Home

Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 3 september 2025

Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 3 september 2025

Gegevens

Instantie
Gerechtshof EU
Datum uitspraak
3 september 2025

Uitspraak

Arrest van het Gerecht (Derde kamer)

3 september 2025(*)

"„Uniemodel - Nietigheidsprocedure - Ingeschreven Uniemodel dat een decoratie voor verpakkingszakken weergeeft - Oudere nationale woord- en beeldmerken - Nietigheidsgrond - Gebruik in het latere model van een onderscheidend teken waarvan de houder het gebruik kan verbieden - Artikel 25, lid 1, onder e), van verordening (EG) nr. 6/2002 - Toepasselijk materieel recht - Rechten van de verdediging - Omvang van het onderzoek door de kamer van beroep”"

In zaak T‑91/24,

Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ, gevestigd te Eskişehir (Turkije), vertegenwoordigd door A. Căvescu, advocaat,

verzoekster, tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door C. Bovar en J. Ivanauskas als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Star Foods E.M. SRL, gevestigd te Boekarest (Roemenië), vertegenwoordigd door V. von Bomhard en J. Fuhrmann, advocaten,

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: P. Škvařilová‑Pelzl (rapporteur), president, G. Steinfatt en D. Kukovec, rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 23 januari 2025 en de respectievelijk op 6 en 7 februari 2025 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van interveniënte en het EUIPO,

gelet op het feit dat de partijen niet binnen drie weken te rekenen vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling om een terechtzitting hebben verzocht en na de beslissing krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ, vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 14 december 2023 (zaak R 1016/2023‑3) (hierna: „bestreden beslissing”)

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 28 oktober 2016 heeft verzoekster bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel ingediend krachtens verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

3 Het aangevraagde gemeenschapsmodel dat in casu wordt betwist, wordt weergegeven in de volgende afbeelding:

4 De waren waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, behoren tot klasse 32.00 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en vallen onder de volgende aanduiding: „Zakken [verpakking] (Versieringen voor -)”.

5 Op 21 januari 2019 heeft interveniënte, Star Foods E.M. SRL, bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model ingediend voor de in punt 4 hierboven genoemde waren.

6 De vordering tot nietigverklaring werd aangevoerd op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de versie van vóór de inwerkingtreding van verordening (EU) 2024/2822 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 (PB L, 2024/2822), gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b) en c), van lege nr. 84 privind mărcile și indicațiile geografice (wet nr. 84 inzake merken en geografische aanduidingen) van 15 april 1998 (Monitorul Oficial al României, nr. 337 van 8 mei 2014; hierna: „Roemeense merkenwet”). Interveniënte baseerde deze vordering op het oudere Roemeense woordmerk KRAX en op drie oudere Roemeense beeldmerken met hetzelfde woordelement „krax” in verschillende stileringen. De vier oudere merken waren onder meer ingeschreven voor waren van klasse 30 en meer in het bijzonder voor „graanpreparaten”. Interveniënte betoogde dat er wegens de gelijkenissen tussen de oudere tekens en de waren waarop zij betrekking hebben, sprake was van verwarringsgevaar in de zin van laatstgenoemde bepaling, zodat zij het gebruik van haar onderscheidend teken in het litigieuze model kon laten verbieden. Aangezien de oudere nationale merken bekend zijn in Roemenië, zou het op soortgelijke wijze reproduceren ervan in het litigieuze model bovendien de houder van dit model in staat stellen te profiteren van deze bekendheid en de commerciële inspanning, waardoor het gebruik van dat model afbreuk zou doen aan het onderscheidend vermogen van die merken in de zin van de betrokken bepaling.

7 Op verzoek van verzoekster heeft de nietigheidsafdeling bij besluit van 11 december 2019 de procedure geschorst in afwachting van een definitieve beslissing van de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië), waarbij ook het oudere, onder nummer 142285 ingeschreven Roemeense beeldmerk (hierna: „ouder merk”) werd betwist.

8 Bij beslissing van 13 maart 2023 heeft de nietigheidsafdeling, na de procedure te hebben hervat na de definitieve verwerping van het beroep voor de nationale rechter, de vordering tot nietigverklaring toegewezen, waarbij haar onderzoek is begonnen op basis van het oudere merk, dat op 12 september 2014 is aangevraagd, op 5 mei 2016 op naam van interveniënte is geregistreerd en wordt weergegeven in de volgende afbeelding:

9 Meer in het bijzonder stelde de nietigheidsafdeling om te beginnen vast dat het oudere merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen heeft en dat de geldigheid ervan was bevestigd door de Roemeense rechters. Vervolgens heeft zij in essentie geoordeeld dat de door dit merk aangeduide waren en die waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, identiek zijn, dat dit merk en dit model visueel in gemiddelde mate overeenstemmen en fonetisch identiek zijn, en dat de gelijkenissen tussen de twee tekens derhalve volstaan om te concluderen dat er sprake is van verwarringsgevaar. Tegen deze achtergrond heeft de nietigheidsafdeling – aangezien interveniënte het recht had om, krachtens artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, het gebruik van het in dat model gebruikte teken te verbieden – dit model nietig verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie daarvan. Aangezien de vordering was toegewezen op basis van het intrinsieke onderscheidend vermogen van het betrokken merk, kwam de nietigheidsafdeling tot de slotsom dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over het gesteld grotere onderscheidend vermogen waarop interveniënte zich beriep, noch over haar stelling dat het gebruik van het teken in het betrokken model moest worden verboden wegens de vermeende bekendheid van een dergelijk merk. Zij was tevens van oordeel dat de andere door interveniënte aangevoerde oudere rechten niet meer hoefden te worden onderzocht.

10 Op 14 mei 2023 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

11 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen. Zij heeft in wezen geoordeeld dat het beroep enkel op basis van het oudere merk diende te worden onderzocht en is tot de slotsom gekomen dat de nietigheidsafdeling het litigieuze model terecht nietig had verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie daarvan, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, aangezien er sprake was van verwarringsgevaar. In dit verband heeft zij geoordeeld dat de waren waarop dat merk betrekking heeft en die waarop het litigieuze model bestemd is om te worden toegepast, overeenstemmen, dat deze tekens visueel in gemiddelde mate overeenstemmen en fonetisch identiek zijn, en dat de woordelementen van deze tekens geen betekenis hebben voor het Roemeense publiek, hetgeen een begripsmatige vergelijking onmogelijk maakt. Wat voorts het verzoek om bewijs van het gebruik van dat merk betreft, heeft zij geoordeeld dat verzoeksters argumenten niet hoefden te worden onderzocht, aangezien het betrokken merk en voornoemd model ten tijde van de instelling van de vordering tot nietigverklaring minder dan vijf jaar waren ingeschreven. Daarnaast heeft zij geoordeeld dat de door verzoekster aangevoerde rechtsverwerking wegens gedogen naar Roemeens recht evenmin hoefde te worden onderzocht.

