Home

Beschikking van de president van het Hof van 1 augustus 2025

Beschikking van de president van het Hof van 1 augustus 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
1 augustus 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF

1 augustus 2025 (*)

„ Hogere voorziening – Verzoek om toelating tot interventie – Beroepsvereniging – Belang bij de beslechting van het geding – Toewijzing ”

In zaak C‑865/24 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 12 december 2024,

Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel, gevestigd te Brussel (België),

Orde van Vlaamse Balies, gevestigd te Brussel,

Bernard Derveaux, wonende te Kortenberg (België),

vertegenwoordigd door P. de Bandt en T. Ghysels, advocaten,

Franse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel, gevestigd te Brussel, en de andere verzoekende partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage, vertegenwoordigd door T. Bontinck en A. Guillerme, avocats,

rekwiranten,

andere partijen in de procedure:

Maurice Krings, wonende te Brussel,

verzoeker in eerste aanleg,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Lejeune en V. Piessevaux als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

Bundesrechtsanwaltskammer, gevestigd te Berlijn (Duitsland), vertegenwoordigd door J.‑P. Buyle, avocat, en D. van Gerven, advocaat,

Ordre des avocats de Genève, gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door B. Gentil en F. Zimeray, avocats,

Republiek Estland,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus-Carcea, C. Georgieva, C. Giolito en H. Krämer als gemachtigden,

Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, vertegenwoordigd door M. Almeida Veiga, L. Havas en F. Hoffmeister als gemachtigden,

interveniënten in eerste aanleg,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF,

gelet op het voorstel van rechter-rapporteur N. Frendo,

advocaat-generaal L. Medina gehoord,

de navolgende

Beschikking

1        Met hun hogere voorziening vorderen de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel, de Orde van Vlaamse Balies, Bernard Derveaux, de Franse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel en de andere rekwiranten wier namen zijn opgenomen in de bijlage, vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 2 oktober 2024, Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel e.a./Raad (T‑797/22, EU:T:2024:670; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van:

–        artikel 1, punt 12, van verordening (EU) 2022/1904 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022, L 259 I, blz. 3), voor zover daarbij artikel 5 quindecies, leden 2 en 4 tot en met 12, van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1) wordt vervangen met betrekking tot diensten op het gebied van juridisch advies;

–        artikel 1, punt 13, van verordening (EU) 2022/2474 van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van verordening [nr. 833/2014] (PB 2022, L 322 I, blz. 1), voor zover daarbij artikel 5 quindecies, leden 2 en 4 tot en met 11, van verordening nr. 833/2014 wordt vervangen met betrekking tot diensten op het gebied van juridisch advies, en

–        artikel 1, punt 13, van verordening (EU) 2023/427 van de Raad van 25 februari 2023 tot wijziging van verordening [nr. 833/2014] (PB 2023, L 59 I, blz. 6), voor zover daarbij artikel 12 ter, lid 2 bis, is ingevoegd in verordening nr. 833/2014 met betrekking tot diensten op het gebied van juridisch advies.

2        Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 maart 2025, heeft de Ordre des avocats du barreau de Luxembourg (hierna: „OBL”) op grond van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om in de onderhavige zaak te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van rekwiranten.

3        Dit verzoek is door de griffier van het Hof aan partijen betekend overeenkomstig artikel 131, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 190, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening.

4        De Raad van de Europese Unie en de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid hebben binnen de gestelde termijn hun opmerkingen over dat verzoek ingediend, zonder daartegen bezwaar te maken.

 Verzoek om toelating tot interventie

5        Krachtens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is elke persoon die aannemelijk kan maken belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, dat geen rechtsgeding is tussen lidstaten, tussen instellingen van de Europese Unie, of tussen lidstaten enerzijds en instellingen anderzijds, gerechtigd in dat geding te interveniëren.

6        Volgens vaste rechtspraak moet het begrip „belang bij de beslissing van een rechtsgeding”, als bedoeld in die bepaling, worden gedefinieerd in het licht van het voorwerp van het geding en worden opgevat als een direct en actueel belang bij de uitspraak over de conclusies, en niet als een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen of argumenten. De woorden „beslissing van het rechtsgeding” verwijzen immers naar de gevraagde eindbeslissing, zoals die zou worden neergelegd in het dictum van het te wijzen arrest of de te geven beschikking (beschikking van de president van het Hof van 19 december 2024, GAR/Dexia, C‑454/24 P, EU:C:2024:1062, punt 6 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

7        Dienaangaande dient met name te worden nagegaan of de verzoeker om toelating tot interventie rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden handeling en of zijn belang bij de beslechting van het geding vaststaat. In beginsel kan er van een voldoende direct belang bij de beslissing van het rechtsgeding slechts sprake zijn wanneer die beslissing de rechtspositie kan wijzigen van de verzoeker om toelating tot interventie (beschikking van de president van het Hof van 19 december 2024, GAR/Dexia, C‑454/24 P, EU:C:2024:1062, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

