Home

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2025

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 30 april 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
30 april 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Negende kamer)

30 april 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Richtlijn 2011/83/EU - Begrip consument - Artikel 2, punt 1 - Begrip dienstenovereenkomst - Artikel 2, punt 6 - Onderwijsovereenkomsten betreffende het verstrekken van onderwijs aan kinderen in de schoolplichtige leeftijd - Particulier onderwijs - Artikel 27 - Ongevraagde verstrekking van diensten - Verplichte vakken overeenkomstig nationale onderwijsnormen”"

In zaak C‑429/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 3 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 18 juni 2024, in de procedure

St. Kliment Ohridski Primary Private School EOOD

tegen

QX,

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • St. Kliment Ohridski Primary Private School EOOD, vertegenwoordigd door S. A. Logofetova,

  • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

  • de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en N. Scheffel als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Koleva en I. Rubene als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punten 1 en 6, en artikel 27 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen St. Kliment Ohridski Primary Private School EOOD (hierna: „St. Kliment Ohridski”), een particuliere onderwijsinstelling, en QX, een natuurlijke persoon, over de betaling door laatstgenoemde van een contractuele boete wegens de eenzijdige beëindiging van de onderwijsovereenkomsten die zij met deze instelling had gesloten voor het onderwijs van haar schoolplichtige kinderen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 Artikel 2 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

  1. consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

  2. verkoper: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”

Richtlijn 2011/83

4 Overweging 60 van richtlijn 2011/83 luidt:

„Aangezien ongevraagde commerciële toezending, dat wil zeggen de ongevraagde levering van goederen of de ongevraagde verstrekking van diensten aan consumenten, verboden is bij richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt [en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad] (‚richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) [(PB 2005, L 149, blz. 22)] maar daarin geen contractueel verweermiddel wordt geboden, dient in deze richtlijn een contractueel verweermiddel te worden opgenomen dat de consument vrijstelt van enige betalingsverplichting voor dergelijke ongevraagde leveringen of verstrekkingen.”

5 In artikel 2 („Definities”) van richtlijn 2011/83 is bepaald:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. ‚consument’: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

  2. ‚handelaar’: iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon, ongeacht of deze privaat of publiek is, die met betrekking tot onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt, mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt, in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;

[…]

  1. ‚verkoopovereenkomst’: iedere overeenkomst waarbij de handelaar de eigendom van goederen aan de consument overdraagt of zich ertoe verbindt deze over te dragen en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs daarvan te betalen, met inbegrip van elke overeenkomst die zowel goederen als diensten betreft;

  2. ‚dienstenovereenkomst’: iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst levert of zich ertoe verbindt een dienst te leveren en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs daarvan te betalen;

[…]”

6 Artikel 3 („Toepassingsgebied”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 5:

„1.

Deze richtlijn is van toepassing, onder de voorwaarden en in die mate als aangegeven in de bepalingen ervan, op alle tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomsten. […]

[…]

5.

Voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld, laat deze richtlijn de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet.”

7 Artikel 27 („Niet-gevraagde leveringen”) van die richtlijn luidt als volgt:

„Consumenten zijn vrijgesteld van enige betalingsverplichting in gevallen van ongevraagde levering van goederen, water, gas, elektriciteit, stadsverwarming of digitale inhoud, dan wel ongevraagde verstrekking van diensten, zoals verboden door artikel 5, lid 5, en punt 29 van bijlage I van richtlijn [2005/29]. In deze gevallen betekent het uitblijven van een reactie van de consument op de ongevraagde levering of verstrekking niet dat hij met deze instemt.”

Bulgaars recht

Wet inzake kleuter- en schoolonderwijs

8 Artikel 8 van de Zakon za preduchilishtnonto i uchilishtnoto obrazovanie (wet inzake kleuter- en schoolonderwijs) (DV nr. 79 van 13 oktober 2015), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZPUO”), bepaalt in lid 2:

„De schoolplicht geldt tot het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en begint met het schooljaar waarin het kind de leeftijd van 7 jaar bereikt.”

9 Artikel 29, lid 3, ZPUO luidt als volgt:

„Particuliere peuterspeelzalen en particuliere scholen verwerven de hoedanigheid van rechtspersoon overeenkomstig de vereisten en procedures van de Targovski zakon [(wetboek van koophandel) (DV nr. 48 van 18 juni 1991)], de Zakon za yuridicheskite litsa s nestopanska tsel [(wet op rechtspersonen zonder winstoogmerk) (DV nr. 81 van 6 oktober 2000)], de Zakon za kooperatsiite [(wet op de coöperaties) (DV nr. 113 van 28 december 1991)] of de wetgeving van een andere lidstaat.”