Conclusies van partijen

12 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:

  • de bestreden beslissing te vernietigen;

  • het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

13 Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

  • het beroep te verwerpen;

  • verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

14 Interveniënte verzoekt het Gerecht:

  • het beroep te verwerpen;

  • verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

15 Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster in essentie drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, het tweede aan schending van de artikelen 94 en 95 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) en artikel 40, lid 1, van de Roemeense merkenwet zoals gewijzigd (Monitorul Oficial al României, nr. 856 van 18 september 2020; hierna: „nieuwe Roemeense merkenwet”), en het derde aan schending van haar rechten van verdediging.

16 Het Gerecht is van oordeel dat eerst het derde middel moet worden onderzocht, vervolgens het tweede middel en ten slotte het eerste middel.

Derde middel: schending van de rechten van de verdediging

17 Verzoekster verwijt de kamer van beroep in essentie dat zij haar rechten van verdediging en meer in het bijzonder haar recht om te worden gehoord heeft geschonden, door herhaaldelijk voorbij te gaan aan haar opmerkingen over het feit dat interveniënte niet de houder van het oudere Roemeense beeldmerk met nummer 071100 is. Volgens haar heeft interveniënte geen bewijs geleverd van het bestaan van dit merk, van de naam van de merkhouder of van de vernieuwing van dat merk. Zij leidt hieruit af dat de kamer van beroep het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond dat de daadwerkelijke houder van het oudere recht niet naar behoren was geïdentificeerd.

18 Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

19 Volgens artikel 62 van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, kunnen de beslissingen van het EUIPO slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren. Deze bepaling bevestigt in het kader van het modellenrecht van de Europese Unie het algemene beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging. Dit algemene beginsel van Unierecht vereist dat de adressaten van overheidsbeslissingen die daardoor aanmerkelijk in hun belangen worden getroffen, in staat worden gesteld om hun standpunt naar behoren kenbaar te maken. Het recht om te worden gehoord strekt zich aldus uit tot alle feitelijke en juridische gegevens waarop de beslissing is gebaseerd, maar niet tot de eindbeslissing die het bestuursorgaan voornemens is te nemen [arrest van 9 februari 2017, Mast-Jägermeister/EUIPO (Bekers), T‑16/16, EU:T:2017:68, punt 57 ], noch tot elk algemeen bekend feit waarop het zich heeft gebaseerd om tot deze beslissing te komen [zie arrest van 29 april 2020, Bergslagernas Järnvaru/EUIPO – Scheppach Fabrikation von Holzbearbeitungsmaschinen (Werktuig voor het splijten van hout), T‑73/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:157, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

20 Het beroep bij het Gerecht strekt er echter toe de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het EUIPO te toetsen in de zin van artikel 61 van verordening nr. 6/2002 [arrest van 20 oktober 2021, JMS Sports/EUIPO – Inter-Vion (Spiraalvormige haarelastiekjes), T‑823/19, EU:T:2021:718, punt 11 ], en artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat de memories van de partijen die in het kader van de procedure voor het Gerecht worden neergelegd het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep niet kunnen wijzigen.

21 In casu blijkt uit het dossier van het EUIPO en de aanvankelijk op 21 januari 2019 ingediende vordering tot nietigverklaring dat Roemeens beeldmerk nr. 071100 niet werd aangevoerd ter ondersteuning van deze vordering en dus geen deel uitmaakte van het voorwerp van het beroep. Bijgevolg vormen de beweringen van verzoekster over het betrokken merk een wijziging van het voorwerp van het geschil in de zin van artikel 61 van verordening nr. 6/2002 juncto artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering, aangezien dit merk niet was aangevoerd ter ondersteuning van de vordering.

22 In deze omstandigheden kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat de kamer van beroep inbreuk heeft gemaakt op haar rechten van verdediging door haar opmerkingen over het feit dat interveniënte niet de houder van Roemeens beeldmerk nr. 071100 is, niet in aanmerking te nemen.

23 Derhalve moet het derde middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel: schending van de artikelen 94 en 95 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet

24 Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij de artikelen 94 en 95 van verordening 2017/1001 en artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet heeft geschonden. Ten eerste heeft de kamer van beroep volgens haar blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door interveniënte niet te gelasten bewijs te leveren van het gebruik van het oudere merk dat niet binnen de respijttermijn van vijf jaar viel. Ten tweede betoogt zij in wezen dat de kamer van beroep het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling had moeten onderzoeken in het licht van de nieuwe Roemeense merkenwet en dus op grond van artikel 40, lid 1, van deze wet had moeten verzoeken om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk in het kader van een nietigheidsprocedure op grond van artikel 39 daarvan, dat dezelfde bewoordingen heeft als artikel 36 van de Roemeense merkenwet die van kracht was ten tijde van de instelling van de vordering tot nietigverklaring.

25 Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

26 Artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, vereist met name dat het Unierecht of het recht van de lidstaat dat van toepassing is op het oudere teken dat wordt aangevoerd ter ondersteuning van een op die bepaling gebaseerde vordering tot nietigverklaring, „de houder van het recht op het teken toe[staat] [het] gebruik te verbieden” van zijn teken in een later model [arrest van 12 mei 2010, Beifa Group/BHIM – Schwan-Stabilo Schwanhäußer (Schrijfinstrument), T‑148/08, EU:T:2010:190, punt 63 ].

27 In casu omvatten de oudere tekens die ter ondersteuning van een vordering tot nietigverklaring worden ingeroepen, met name het oudere merk, een Roemeens beeldmerk, waarop de bepalingen van de Roemeense merkenwet van toepassing zijn. Artikel 36, lid 2, van die wet verleent de houder van een merk het recht om het gebruik te verbieden van elk teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het betrokken merk en wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan.

28 Het klopt dat artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet, waarop verzoekster zich in haar schriftelijke opmerkingen beroept, bepaalt dat de houder van een ouder merk op verzoek van de verwerende partij moet bewijzen dat het merk in de vijf jaar voorafgaand aan de datum van de betrokken vordering normaal is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en waarop aanspraak wordt gemaakt, of dat er geldige redenen zijn voor het niet-gebruik, voor zover het oudere merk op die datum sinds ten minste vijf jaar ingeschreven was, en dat de vordering bij gebreke van dergelijk bewijs wordt afgewezen.