8        Uit vaste rechtspraak volgt echter ook dat een representatieve beroepsvereniging die tot doel heeft de belangen van haar leden te beschermen, kan worden toegelaten tot interventie wanneer het geding principiële vragen doet rijzen die gevolgen kunnen hebben voor die belangen. Aan het vereiste dat een dergelijke vereniging een rechtstreeks en daadwerkelijk belang heeft bij de beslissing van het geding, moet dan ook worden geacht te zijn voldaan wanneer die vereniging aantoont dat zij zich in een dergelijke situatie bevindt, ongeacht of de beslissing van het rechtsgeding de rechtspositie van de vereniging als zodanig kan wijzigen (beschikking van de president van het Hof van 19 december 2024, GAR/Dexia, C‑454/24 P, EU:C:2024:1062, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

9        Met een dergelijke ruime uitlegging van het interventierecht ten gunste van representatieve beroepsverenigingen wordt immers beoogd om een betere beoordeling van de achtergrond van de aan de Unierechter voorgelegde zaken mogelijk te maken en tegelijkertijd grote aantallen individuele interventies, die de doeltreffendheid en het goede verloop van de procedure in gevaar zouden brengen, te voorkomen. Anders dan natuurlijke en rechtspersonen die voor eigen rekening handelen, zullen representatieve beroepsorganisaties een verzoek om toelating tot interventie in een voor het Hof aanhangig geding evenwel niet zozeer doen om particuliere belangen te verdedigen als wel om de collectieve belangen van hun leden te behartigen. De interventie van een dergelijke vereniging biedt namelijk een algemeen overzicht van deze collectieve belangen, die worden geraakt door een principiële kwestie waarvan de beslechting van het geding afhangt, en stelt het Hof dus in staat om de achtergrond van een voorgelegde zaak beter te beoordelen (beschikking van de president van het Hof van 19 december 2024, GAR/Dexia, C‑454/24 P, EU:C:2024:1062, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

10      Een beroepsvereniging kan bijgevolg tot interventie in een geding worden toegelaten wanneer zij ten eerste representatief is voor een aanzienlijk aantal ondernemingen uit de betrokken sector, ten tweede, wanneer het doel ervan de bescherming van de belangen van haar leden omvat, ten derde, wanneer het geding principiële vragen kan doen rijzen die gevolgen hebben voor de werking van de betrokken sector en, ten vierde, wanneer daaruit volgt dat de belangen van haar leden door het te wijzen arrest aanmerkelijk kunnen worden geraakt (beschikking van de president van het Hof van 19 december 2024, GAR/Dexia, C‑454/24 P, EU:C:2024:1062, punt 10 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

11      Het is in het licht van die voorwaarden dat de gegrondheid van het verzoek om toelating tot interventie van de OBL moet worden onderzocht.

12      Wat in de eerste plaats de representativiteitsvoorwaarde betreft, verklaart de OBL in het verzoek om toelating tot interventie dat zij 3 665 advocaten verenigt die hun beroep uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement Luxemburg (Luxemburg).

13      Voorts volgt uit de artikelen 5, 7 en 39, lid 1, van de loi du 10 août 1991 sur la profession d’avocat (wet van 10 augustus 1991 op de advocatuur; hierna: „wet op de advocatuur”) (Mémorial A 1991, blz. 1110), waarnaar in dit verzoek om toelating tot interventie wordt verwezen en die samen met dit verzoek is overgelegd, dat niemand het beroep van advocaat mag uitoefenen tenzij hij is ingeschreven op het tableau van een van de in Luxemburg gevestigde balies, namelijk die van het arrondissement Luxemburg of die van het arrondissement Diekirch (Luxemburg).

14      De OBL is derhalve representatief voor de advocaten die hun beroep uitoefenen in het arrondissement Luxemburg.

15      In dat verband moet erop worden gewezen dat de organisatie van de beroepsverenigingen waarbij advocaten zich moeten aansluiten om hun beroep te kunnen uitoefenen, per lidstaat verschilt.

16      Als van een beroepsvereniging zou worden verlangd dat zij alle advocaten van een lidstaat vertegenwoordigt om te voldoen aan de representativiteitsvoorwaarde zoals uiteengezet in de in de punten 8 en 10 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, dan zouden advocaten mogelijk verschillend worden behandeld, afhankelijk van of zij hun beroep uitoefenen in een lidstaat met één nationale beroepsvereniging dan wel in een lidstaat met meerdere plaatselijke beroepsverenigingen.

17      Een plaatselijke beroepsvereniging waarbij personen die in een bepaald deel van het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd zich moeten aansluiten om hun beroep te kunnen uitoefenen, moet derhalve als representatief worden beschouwd.