10 In artikel 301, leden 1 en 2, ZPUO is bepaald:

„(1)

De diensten die verder gaan dan het door de staat gefinancierde aanbod krachtens artikel 10, lid 3, en die door particuliere peuterspeelzalen en scholen tegen betaling worden verstrekt, worden geregeld in de reglementen van de respectieve particuliere peuterspeelzaal of school.

(2)

De voorwaarden en de procedure voor de betaling van de diensten als bedoeld in lid 1 alsmede het bedrag worden contractueel overeengekomen tussen de particuliere peuterspeelzaal of school en de ouder van het kind of de leerling.”

Wet inzake consumentenbescherming

11 § 13 van de aanvullende bepalingen van de Zakon za zashtita na potrebitelite (wet inzake consumentenbescherming) (DV nr. 99 van 9 december 2005), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, zet artikel 2 van richtlijn 2011/83 in nagenoeg identieke bewoordingen om in Bulgaars recht.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 QX heeft met St. Kliment Ohridski twee onderwijsovereenkomsten gesloten voor het voltijds onderwijs van haar kinderen in het schooljaar 2022/2023, tegen betaling van jaarlijks schoolgeld.

13 Deze kinderen waren naar Bulgaars recht schoolplichtig.

14 Beide overeenkomsten bevatten een beding op grond waarvan QX deze eenzijdig kon opzeggen, onder voorbehoud van voorafgaande schriftelijke kennisgeving met inachtneming van een opzegtermijn van een maand en tegen betaling van een contractuele boete. In dat beding werd gepreciseerd dat indien QX de laatste termijn van de betrokken overeenkomst niet heeft betaald op het tijdstip van kennisgeving van de opzegging ervan, de verschuldigde contractuele boete overeenkomt met het bedrag van die laatste termijn die op de datum van de kennisgeving van de opzegging onbetaald was gebleven.

15 Op 4 april 2023 zijn die twee overeenkomsten opgezegd en zijn de kinderen van QX naar een nieuwe onderwijsinstelling gegaan.

16 St. Kliment Ohridski heeft bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tegen QX, strekkende tot veroordeling van laatstgenoemde tot betaling van de overeengekomen contractuele boete, op grond dat zij die overeenkomsten eenzijdig had opgezegd door haar kinderen bij deze instelling uit te schrijven.

17 De verwijzende rechter wijst erop dat partijen in het hoofdgeding niet betwisten dat de laatste termijn van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten niet is betaald. Zij betwisten evenmin het bedrag van deze laatste termijn en dat van die contractuele boete.

18 QX betwist echter wel de geldigheid van die contractuele boete op grond dat deze in strijd is met de goede zeden, aangezien zij leidt tot ongerechtvaardigde verrijking. Zij voert aan dat die contractuele boete verder gaat dan de ermee nagestreefde doeleinden van preventie, compensatie en sanctionering.

19 In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of QX kan worden gekwalificeerd als consument, voor zover zij wettelijk verplicht is om haar kinderen naar school te sturen om er onderwijs te volgen.

20 In dit verband merkt deze rechter op dat in Bulgarije leerlingen tot de leeftijd van 16 jaar schoolplichtig zijn. De Bulgaarse onderwijsinstellingen kunnen, afhankelijk van de wijze waarop zij gefinancierd worden, openbare of particuliere instellingen zijn. Terwijl openbare onderwijsinstellingen gratis onderwijs aanbieden, eisen particuliere onderwijsinstellingen dat de ouders van de leerlingen schoolgeld betalen. Bovendien wordt het onderwijs in particuliere onderwijsinstellingen verstrekt op grond van een tussen de betrokken instelling en de ouders van de leerling gesloten onderwijsovereenkomst.

21 De verwijzende rechter preciseert dat er tussen openbare en particuliere onderwijsinstellingen geen enkel verschil bestaat wat betreft de verplichte schoolvakken, het aantal lesuren in deze vakken en de inhoud van die vakken. In beide gevallen wordt het onderwijs verstrekt overeenkomstig de nationale onderwijsnormen die bij de voorschriften van de minister van Onderwijs en Wetenschap worden vastgesteld.