29 Artikel 40, lid 1, van de nieuwe Roemeense merkenwet, dat voortvloeit uit de nationale hervorming van het merkenrecht ter omzetting van artikel 17 van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1), in casu niet van toepassing is, aangezien het niet van kracht was op het moment dat de aanvraag tot inschrijving of voorrang van het litigieuze model werd ingediend. Gelet op de datum waarop de betrokken merkaanvraag is ingediend, namelijk 28 oktober 2016, die beslissend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, zijn op de feiten van de onderhavige zaak immers de materiële bepalingen van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, van toepassing, alsmede de Roemeense merkenwet in de op die datum geldende versie (zie naar analogie beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40 , en arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Wat voorts de gestelde schending van de artikelen 94 en 95 van verordening 2017/1001 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens dit artikel 94 de beslissingen van het EUIPO enkel kunnen worden genomen op gronden of bewijsstukken waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren, en dat dit artikel 95 in lid 2 bepaalt dat het EUIPO geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.

31 Voorts is in de rechtspraak bepaald dat, bij gebreke van een specifieke bepaling in verordening nr. 6/2002 met betrekking tot de wijze waarop een verzoek om bewijs van het normale gebruik van een ouder teken moet worden ingediend door de houder van een gemeenschapsmodel waartegen een vordering tot nietigverklaring op basis van dat teken is ingesteld, dient te worden geoordeeld dat een dergelijk verzoek uitdrukkelijk en tijdig voor het EUIPO moet worden geformuleerd. In beginsel moet het verzoek worden ingediend binnen de termijn die de nietigheidsafdeling aan de houder van het middels een vordering tot nietigverklaring aangevochten gemeenschapsmodel heeft gesteld voor het indienen van zijn opmerkingen over die vordering. De met betrekking tot artikel 47, leden 2 en 3, van verordening 2017/1001 ontwikkelde rechtspraak is immers naar analogie ook van toepassing op verzoeken om bewijs van normaal gebruik in het kader van nietigheidsprocedures op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, aangezien ook in deze context niet kan worden aanvaard dat de kamer van beroep uitspraak dient te doen op een andere zaak dan die welke is voorgelegd aan de nietigheidsafdeling, te weten een zaak waarvan de omvang is verruimd door de toevoeging van de prealabele kwestie van het normale gebruik van het oudere teken dat ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring is aangevoerd (zie in die zin arrest van 12 mei 2010, Schrijfinstrument, T‑148/08, EU:T:2010:190, punten 67‑72 ).

32 Zoals het EUIPO en interveniënte terecht aanvoeren, heeft verzoekster in casu echter niet tijdig een verzoek om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk ingediend bij de nietigheidsafdeling en dit pas voor het eerst vermeld in de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep van 13 juli 2023. Het bij de kamer van beroep ingediende verzoek om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk was dus niet-ontvankelijk.

33 Niettemin moet worden opgemerkt dat de kamer van beroep het bij haar ingediende verzoek om bewijs van het gebruik van het oudere merk niet niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar in punt 52 van de bestreden beslissing enkel heeft verklaard dat de termijn van vijf jaar vanaf de datum van indiening van de vordering tot nietigverklaring, te weten 21 januari 2019, niet was verstreken. Aldus heeft de kamer van beroep, door een standpunt in te nemen over het verstrijken van de respijttermijn, zich ten gronde uitgesproken over nieuwe argumenten van verzoekster teneinde deze af te wijzen. Gesteld al dat zij hierbij een fout heeft begaan, kan een dergelijke fout niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, aangezien deze in die omstandigheden geen invloed heeft op het dispositief van die beslissing.

34 Gezien de niet-ontvankelijkheid van het bij de kamer van beroep ingediende verzoek om bewijs van het normale gebruik van het oudere merk, moet het tweede middel worden afgewezen.

Eerste middel: schending van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan

35 Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, heeft geschonden, door ten onrechte te concluderen dat er sprake was van verwarringsgevaar.

36 Verzoekster verwijt de kamer van beroep in essentie, ten eerste, een beoordelingsfout te hebben gemaakt met betrekking tot het bepalen van de betrokken waren, ten tweede, het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling te hebben onderzocht op basis van de perceptie van de gemiddelde consument in plaats van die van een geïnformeerde gebruiker, ten derde, ten onrechte tot de slotsom te zijn gekomen dat de betrokken tekens visueel in gemiddelde mate overeenstemmen en fonetisch identiek zijn en, ten vierde, ten onrechte te hebben geconcludeerd dat het oudere merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen heeft, met name gelet op het feit dat het woordelement „krax” in dat merk een betekenis heeft voor het relevante publiek en dit merk meer dan tien jaar naast het Uniemerk CRAXX heeft bestaan.

37 Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

38 Volgens artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, kan een model nietig worden verklaard indien in een later ingeschreven model gebruik wordt gemaakt van een onderscheidend teken en het Unierecht of het recht van de lidstaat dat op dat teken van toepassing is, de houder van het recht op het teken toestaat dat gebruik te verbieden.

39 Volgens de rechtspraak kan een vordering tot nietigverklaring van een gemeenschapsmodel op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, enkel slagen indien wordt vastgesteld dat het onderscheidende teken dat ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring wordt aangevoerd, in de ogen van het relevante publiek wordt gebruikt in het gemeenschapsmodel waartegen die vordering is ingesteld. Het onderzoek van deze nietigheidsgrond moet worden gebaseerd op de wijze waarop het relevante publiek het ter ondersteuning van deze nietigheidsgrond aangevoerde onderscheidende teken opvat, alsmede op de totaalindruk die dit teken bij dat publiek oproept [zie arrest van 24 september 2019, Piaggio & C./EUIPO – Zhejiang Zhongneng Industry Group (Bromfietsen), T‑219/18, EU:T:2019:681, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40 De nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder e), van deze verordening, in de eerdere versie ervan, vereist niet noodzakelijkerwijs dat een ouder onderscheidend teken op volledige en gedetailleerde wijze is gereproduceerd in een later gemeenschapsmodel. Zelfs wanneer bepaalde elementen van het betrokken teken ontbreken in het litigieuze gemeenschapsmodel of daar andere elementen aan zijn toegevoegd, kan het immers gaan om „gebruik” van dit teken, in het bijzonder wanneer de weggelaten of toegevoegde elementen van ondergeschikt belang zijn [zie arrest van 7 februari 2018, Şölen Çikolata Gıda Sanayi ve Ticaret/EUIPO – Zaharieva (Verpakking voor roomijshoorntjes), T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 Dit geldt des te meer omdat, zoals blijkt uit vaste rechtspraak, het publiek slechts een onvolkomen beeld van in de lidstaten ingeschreven merken of Uniemerken bijblijft. Deze overweging geldt voor elk type onderscheidend teken. Bij weglating van bepaalde bijkomstige elementen van een onderscheidend teken dat wordt gebruikt in een later gemeenschapsmodel, of bij toevoeging van dergelijke elementen aan dit teken, zal het relevante publiek dus niet noodzakelijkerwijs beseffen dat het betrokken teken aldus is gewijzigd. Integendeel, dit publiek kan denken dat in het latere gemeenschapsmodel gebruik is gemaakt van het teken zoals dat hem is bijgebleven (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Hieruit volgt dat artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002, in de eerdere versie ervan, niet alleen van toepassing is wanneer gebruik is gemaakt van hetzelfde teken als dat waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd, maar ook wanneer gebruik is gemaakt van een overeenstemmend teken (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Overeenkomstig artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet, kan een merkhouder in wezen de bevoegde rechterlijke instelling verzoeken om derden te verbieden om zonder zijn toestemming in het economisch verkeer gebruik te maken van een teken ten aanzien waarvan, omdat het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk dan wel wordt toegepast op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk.

