hebben verricht, af dat de uitlegging door het Gerecht van artikel 4, lid 1, onder b), van besluit 2012/642 bevestigt dat elke staatsonderneming automatisch een bron van inkomsten voor de staat is en dat een grote, strategische en belangrijke onderneming in staatseigendom, noodzakelijkerwijs een aanzienlijke bron van inkomsten voor die staat vormt.

82 Aangezien ondernemingen in staatseigendom – net als ambtenaren – de staat noodzakelijkerwijs een voordeel verschaffen uit hoofde van de bijdrage die zij in natura aan de publieke sector leveren, volgt daaruit dat het bewijs van steun aan het regime verder moet reiken dan de loutere vaststelling dat zij een staatsonderneming zijn. In casu heeft de Raad geen enkel bewijs overgelegd van specifieke betalingen of financiële bijdragen die rekwirantes ten behoeve van de Belarussische Staat hebben verricht of gedaan, maar heeft hij zich gebaseerd op hun omvang, hun nettowinst over 2018 en hun omzet in 2020.

83 De benadering van het Gerecht heeft tot gevolg dat de Raad een onbeperkte discretionaire bevoegdheid wordt toegekend om te beslissen jegens wie een sanctie wordt opgelegd, ook wanneer concreet, nauwkeurig omschreven en onderling overeenstemmend bewijs van steun aan het Loekasjenko-regime ontbreekt.

84 De Raad betwist het betoog van rekwirantes.

Beoordeling door het Hof

85 Uit de punten 47 en 64 van het bestreden arrest volgt duidelijk dat het Gerecht zich, anders dan rekwirantes aanvoeren, niet uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat zij eigendom zijn van de Belarussische Staat om tot de slotsom te komen dat zij het Loekasjenko-regime steunen, maar dat het daarbij tevens naar behoren rekening heeft gehouden met andere factoren, zoals het feit dat zij een aanzienlijke bron van inkomsten voor dat regime vormen.

86 Voorts blijkt uit punt 55 van het bestreden arrest dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de beoordeling van het criterium van steun in hoofdzaak was gebaseerd op de geldstromen, namelijk de betalingen door rekwirantes van een deel van hun winst aan de Belarussische Staat, die als financiële steun aan het Loekasjenko-regime werden aangemerkt, en niet het feit dat zij staatseigendom waren.

87 Uit een en ander volgt dat het vierde middel van de hogere voorziening en de hogere voorziening in haar geheel dienen te worden afgewezen.

Kosten

88 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Krachtens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

89 Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Raad.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
  1. De hogere voorziening wordt afgewezen.

  2. Grodno Azot AAT en Khimvolokno Plant worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Raad van de Europese Unie.

ondertekeningen