22 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat St. Kliment Ohridski een particuliere onderwijsinstelling is die is ingeschreven als handelsvennootschap. Deze instelling ontvangt geen middelen van de staat of de betrokken gemeente en financiert haar activiteiten uitsluitend via schoolgeld, giften en andere inkomstenbronnen. Bovendien verricht deze instelling geen activiteit zonder winstoogmerk en handelt zij evenmin als coöperatieve vennootschap, maar oefent zij een handelsactiviteit uit.

23 Volgens de verwijzende rechter zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten dus gesloten in het kader van de handelsactiviteit van St. Kliment Ohridski en heeft QX gehandeld voor doeleinden die buiten het kader van haar handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen.

24 Aangezien het de betrokken ouder is die de onderwijsovereenkomsten heeft gesloten opdat haar kinderen onderwijs genieten, vraagt deze rechter zich voorts af of deze kinderen in het kader van die overeenkomsten als consument kunnen worden gekwalificeerd.

25 In de tweede plaats vraagt die rechter zich af of een overeenkomst betreffende het verstrekken van onderwijs door een particuliere instelling een „dienstenovereenkomst” vormt in de zin van artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83, gelet op het feit dat onderwijs verplicht is.

26 In dit verband merkt die verwijzende rechter op dat het feit dat deze dienst door zowel openbare als particuliere onderwijsinstellingen kan worden verstrekt, onzekerheid doet rijzen over hoe die dienst moet worden gekwalificeerd. In die omstandigheden twijfelt de verwijzende rechter eraan of de betrokken overeenkomst in haar geheel moet worden gekwalificeerd als een „dienstenovereenkomst”, gelet op de schoolplicht en op het feit dat het onderwijs wordt verstrekt volgens de nationale onderwijsnormen, dan wel of die kwalificatie alleen moet gelden voor de dienstverrichtingen die in deze overeenkomst zijn vastgelegd maar niet onder verplicht onderwijs vallen, zoals het verstrekken van maaltijden, vervoer of buitenschoolse activiteiten.

27 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of, ingeval een met een particuliere instelling gesloten onderwijsovereenkomst moet worden beschouwd als een met een consument gesloten overeenkomst, artikel 27 van richtlijn 2011/83, dat voorziet in de vrijstelling van de betalingsverplichting voor een ongevraagde verrichting van diensten, moet worden toegepast.

28 Deze rechter vraagt zich namelijk af of de ouders dan wel de leerlingen kunnen aanvoeren dat zij niet hebben gevraagd om onderwijs te krijgen in bepaalde vakken binnen het aantal uren dat is toegekend aan de verplichte of keuzevakken. Meer in het bijzonder vraagt hij zich af of de aansprakelijkheid van een consument voor de betaling van schoolgeld kan worden beperkt op grond dat het betrokken kind niet heeft gevraagd om onderwijs te krijgen in een bepaald vak binnen het opgelegde aantal lesuren.

29 Tot slot benadrukt de verwijzende rechter dat het van belang is om de punten die met deze drie vragen aan de orde worden gesteld te verduidelijken, aangezien de nationale rechter in geschillen die onder het consumentenrecht vallen, ambtshalve een dwingende rechtsregel ter bescherming van de betrokken consument kan toepassen.

30 Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet het begrip ‚consument’ in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn [2011/83] aldus worden uitgelegd dat daaronder ook valt een ouder die met een particuliere onderwijsinstelling een onderwijsovereenkomst heeft gesloten die ertoe strekt dat zijn kinderen het verplichte schoolonderwijs krijgen bij die als handelsvennootschap ingeschreven onderwijsinstelling?

  • Moet het begrip ‚consument’ in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn [2011/83] aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een leerling die op grond van een onderwijsovereenkomst tussen een ouder en een als handelsvennootschap ingeschreven particuliere onderwijsinstelling tegen betaling het verplichte onderwijs volgt aan die particuliere onderwijsinstelling?

  • Moet het begrip ‚dienstenovereenkomst’ in de zin van artikel 2, punt 6, van richtlijn [2011/83] aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een onderwijsovereenkomst tussen een ouder en een als handelsvennootschap ingeschreven particuliere onderwijsinstelling over het verstrekken van verplicht onderwijs aan leerlingen, op grond waarvan de ouders ter financiering schoolgeld moeten betalen?

  • Indien een of meer van de drie voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord, moet artikel 27 van richtlijn [2011/83] dan aldus worden uitgelegd dat de leerling of de ouder kan worden vrijgesteld van de verplichting om schoolgeld te betalen indien zij geen onderwijs hebben gevraagd voor een bepaald vak of niet tevreden zijn met het onderwijs daarin en dit vak volgens de nationale onderwijsnormen een verplicht vak is.”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

31 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat een ouder die voor het verplichte onderwijs van zijn kinderen zelfstandig een onderwijsovereenkomst heeft gesloten met een als particuliere handelsvennootschap ingeschreven onderwijsinstelling, of een leerling die in het kader van een dergelijke overeenkomst bij die instelling naar school gaat, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt.