44 Zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt in punt 27 van de bestreden beslissing, vormt artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet de omzetting in Roemeens recht van artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2015/2436, waarvan de bewoordingen identiek zijn aan die van artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25). Dientengevolge moet het begrip „verwarringsgevaar” in de zin van artikel 36, lid 2, onder b), van die wet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak over artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 en artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2015/2436 (zie in die zin arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punten 25 en 26 ).

45 Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van „verwarringsgevaar” in de zin van artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2015/2436, wanneer bij het publiek de indruk kan worden gewekt dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen. Of bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, moet globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (zie in die zin arresten van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, EU:C:1997:528, punten 22 en 23 , en  6 oktober 2005, Medion, C‑120/04, EU:C:2005:594, punten 23‑29 ).

46 In het licht van deze overwegingen dient te worden onderzocht of de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling waarbij de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model is toegewezen op grond van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, terecht heeft bevestigd, na krachtens artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet te hebben vastgesteld dat er gevaar voor verwarring bestond bij het relevante publiek.

47 Vooraf zij opgemerkt dat, overeenkomstig de in de punten 44 en 45 hierboven aangehaalde rechtspraak, de onderhavige procedure betrekking heeft op de omvang van de bescherming van een merk en meer in het bijzonder op de vraag of de houder van het betrokken oudere merk het gebruik van zijn onderscheidend teken in het litigieuze model kan laten verbieden. Anders dan verzoekster betoogt, dient het onderhavige middel dus niet te worden onderzocht in het licht van de indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker noch in het licht van het eigen en nieuwe karakter van het litigieuze model in de zin van de artikelen 4 tot en met 6 van verordening nr. 6/2002.

Bepaling van de betrokken waren en vergelijking daarvan

48 Verzoekster betwist in essentie de beoordeling van de kamer van beroep dat de betrokken waren met elkaar overeenstemmen. Meer in het bijzonder is zij van mening dat niets erop wees dat het litigieuze model zou worden gebruikt voor snackstaafjes.

49 Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

50 Bij het bepalen van de waren waarin het betwiste model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast, moet rekening worden gehouden met de desbetreffende opgave in de aanvraag voor inschrijving van dit model, maar in voorkomend geval ook met het model zelf, voor zover daaruit de aard van de waren, hun bestemming of hun functie blijkt [arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van een cirkelvormige reclamedrager), T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 56 ].

51 Voorts moet bij de beoordeling van de overeenstemming tussen de betrokken waren rekening worden gehouden met alle relevante factoren die de verhouding tussen deze waren kenmerken. Tot deze factoren behoren met name de aard, de bestemming en het gebruik van die waren, alsmede hun concurrerende dan wel complementaire karakter (arrest van 29 september 1998, Canon, C‑39/97, EU:C:1998:442, punt 23 ).

52 Wat meer in het bijzonder de complementariteit van de waren en diensten betreft, welk criterium op zichzelf voldoende kan zijn om vast te stellen dat waren en diensten met elkaar overeenstemmen, dient in herinnering te worden gebracht dat waren of diensten complementair zijn wanneer zij dermate onderling verbonden zijn dat de ene onontbeerlijk of belangrijk is voor het gebruik van de andere, zodat de consument kan denken dat de verantwoordelijkheid voor de vervaardiging van deze waren of het verrichten van deze diensten bij een en dezelfde onderneming ligt. Bij de beoordeling van het complementaire karakter van waren en diensten moet dus uiteindelijk rekening worden gehouden met de wijze waarop het relevante publiek het belang van een waar of dienst voor het gebruik van een andere waar of dienst waarneemt (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In dit verband moet de complementariteit van waren en diensten in de context van verwarringsgevaar niet worden beoordeeld op basis van de vraag of het relevante publiek de betrokken waren en diensten met elkaar in verband brengt wat hun aard, gebruik en distributiekanalen betreft. Aan de hand van een criterium op basis van het verband tussen het gebruik van die waren en diensten kan namelijk niet volledig worden beoordeeld of zij onontbeerlijk of belangrijk voor elkaar zijn, hetgeen een analyse van de complementariteit tussen deze waren en diensten vereist. Het feit dat het gebruik van een waar of dienst geen verband houdt met het gebruik van een andere waar of dienst, brengt immers niet in alle gevallen met zich mee dat het gebruik van de ene niet belangrijk of onontbeerlijk is voor het gebruik van de andere (zie arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 In casu heeft de kamer van beroep in punt 35 van de bestreden beslissing geoordeeld dat de betrokken waren complementair en dus soortgelijk waren. Dienaangaande heeft zij terecht opgemerkt dat uit de aanduiding van de waar waarop het litigieuze model betrekking heeft en uit de afbeelding ervan blijkt dat dit model bestemd is om te worden toegepast op verpakkingen van snackstaafjes. Deze waren behoren tot de algemene categorie van gewone levensmiddelen, zoals snacks of verwante waren, die identiek zijn aan „graanpreparaten” van klasse 30, waarop het oudere merk betrekking heeft.

55 Hieruit volgt dat het litigieuze model dat bestemd is om te worden aangebracht op een verpakking, op zijn minst belangrijk is voor het gebruik van de door het oudere merk aangeduide waren, zodat er, in de zin van de in punt 52 hierboven aangehaalde rechtspraak, sprake is van een nauw verband daartussen, die hun complementariteit en dus hun overeenstemming kenmerkt.