18      De OBL kan dus, gelet op het feit dat zij alle in een deel van Luxemburg werkzame advocaten verenigt, als een representatieve beroepsvereniging worden beschouwd.

19      Wat in de tweede plaats de voorwaarde inzake de bescherming van de belangen van de leden betreft, volgt uit artikel 23 van de wet op de advocatuur – waarop de OBL zich beroept – dat haar voorzitter in alle gevallen waarin de bescherming van met name een advocaat dit vereist, alle voorlopige maatregelen kan treffen die de voorzichtigheid gebiedt. Tevens kan hij zich tot de bevoegde gerechtelijke instanties wenden om de maatregelen te gelasten die hij noodzakelijk of nuttig acht. De OBL kan dus worden beschouwd als een representatieve vereniging die onder meer tot doel heeft de belangen van haar leden te beschermen.

20      In de derde plaats moeten de in punt 10 van deze beschikking genoemde derde en vierde voorwaarde tezamen worden onderzocht. Daarbij moet worden nagegaan of het geding principiële vragen kan doen rijzen die gevolgen hebben voor de werking van de betrokken sector en of het te wijzen arrest daardoor de belangen van de leden van de betrokken beroepsorganisatie aanmerkelijk kan raken.

21      De OBL voert in wezen aan dat de bepalingen waarvan de geldigheid bij het bestreden arrest is bevestigd, aanzienlijke beperkingen meebrengen voor de toegang van de Russische regering en in Rusland gevestigde rechtspersonen, entiteiten of lichamen tot bepaalde diensten op het gebied van juridisch advies. Die beperkingen roepen vragen op over het recht om zich te laten adviseren door een advocaat, het beroepsgeheim en de rol van advocaten in een democratie. Bijgevolg wordt de advocatuur in haar geheel en op het gehele grondgebied van de Unie – inclusief Luxemburg – door die bepalingen geraakt. Het Gerecht heeft zich in het bestreden arrest immers uitgesproken over kwesties die met name betrekking hebben op de reikwijdte van de bescherming van het beroepsgeheim uit hoofde van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Unie (hierna: „Handvest”), en van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest.

22      Vastgesteld moet worden dat deze hogere voorziening, waarmee rekwiranten vernietiging van het bestreden arrest vorderen, inderdaad principiële vragen doet rijzen over de voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van advocaat op het gehele grondgebied van de Europese Unie – met inbegrip van het arrondissement Luxemburg, dat onder de bevoegdheid van de OBL valt – en dat het te wijzen arrest de belangen van de leden van de OBL aanmerkelijk kan raken.

23      Gelet op het voorgaande dient het door de OBL ingediende verzoek om toelating tot interventie aan de zijde van rekwiranten te worden toegewezen.

 Procedurele rechten van de interveniënt

24      De OBL heeft overeenkomstig artikel 131, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 190, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, recht op mededeling van alle processtukken die aan partijen zijn betekend, tenzij partijen verzoeken om bepaalde stukken of bescheiden niet mee te delen.

25      Aangezien het verzoek om toelating tot interventie is ingediend binnen de termijn van artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, kan de OBL overeenkomstig artikel 132, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 190, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, een memorie in interventie indienen binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de in het vorige punt bedoelde mededeling, die wordt verlengd met de forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, waarin artikel 51 van dat Reglement voorziet.

26      Bovendien kan de OBL mondelinge opmerkingen maken indien een pleitzitting wordt gehouden.

 Kosten

27      Volgens artikel 137, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.

28      Aangezien het verzoek om toelating tot interventie van de OBL in casu is ingewilligd, moet de beslissing omtrent de kosten van deze interventie worden aangehouden.

De president van het Hof beschikt:

1)      De Ordre des avocats du barreau de Luxembourg wordt toegelaten tot interventie in zaak C865/24 P aan de zijde van rekwiranten.

2)      Een afschrift van alle processtukken wordt door de griffier aan de Ordre des avocats du barreau de Luxembourg betekend.

3)      De Ordre des avocats du barreau de Luxembourg beschikt over een termijn van een maand, verlengd met de forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, die ingaat op de datum van de betekening bedoeld in punt 2 van dit dictum, om een memorie in interventie in te dienen.

4)      De beslissing omtrent de kosten van de interventie van de Ordre des avocats du barreau de Luxembourg wordt aangehouden.

ondertekeningen


Bijlage

Orde van Franstalige en Duitstalige balies van België, gevestigd te Brussel,

Marie Dupont, wonende te Horion-Hozémont (België),

Stéphane Gothot, wonende te Luik (België),

Emmanuel Plasschaert, wonende te Brussel,

Pierre Sculier, wonende te Brussel,

Xavier Van Gils, wonende te Villers-la-Ville (België).