32 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2011/83 overeenkomstig artikel 3, lid 1, van toepassing is, onder de voorwaarden en in die mate als aangegeven in de bepalingen ervan, op alle tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomsten, met uitzondering van de in lid 3 van dat artikel genoemde overeenkomsten. Aangezien onderwijsovereenkomsten die zijn gesloten met particuliere onderwijsinstellingen niet onder dit lid 3 vallen, moet worden vastgesteld dat deze inhoudelijk onder de werkingssfeer van richtlijn 2011/83 vallen.

33 Krachtens artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 wordt het begrip „consument” gedefinieerd als iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen.

34 Teneinde de doelstellingen van de Uniewetgever op het gebied van consumentenovereenkomsten te verwezenlijken en de coherentie van het Unierecht te verzekeren, moet rekening worden gehouden met het begrip „consument” in andere Unierechtelijke regelingen [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35 Teneinde artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 uit te leggen, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de uitlegging die het Hof reeds heeft gegeven met betrekking tot het begrip „consument” in de context van richtlijn 93/13.

36 Richtlijn 2011/83, waarbij richtlijn 93/13 is gewijzigd, definieert in artikel 2 het begrip „consument” immers op een zeer gelijklopende manier als artikel 2 van richtlijn 93/13 en streeft dezelfde doelstelling na als laatstgenoemde richtlijn. Richtlijn 2011/83 heeft betrekking op de rechten van consumenten bij met handelaren gesloten overeenkomsten en beoogt consumenten een hoog niveau van bescherming te bieden door te waarborgen dat zij geïnformeerd en beschermd worden bij transacties met handelaren [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37 In de context van richtlijn 93/13 heeft het Hof geoordeeld dat de hoedanigheid van „consument” van de betrokkene moet worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de contractuele verhouding in kwestie is ontstaan in het kader van activiteiten die buiten de uitoefening van een beroep of een bedrijf liggen. Het Hof heeft eveneens de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van deze richtlijn een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt (arrest van 24 oktober 2024, Zabitoń, C‑347/23, EU:C:2024:919, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 In navolging van hetgeen het Hof met betrekking tot artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 heeft geoordeeld, moet ervan worden uitgegaan dat deze uitlegging ook geldt voor richtlijn 2011/83. De dwingende aard van de bepalingen van richtlijn 2011/83 en de daarmee verbonden bijzondere eisen van consumentenbescherming vereisen namelijk dat de voorkeur wordt gegeven aan een ruime uitlegging van het begrip „consument” in de zin van artikel 2, punt 1, van deze richtlijn, teneinde het nuttig effect van die richtlijn te verzekeren (arrest van 24 oktober 2024, Zabitoń, C‑347/23, EU:C:2024:919, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing in de eerste plaats dat QX met St. Kliment Ohridski twee onderwijsovereenkomsten heeft gesloten voor het voltijds onderwijs van haar kinderen in het schooljaar 2022/2023, tegen betaling van jaarlijks schoolgeld. Daaruit blijkt ook dat deze instelling, die uit particuliere middelen wordt gefinancierd, als handelsvennootschap is ingeschreven.

40 Aldus blijkt dat QX, bij het sluiten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onderwijsovereenkomsten, geen beroepsmatig doel nastreefde, maar uitsluitend tot doel had te verzekeren dat haar kinderen onderwijs zouden ontvangen in een particuliere onderwijsinstelling.

41 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat deze overeenkomsten waren gesloten voor een periode waarin naar Bulgaars recht onderwijs verplicht is. Ten eerste bevat de definitie van het begrip „consument” in artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83, dat, zoals in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, een objectief begrip is, immers geen enkel vereiste en geen enkele voorwaarde met betrekking tot het voorwerp van de overeenkomst, voor zover deze binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt. In het bijzonder zijn de beweegredenen die de betrokkene ertoe hebben aangezet om die overeenkomst te sluiten, ook wanneer zij voortvloeien uit de noodzaak om aan een wettelijke verplichting te voldoen, irrelevant voor de vaststelling of deze persoon onder het begrip „consument” valt. Ten tweede vereist de schoolplicht geenszins dat een overeenkomst met een particuliere onderwijsinstelling wordt gesloten. Met andere woorden, hoewel de betrokken ouder verplicht is om zijn kind bij een onderwijsinstelling in te schrijven, behoudt hij de volledige vrijheid om te kiezen of hij de opleiding van dat kind aan een openbare dan wel aan een particuliere instelling toevertrouwt.