Relevant grondgebied, relevant publiek en aandachtsniveau van dit publiek

56 In het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar moet worden uitgegaan van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de betrokken warencategorie. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang de soort waren of diensten waarom het gaat [zie arrest van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM – Altana Pharma (RESPICUR), T‑256/04, EU:T:2007:46, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

57 In de eerste plaats heeft de kamer van beroep – overeenkomstig de rechtspraak op grond waarvan, wanneer het oudere merk een nationaal merk is, het relevante grondgebied het grondgebied is waarop dit merk wordt beschermd [zie in die zin arresten van 3 september 2010, Companhia Muller de Bebidas/BHIM – Missiato Industria e Comercio (61 A NOSSA ALEGRIA), T‑472/08, EU:T:2010:347, punt 34 , en  2 maart 2022, Laboratorios Ern/EUIPO – Beta Sports (META), T‑192/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:105, punt 28 ] – in punt 36 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het relevante grondgebied Roemenië was, aangezien dat de lidstaat is waarin het merk is ingeschreven en wordt beschermd.

58 In de tweede plaats heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, aangezien de door het oudere merk aangeduide waren en de waren waarop het litigieuze model betrekking heeft met name voor het grote publiek bestemde snacks betreffen (zie punt 54 hierboven), het relevante publiek bestond uit consumenten met een gemiddeld aandachtsniveau bij de aankoop van dit type waren.

59 Deze conclusies geven geen blijk van enige fout en moeten worden bevestigd.

Vergelijking van de tekens

60 Volgens de rechtspraak stemmen twee tekens overeen wanneer zij in de ogen van het relevante publiek voor ten minste een deel gelijk zijn wat een of meer relevante aspecten betreft, te weten het visuele, fonetische en begripsmatige aspect [zie in die zin arresten van 23 oktober 2002, Matratzen Concord/BHIM – Hukla Germany (MATRATZEN), T‑6/01, EU:T:2002:261, punt 30 , en  10 december 2008, MIP Metro/BHIM – Metronia (METRONIA), T‑290/07, niet gepubliceerd, EU:T:2008:562, punt 41 ].

61 De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken tekens betreft, te berusten op de totaalindruk die deze tekens oproepen, waarbij met name hun onderscheidende en dominerende bestanddelen in aanmerking moeten worden genomen. De indruk die de tekens bij de gemiddelde consument van de betrokken waren opwekken, speelt een beslissende rol in de globale beoordeling van dit gevaar. De gemiddelde consument neemt een merk of ander onderscheidend teken gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan (arresten van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23 , en  22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 25 ).

62 Bij de beoordeling of twee tekens overeenstemmen mag niet slechts één element van een samengesteld teken in beschouwing worden genomen en met een ander teken worden vergeleken. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken tekens juist elk in hun geheel worden onderzocht, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die een samengesteld teken bij het relevante publiek nalaat, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere elementen ervan kan worden gedomineerd (zie in die zin arresten van 6 oktober 2005, Medion, C‑120/04, EU:C:2005:594, punt 29 , en  22 oktober 2015, BGW, C‑20/14, EU:C:2015:714, punt 36 ). Alleen wanneer alle andere elementen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming worden beoordeeld op basis van enkel het dominerende element (arrest van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 42 ). Dat kan met name het geval zijn wanneer dat element op zichzelf het beeld van dit merk dat bij het relevante publiek in herinnering blijft, kan domineren, zodat alle andere elementen van het merk verwaarloosbaar zijn voor de door het merk opgeroepen totaalindruk (arrest van 20 september 2007, Nestlé/BHIM, C‑193/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:539, punt 43 ).

63 In casu dienen, alvorens de overeenstemming van de betrokken tekens te beoordelen, de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan te worden onderzocht.

Onderscheidende en dominerende bestanddelen van de betrokken tekens

64 Zoals de kamer van beroep in herinnering heeft gebracht in punt 39 van de bestreden beslissing, bestaat het oudere merk uit de term „krax”, geschreven in gestileerde hoofdletters, in dalende volgorde van de hoofdletter „K” tot de hoofdletter „X”, op een onregelmatige donkere achtergrond.

65 Het litigieuze model is in punt 40 van de bestreden beslissing door de kamer van beroep beschreven als bestaande uit een rechthoekige blauwe achtergrond en een bundel snackstaafjes met aan de linkerkant een driehoekig stuk kaas. De woordelementen „eti”, „crax” en „sticks” zijn onder elkaar boven de beeldelementen geplaatst. De woordelementen „crax” en „sticks” worden weergegeven in witte hoofdletters met een blauwe rand, terwijl het woordelement „eti” in het rood is geschreven met een witte en zwarte rand en in de linkerbovenhoek een niet gespecificeerd zwart beeldelement omvat. Volgens de kamer van beroep is het woordelement „crax” duidelijk te onderscheiden vanwege de grotere omvang, centrale positie en bijzondere stilering ervan ten opzichte van de andere woordelementen.

66 Verzoekster komt in wezen op tegen het oordeel van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” van het litigieuze model op zich het beeld van dit model kan domineren. Volgens haar zijn alle andere bestanddelen van dit model niet onbelangrijk voor de door het model opgeroepen totaalindruk, aangezien de overeenstemming van de tekens afhangt van het onderscheidend vermogen van de bestanddelen ervan en van andere eventuele relevante factoren. Voorts voert zij aan dat het woordelement „eti” het meest domineert in de totaalindruk die door het betrokken model wordt opgewekt, zodat dit woordelement het meest de aandacht van het relevante publiek zal trekken. Zij betoogt daarom dat de woordelementen „crax” en „sticks” secundair zijn en geen onderscheidend vermogen hebben met betrekking tot de betrokken waren.

67 Voorts betwist verzoekster de bevindingen van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” geen betekenis heeft voor het relevante publiek en dus onderscheidend vermogen heeft. Volgens haar zal dit publiek dat woordelement opvatten als, ten eerste, een verwijzing naar waren van klasse 30 die in Roemenië in de handel worden gebracht onder de naam „craxuri” en, ten tweede, als beschrijvend, aangezien het verwijst naar het geluid dat wordt geproduceerd bij het eten van krokante of knapperige voedingsmiddelen, zoals snackstaafjes.

68 Het EUIPO en interveniënte betwisten de argumenten van verzoekster.

69 Volgens de rechtspraak moet bij de beoordeling of een of meer bestanddelen van een samengesteld teken dominant zijn, met name rekening worden gehouden met de intrinsieke eigenschappen van die bestanddelen, door deze te vergelijken met die van de andere bestanddelen. Bovendien kan eventueel worden bezien hoe de verschillende elementen in de configuratie van het samengestelde teken zich tot elkaar verhouden (zie in die zin arrest van 23 oktober 2002, MATRATZEN, T‑6/01, EU:T:2002:261, punt 35 ).

70 Voorts moet, om het onderscheidend vermogen van een element van een teken te beoordelen, worden nagegaan in hoeverre dit element geschikt is om de waren of diensten waarvoor het teken is ingeschreven, te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en dus om deze diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Bij deze beoordeling dient met name rekening te worden gehouden met de intrinsieke eigenschappen van het betrokken element, voor het beantwoorden van de vraag of het al dan niet beschrijvend is voor de waren en diensten waarvoor het teken is ingeschreven [zie arrest van 8 juli 2015, Deutsche Rockwool Mineralwoll/BHIM – Ceramicas del Foix (Rock & Rock), T‑436/12, EU:T:2015:477, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

71 Wanneer bepaalde elementen van een merk de door het merk aangeduide waren en diensten of de in de inschrijvingsaanvraag opgegeven waren en diensten beschrijven, hebben deze elementen slechts een zwak of zelfs zeer zwak onderscheidend vermogen. Zij zullen meestal slechts kunnen worden geacht beschrijvend te zijn wegens de combinatie die zij vormen met de overige elementen van het merk. Door hun zwak of zelfs zeer zwak onderscheidend vermogen worden de beschrijvende elementen van een merk over het algemeen niet door het publiek opgevat als dominerende elementen in de totaalindruk die dat merk oproept, behoudens wanneer zij met name vanwege de positie of de afmetingen ervan bij het relevante publiek in het oog kunnen springen en in het geheugen van dit publiek kunnen blijven hangen. Dat betekent echter niet dat de beschrijvende elementen van een merk noodzakelijkerwijs onbelangrijk zijn voor de totaalindruk die het merk oproept. In dit verband dient in het bijzonder te worden onderzocht of andere elementen van het merk op zichzelf de door dit merk opgeroepen indruk die in het geheugen van het relevante publiek blijft hangen, kunnen domineren [zie arrest van 18 januari 2023, YAplus DBA Yoga Alliance/EUIPO – Vidyanand (YOGA ALLIANCE INDIA INTERNATIONAL), T‑443/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:7, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

72 In casu dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat, ten eerste, de kamer van beroep in punt 39 van de bestreden beslissing terecht tot de slotsom is gekomen dat verzoekster geen bewijs had geleverd van een eventuele betekenis van het woordelement „crax” van het litigieuze model of het woordelement „krax” van het oudere merk, noch van enige associatie tussen een eventuele betekenis van deze termen en de betrokken waren. Bovendien heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld, in essentie, dat verzoekster zich niet kon beroepen op het naast elkaar bestaan van andere overeenstemmende nationale merken, bij gebreke van bewijs van het gebruik van dergelijke merken op het relevante grondgebied.

73 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, volgens artikel 63 van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, in het kader van een procedure inzake een vordering tot nietigverklaring als bedoeld in artikel 25, lid 1, onder e), van die verordening in de eerdere versie ervan, het onderzoek van het EUIPO beperkt blijft tot de door de partijen aangevoerde middelen en ingediende vorderingen en dat het EUIPO geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd. Bovendien moet met betrekking tot verzoeksters betoog dat het woord „craxuri” weinig onderscheidend vermogen heeft omdat het vaak wordt gebruik voor de betrokken waren, worden benadrukt dat niet is aangetoond dat dit het geval is. Het enige bewijsstuk dat verzoekster ter ondersteuning van dit argument heeft overgelegd, bestaat uit een lijst van merken, voor waren van klassen 29 en 30, die het woord „craxx” bevatten. Uit de loutere opsomming van een relatief beperkt aantal merken zonder enige aanwijzing over de bekendheid van deze merken bij het referentiepubliek, kan niet worden geconcludeerd dat er bij dit publiek een associatie bestaat tussen het woord „craxuri” en de betrokken waren [zie in die zin arrest van 13 april 2011, Sociedad Agricola Requingua/BHIM – Consejo Regulador de la Denominación de Origen Toro (TORO DE PIEDRA), T‑358/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:174, punt 35 ]. Bijgevolg is er geen reden om het uit punt 41 van de bestreden beslissing voortvloeiende oordeel van de kamer van beroep dat het woordelement „crax” geen betekenis heeft voor het relevante publiek en dus onderscheidend vermogen heeft, in twijfel te trekken.

74 Ten tweede heeft de kamer van beroep in punt 41 van de bestreden beslissing terecht geoordeeld dat het woordelement „eti” onderscheidend vermogen heeft omdat het geen betekenis heeft voor het relevante publiek. Wegens de geringe omvang ervan, zal dit woordelement echter een ondergeschikte rol spelen in de totaalindruk die het litigieuze model opwekt. Bovendien zijn de andere elementen waaruit dit model bestaat, te weten het woordelement „sticks” en de beeldelementen die snacks en kaas weergeven, beschrijvend voor de waren waarop het model betrekking heeft, aangezien zij verwijzen naar snackstaafjes met kaassmaak, en dus geen onderscheidend vermogen hebben.

75 Ten derde dient te worden opgemerkt dat de rechthoekige blauwe achtergrond decoratief van aard is en slechts een ondergeschikte rol speelt in de totaalindruk die het litigieuze model opwekt. Hetzelfde geldt voor het kleine niet gespecificeerde zwarte beeldelement, dat wegens de zeer kleine omvang ervan slechts een beperkte of zelfs geen invloed zal hebben op de door dit model gewekte totaalindruk.

76 In de tweede plaats zijn volgens de rechtspraak, wanneer een teken uit woord- én beeldelementen bestaat, de woordelementen in beginsel onderscheidender dan de beeldelementen, aangezien de gemiddelde consument gemakkelijker naar de betrokken waren zal verwijzen door de naam van het teken te noemen dan door het beeldelement ervan te beschrijven (arrest van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 49 ).

77 Dienaangaande moet, in navolging van de kamer van beroep in de punten 25 en 43 van de bestreden beslissing, worden opgemerkt dat het woordelement „krax” het enige woordelement van het oudere merk is en binnen het litigieuze model het woordelement „crax” het meest in het oog springt. Deze elementen, die op soortgelijke wijze zijn gestileerd, met name met hun witte hoofdletters, worden namelijk weergegeven in oplopende of aflopende grootte. Tegen deze achtergrond en aangezien alle andere elementen van het litigieuze model een secundaire rol spelen in de totaalindruk of beschrijvend zijn, is de kamer van beroep terecht tot de slotsom gekomen dat het woordelement „krax” het meest onderscheidende element van het oudere merk is en dat het woordelement „crax” het dominante element binnen het litigieuze model is.