42 In de tweede plaats zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter alleen tussen QX en die instelling gesloten, zodat de contractuele verbintenissen bindend zijn voor QX, maar niet voor haar kinderen. Aangezien zij geen partij zijn bij deze overeenkomsten, kunnen zij niet worden geacht te hebben gehandeld in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 en vallen zij op grond van deze bepaling dus niet onder het begrip „consument”.

43 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat

  • een ouder die voor het verplichte onderwijs van zijn kinderen zelfstandig een onderwijsovereenkomst heeft gesloten met een als particuliere handelsvennootschap ingeschreven onderwijsinstelling, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt, en

  • een leerling die in het kader van een dergelijke overeenkomst bij die instelling naar school gaat, niet onder dit begrip valt.

Derde vraag

44 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat een tussen een ouder en een als handelsvennootschap ingeschreven particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst betreffende het verstrekken van het verplichte onderwijs aan leerlingen tegen betaling van schoolgeld door die ouder, onder het begrip „dienstenovereenkomst” in de zin van deze bepaling valt.

45 In dit verband zij eraan herinnerd dat het in artikel 2, punt 6, van deze richtlijn gehanteerde begrip „dienstenovereenkomst” een ruime definitie kent, te weten „iedere andere overeenkomst dan een verkoopovereenkomst, waarbij de handelaar de consument een dienst levert of zich ertoe verbindt een dienst te leveren en de consument de prijs daarvan betaalt of zich ertoe verbindt de prijs daarvan te betalen”. Uit de formulering van deze bepaling volgt dat dit begrip aldus moet worden opgevat dat het alle overeenkomsten omvat die niet onder het begrip „verkoopovereenkomst” vallen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C‑38/21, C‑47/21 en C‑232/21, EU:C:2023:1014, punt 154 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Onderwijsovereenkomsten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarbij een particuliere onderwijsinstelling zich ertoe verbindt om overeenkomstig de nationale onderwijsnormen onderwijs te verstrekken aan de kinderen van een ouder, alsmede aanvullende prestaties, tegen betaling van jaarlijks schoolgeld door die ouder, vallen niet onder de overdracht van de eigendom van goederen in de zin van artikel 2, punt 5, van richtlijn 2011/83. Bijgevolg vallen deze overeenkomsten, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, onder het begrip „dienstenovereenkomst” in de zin van artikel 2, punt 6, van deze richtlijn.

47 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat een tussen een ouder en een als handelsvennootschap ingeschreven particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst betreffende het verstrekken van het verplichte onderwijs aan leerlingen tegen betaling van schoolgeld door die ouder, onder het begrip „dienstenovereenkomst” in de zin van die bepaling valt.

Vierde vraag

48 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 27 van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat, in het kader van een tussen een ouder en een particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst, deze ouder kan worden vrijgesteld van de verplichting om het in die overeenkomst bedongen schoolgeld te betalen op grond dat hij of zijn kind er niet om hebben gevraagd dat dit kind onderwijs krijgt in een bepaald vak, wanneer dit onderwijs overeenkomstig de nationale onderwijsnormen verplicht is, of die ouder of zijn kind niet tevreden zijn met de kwaliteit van de in het kader van die overeenkomst verstrekte onderwijsdiensten.

49 In herinnering moet worden gebracht dat consumenten volgens artikel 27 van richtlijn 2011/83 zijn vrijgesteld van enige betalingsverplichting in gevallen van ongevraagde levering van goederen, water, gas, elektriciteit, stadsverwarming of digitale inhoud, dan wel ongevraagde verstrekking van diensten, zoals verboden door artikel 5, lid 5, en punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29, en dat het uitblijven van een reactie van de consument in een dergelijk geval niet betekent dat hij instemming verleent.