Vergelijking op visueel vlak

78 Verzoekster betoogt dat de betrokken tekens visueel niet overeenstemmen. Volgens haar moet het in het litigieuze model opgenomen woordelement „eti” worden geacht de volledige aandacht van het relevante publiek te trekken. Voorts is zij van mening dat alle andere woord- en beeldelementen van dit model direct leesbaar zijn en niet als louter decoratieve elementen zullen worden opgevat.

79 Zoals opgemerkt in punt 77 hierboven, zal het woordelement „crax” van het litigieuze model het meest de aandacht van het relevante publiek trekken en dus de meeste invloed hebben op de door dit model gewekte totaalindruk.

80 In casu moet worden opgemerkt dat, op visueel vlak, drie van de vier letters van de onderscheidende en dominerende woordelementen van de betrokken tekens overeenstemmen, te weten de opeenvolging van de letters „r”, „a” en „x”, elk weergegeven in hoofdletters met een vergelijkbaar driedimensionaal effect, licht hellend van links naar rechts, met in het oudere merk een afnemende lettergrootte en in het litigieuze model een toenemende lettergrootte. Verder verschillen deze tekens wat hun beginhoofdletter betreft, namelijk respectievelijk „K” en „C”, en met betrekking tot de toenemende respectievelijk afnemende lettergrootte.

81 Dienaangaande heeft de kamer van beroep in punt 44 van de bestreden beslissing terecht geoordeeld dat de in punt 80 hierboven genoemde verschillen tussen de betrokken tekens niet zwaarder kunnen wegen dan de overeenstemming als gevolg van de drie identieke en op soortgelijke wijze gestileerde letters. Zelfs al verschillen deze tekens ook door de aanwezigheid, in het litigieuze model, van het secundaire woordelement „eti”, de niet-onderscheidende term „sticks”, en qua achtergrond, kleur en het kleine zwarte beeldelement, die alle decoratief van aard zijn, alsook door de niet-onderscheidende weergave van snackstaafjes en kaas, dan nog hebben deze elementen geen equivalent in het oudere merk en kunnen zij niet opwegen tegen de overeenstemming van de dominerende elementen „krax” en „crax”, wegens hun gebrek aan onderscheidend vermogen, hun grootte en hun ondergeschikte positie.

82 Hieruit volgt dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout door te oordelen dat de betrokken tekens in gemiddelde mate visueel overeenstemmen.

Vergelijking op fonetisch vlak

83 Verzoekster betoogt dat er geen sprake is van enige fonetische overeenstemming tussen de betrokken tekens. Al zou de consument onder het mom van efficiëntie slechts een van de woordelementen van het litigieuze model uitspreken, zou dit volgens verzoekster het woordelement „eti” zijn, dat geen enkele overeenstemming vertoont met het woordelement „krax” van het oudere merk.

84 Zoals blijkt uit punt 74 hierboven hebben in casu de beeldelementen en het woordelement „sticks” waaruit het litigieuze model bestaat geen onderscheidend vermogen en zijn zij van ondergeschikt belang. Bovendien is het woordelement „eti”, hoewel het een onderscheidend element is omdat het geen betekenis heeft met betrekking tot de betrokken waren, van ondergeschikt belang vanwege de omvang en positie ervan. Voorts blijkt uit punt 81 hierboven dat de woordelementen „krax” van het oudere merk en „crax” in het litigieuze model dezelfde opvolging van de letters „r”, „a” en „x” bevatten, die, net als de letters „k” en „c”, op dezelfde wijze zullen worden uitgesproken.

85 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de consument, wanneer hij wordt geconfronteerd met een merk bestaande uit verschillende woordelementen waarvan sommige van ondergeschikt belang zijn, geneigd is om dit merk mondeling af te korten om het gemakkelijker te kunnen uitspreken [zie in die zin arrest van 30 november 2006, Camper/BHIM – JC (BROTHERS by CAMPER), T‑43/05, niet gepubliceerd, EU:T:2006:370, punt 75 ]. Hieruit volgt dat de andere woordelementen van het litigieuze model dan het woordelement „crax”, die alle van ondergeschikt belang zijn, minder waarschijnlijk de aandacht van de consument zullen trekken en dus minder snel zullen worden uitgesproken. Bovendien worden de beeldelementen niet uitgesproken, zodat de consument de waren waarop het model betrekking heeft eerder zal aanduiden door enkel het dominerende element van dat model uit te spreken, te weten het woordelement „crax”.

86 Bijgevolg heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een beoordelingsfout door in punt 45 van de bestreden beslissing te concluderen dat de betrokken tekens in hoge mate fonetisch overeenstemmen.

Vergelijking op begripsmatig vlak

87 Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep had moeten concluderen dat de betrokken tekens begripsmatig niet overeenstemmen. Meer in het bijzonder voert zij aan dat het woordelement „eti”, dat het meest dominante en onderscheidende element van het litigieuze model is, en het woordelement „krax” van het oudere merk beide zullen worden opgevat als verzonnen en verschillende woorden en dat van deze tekens het ene een woordteken en het andere een beeldteken is, zodat er begripsmatig geen enkele overeenstemming is tussen deze tekens.

88 Er zij aan herinnerd dat de begripsmatige vergelijking tot doel heeft om de in de betrokken tekens vervatte „begrippen” te vergelijken. De term „begrip” betekent, volgens de definitie die bijvoorbeeld het woordenboek Larousse daaraan geeft, een „algemene en abstracte opvatting die door de menselijke geest wordt ontwikkeld ten aanzien van een concreet of abstract denkbeeld en die hem in staat stelt de verschillende percepties die hij van dat denkbeeld heeft, daarmee in verband te brengen en de kennis ervan te structureren” [zie arrest van 16 juni 2021, Smiley Miley/EUIPO – Cyrus Trademarks (MILEY CYRUS), T‑368/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:372, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

89 Volgens de rechtspraak impliceert begripsmatige overeenstemming ook dat de betrokken tekens een overeenstemmende begripsinhoud hebben (zie in die zin arrest van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 24 ). Hieruit volgt dat wanneer het relevante publiek de betekenis van de woorden niet begrijpt of aan geen van de tekens een specifieke betekenis kan toekennen, er geen begripsmatige vergelijking mogelijk is [zie in die zin arresten van 7 februari 2018, Verpakking voor roomijshoorntjes, T‑794/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:70, punt 76 , en  6 april 2022, Agora Invest/EUIPO – Transportes Maquinaria y Obras (TRAMOSA), T‑219/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:219, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

90 In casu hebben de dominante elementen van de betrokken tekens geen betekenis voor het relevante publiek (zie punten 73 en 77 hierboven). Zij kunnen dus geen begrip overbrengen op het relevante publiek.

91 Wat de andere elementen van het litigieuze model betreft, volgt uit de punten 74 en 77 hierboven dat zij op een ondergeschikte positie staan, waardoor zij van beperkt belang zijn in het kader van de begripsmatige vergelijking van de betrokken tekens. Dit betekent echter niet dat deze elementen volledig verwaarloosbaar zijn. Zo moeten bij deze vergelijking het woordelement „sticks” en de decoratieve beeldelementen bestaande uit een bundel snackstaafjes en een stuk kaas van dit model in aanmerking worden genomen, aangezien zij een begrip van gewone levensmiddelen overbrengen en verwijzen naar snackstaafjes met kaassmaak.

92 Anders dan in punt 46 van de bestreden beslissing is geconcludeerd, moet gelet op het voorgaande worden vastgesteld dat de betrokken tekens begripsmatig van elkaar verschillen.

Onderscheidend vermogen van het oudere merk

93 Verzoekster betoogt dat het oudere merk in essentie een zwak onderscheidend vermogen heeft omdat het woordelement „krax” het geluid beschrijft dat wordt geproduceerd bij de consumptie van snacks op basis van granen, en wegens het naast elkaar bestaan van dit merk en de internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie van het merk CRAXX, dat op 7 december 2004 onder nummer 0854152A is ingeschreven voor dezelfde waren van klassen 29 en 30.

94 Ten eerste volgt uit de punten 73, 77 en 90 hierboven dat het woordelement „krax” van het oudere merk, net als het woordelement „crax” in het litigieuze model, geen betekenis heeft voor het relevante publiek en verzoekster niet heeft bewezen dat het woordelement „krax” een betekenis heeft voor dit publiek. Wat verzoeksters stelling betreft dat dit laatste woordelement een onomatopee is, is er in casu niet duidelijk sprake van een onomatopee van het geluid dat wordt geproduceerd bij de consumptie van knapperige producten.

95 Ten tweede kan met verzoeksters argument betreffende het naast elkaar bestaan van het oudere merk en het merk CRAXX niet worden aangetoond dat in casu het oudere merk in wezen een zwak onderscheidend vermogen heeft. Het onderscheidend vermogen van het oudere merk, dat het ontleent aan de intrinsieke eigenschappen of de bekendheid ervan, betreft namelijk het vermogen van dit merk om aan te duiden dat de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven afkomstig zijn van een bepaalde onderneming en dus om deze waren of diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen [zie in die zin arresten van 13 september 2018, Birkenstock Sales/EUIPO, C‑26/17 P, EU:C:2018:714, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  21 december 2021, Dr. Spiller/EUIPO – Rausch (Alpenrausch Dr. Spiller), T‑6/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:920, punt 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dit laatste impliceert niet dat verschillende tekens met elkaar worden vergeleken, maar betreft slechts één teken, namelijk het oudere merk (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, China Construction Bank/EUIPO, C‑115/19 P, EU:C:2020:469, punt 58 ).

96 Bijgevolg heeft de kamer van beroep geen beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat het oudere merk in wezen een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft.

Globale beoordeling van het verwarringsgevaar

97 De globale beoordeling van het verwarringsgevaar veronderstelt een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, met name tussen de overeenstemming van de tekens en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming tussen de tekens, en omgekeerd (arresten van 29 september 1998, Canon, C‑39/97, EU:C:1998:442, punt 17 , en  22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 19 ).

98 Bovendien moet voor de globale beoordeling van het verwarringsgevaar rekening worden gehouden met het feit dat de gemiddelde consument, binnen het relevante publiek, slechts zelden de mogelijkheid heeft om verschillende merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, en bijgevolg moet aanhaken bij het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven (arrest van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 26 ). Voorts kan alleen worden vastgesteld dat er sprake is van verwarringsgevaar indien het relevante publiek kan worden misleid over de commerciële herkomst van de betrokken waren [zie in die zin arrest van 24 november 2021, Jeronimo Martins Polska/EUIPO – Rivella International (Riviva), T‑551/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:816, punt 86 ].

99 In casu heeft de kamer van beroep in punt 51 van de bestreden beslissing geconcludeerd dat er sprake is van verwarringsgevaar met betrekking tot de commerciële herkomst van de betrokken waren, gelet op het onvolmaakte beeld dat de consument zal bijblijven van de betrokken tekens.

100 Ten eerste heeft de kamer van beroep in dit verband terecht geoordeeld dat de betrokken waren soortgelijk zijn wegens hun complementariteit (zie punt 54 hierboven). Ten tweede bevatten de betrokken tekens de gemeenschappelijke en dominante woordelementen „krax” in het oudere merk en „crax” in het litigieuze model, die geen betekenis en derhalve wel onderscheidend vermogen hebben (zie punten 69‑77 hierboven). Ten derde verschillen die tekens op begripsmatig vlak (zie punten 88‑92 hierboven). Ten vierde heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld dat deze tekens in gemiddelde mate visueel overeenstemmen (zie punten 79‑82 hierboven). Bovendien stemmen de tekens in gemiddelde mate fonetisch overeen (zie punt 86 hierboven). Ten vijfde heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld dat het oudere merk een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft (zie punt 96 hierboven).

101 Hieruit volgt dat het relevante publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft, wanneer het met het litigieuze model wordt geconfronteerd, redelijkerwijs kan aannemen dat de betrokken waren en de vergelijkbare waren waarop het oudere merk betrekking heeft, dezelfde commerciële herkomst hebben.

102 Tegen deze achtergrond heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 51 van de bestreden beslissing tot de slotsom te komen dat er sprake is van verwarringgevaar over de commerciële herkomst van de waren in de zin van artikel 25, lid 1, onder e), van verordening nr. 6/2002 in de eerdere versie ervan, gelezen in samenhang met artikel 36, lid 2, onder b), van de Roemeense merkenwet.

103 Hieruit volgt dat het eerste middel ongegrond is en moet worden afgewezen, zodat ook het beroep in zijn geheel moet worden afgewezen.

Kosten

104 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

105 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van interveniënte worden verwezen in haar eigen kosten en in die van interveniënte. Daar het EUIPO daarentegen alleen heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen indien er een terechtzitting wordt gehouden, dient het EUIPO bij gebreke van een terechtzitting te worden verwezen in zijn eigen kosten.

HET GERECHT (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

  1. Het beroep wordt verworpen.

  2. Eti Gıda Sanayi ve Ticaret AŞ wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Star Foods E.M. SRL.

  3. Het bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) draagt zijn eigen kosten.

Škvařilová-Pelzl

Steinfatt

Kukovec

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 september 2025.

ondertekeningen