50 Ongevraagde commerciële toezending wordt in overweging 60 van richtlijn 2011/83 gedefinieerd als „de ongevraagde levering van goederen of de ongevraagde verstrekking van diensten aan consumenten”. Het Hof heeft hieromtrent geoordeeld dat met name sprake is van een „niet‑gevraagde levering” in de zin van punt 29 van bijlage I bij richtlijn 2005/29, waarnaar artikel 27 van richtlijn 2011/83 verwijst, bij een handelwijze die erin bestaat dat de handelaar de betrokken consument vraagt om betaling van een product dat, of van een dienst die, hij aan die consument heeft geleverd zonder dat hij daarom heeft gevraagd (arrest van 5 december 2019, EVN Bulgaria Toplofikatsia en Toplofikatsia Sofia, C‑708/17 en C‑725/17, EU:C:2019:1049, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Artikel 27 van richtlijn 2011/83 strekt er dus toe te verhinderen dat een handelaar de betrokken consument een contractuele relatie oplegt waarmee hij niet vrijwillig heeft ingestemd (arrest van 5 december 2019, EVN Bulgaria Toplofikatsia en Toplofikatsia Sofia, C‑708/17 en C‑725/17, EU:C:2019:1049, punt 65 ).

52 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten betrekking hebben op het voltijds onderwijs van de kinderen van QX, tegen betaling van jaarlijks schoolgeld door die ouder. Dit onderwijs wordt verzorgd overeenkomstig de nationale onderwijsnormen zoals vastgesteld bij de voorschriften van de minister van Onderwijs en Wetenschap.

53 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt dus dat volgens deze nationale normen, een ouder in het kader van de tussen hem en een particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomsten vrijwillig instemt met één enkele globale prestatie, zonder mogelijkheid om de onderwezen vakken te kiezen of het aantal lesuren aan te passen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt niet dat voor ongevraagde diensten een aanvullende betaling is vereist. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een dienst die is verricht zonder dat deze ouder daarom heeft gevraagd.

54 In die omstandigheden kan het verstrekken van verplicht onderwijs overeenkomstig de nationale onderwijsnormen niet worden beschouwd als een „ongevraagde verstrekking” van diensten in de zin van artikel 27 van richtlijn 2011/83.

55 Wat de situatie betreft waarin de ouder of zijn kind ontevreden is over de kwaliteit van de in het kader van deze overeenkomsten verrichte onderwijsdiensten, moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2011/83, zoals blijkt uit artikel 3, lid 5, voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet daarbij worden geregeld, de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet laat. Deze situatie moet dus worden beoordeeld overeenkomstig het nationale verbintenissenrecht.

56 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 27 van richtlijn 2011/83 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een tussen een ouder en een particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst:

  • deze ouder niet kan worden vrijgesteld van de verplichting om het in die overeenkomst bedongen schoolgeld te betalen op grond dat hij of zijn kind er niet om hebben gevraagd dat dit kind onderwijs krijgt in een bepaald vak, wanneer dit onderwijs overeenkomstig de nationale onderwijsnormen verplicht is;

  • dit artikel niet van toepassing is op een situatie waarin die ouder of zijn kind niet tevreden zijn met de kwaliteit van de in het kader van die overeenkomst verstrekte onderwijsdiensten, aangezien deze situatie onder het nationale verbintenissenrecht valt.

Kosten

57 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
  1. Artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    • een ouder die voor het verplichte onderwijs van zijn kinderen zelfstandig een onderwijsovereenkomst heeft gesloten met een als particuliere handelsvennootschap ingeschreven onderwijsinstelling, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt, en

    • een leerling die in het kader van een dergelijke overeenkomst bij die instelling naar school gaat, niet onder dit begrip valt.

  2. Artikel 2, punt 6, van richtlijn 2011/83

    moet aldus worden uitgelegd dat

    een tussen een ouder en een als handelsvennootschap ingeschreven particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst betreffende het verstrekken van het verplichte onderwijs aan leerlingen tegen betaling van schoolgeld door die ouder, onder het begrip „dienstenovereenkomst” in de zin van deze bepaling valt.

  3. Artikel 27, van richtlijn 2011/83

    moet aldus worden uitgelegd dat

    in het kader van een tussen een ouder en een particuliere onderwijsinstelling gesloten onderwijsovereenkomst,

    • deze ouder niet kan worden vrijgesteld van de verplichting om het in die overeenkomst bedongen schoolgeld te betalen op grond dat hij of zijn kind er niet om hebben gevraagd dat dit kind onderwijs krijgt in een bepaald vak, wanneer dit onderwijs overeenkomstig de nationale onderwijsnormen verplicht is;

    • dit artikel niet van toepassing is op een situatie waarin die ouder of zijn kind niet tevreden zijn met de kwaliteit van de in het kader van die overeenkomst verstrekte onderwijsdiensten, aangezien deze situatie onder het nationale verbintenissenrecht valt.

ondertekeningen