Home

Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 2 oktober 2025

Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 2 oktober 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
2 oktober 2025

Uitspraak

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)

2 oktober 2025 (*)

„ Hogere voorziening – Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Harmonisatie van de wetgevingen – Verordening (EU) 2024/1624 – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Artikel 263, vierde alinea, VWEU – Voorwaarde dat de verzoeker individueel wordt geraakt – Hogere voorziening kennelijk ongegrond ”

In zaak C‑306/25 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 28 april 2025,

Robin Messiaen,

Ferenc Ballegeer,

vertegenwoordigd door P. Verhaeghe, advocaat,

rekwiranten,

andere partijen in de procedure:

Europees Parlement,

Raad van de Europese Unie,

verweerders in eerste aanleg,

geeft


HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. Gavalec, kamerpresident, Z. Csehi en F. Schalin (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om te beslissen bij met redenen omklede beschikking overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

de navolgende

Beschikking

1        Met hun hogere voorziening vorderen rekwiranten, Robin Messiaen en Ferenc Ballegeer, vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 26 maart 2025, Messiaen en Ballegeer/Parlement en Raad (T‑451/24, EU:T:2025:345; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van hun beroep dat ertoe strekte om:

–        artikel 3, punt 3, onder a) en b), artikel 19, lid 6, onder b), artikel 20, leden 1 en 2, artikel 21, leden 2 en 3, artikel 24, lid 4, en artikel 70, leden 2 en 3, van verordening (EU) 2024/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering (PB L, 2024/1624, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”) nietig te doen verklaren, en – als gevolg daarvan –

–        de bij artikel 21, artikel 24 en artikel 69, leden 1 en 2, van de litigieuze verordening ingevoerde verplichtingen niet van toepassing te doen verklaren op advocaten.

 Voorgeschiedenis van het geding, beroep bij het Gerecht en bestreden beschikking

2        De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 2 tot en met 5 van de bestreden beschikking en kan als volgt worden samengevat.

3        Met hun beroep bij het Gerecht verzochten rekwiranten, die de Belgische nationaliteit hebben en in België het beroep van advocaat gespecialiseerd in belastingrecht uitoefenen, in wezen om een aantal bepalingen van de litigieuze verordening nietig te verklaren en bepaalde bij deze verordening ingevoerde verplichtingen niet toe te passen op advocaten voor zover er aan advocaten in het kader van hun beroepsactiviteiten bepaalde verplichtingen worden opgelegd, met name onderzoeksvereisten en meldingsplichten, wanneer zij advies verlenen.

4        Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht, uitspraak doende op excepties van niet-ontvankelijkheid die respectievelijk door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie waren opgeworpen, dat beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat rekwiranten geen procesbevoegdheid hadden krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, aangezien zij niet individueel werden geraakt door de litigieuze verordening.

 Conclusies van rekwiranten

5        Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof:

–        de bestreden beschikking te vernietigen, en

–        hun oorspronkelijke beroep zoals dat bij het Gerecht was ingesteld, toe te wijzen.

 Hogere voorziening

6        Krachtens artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer een hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om deze hogere voorziening geheel of gedeeltelijk bij met redenen omklede beschikking af te wijzen.

7        Dit artikel dient te worden toegepast met betrekking tot de onderhavige hogere voorziening.

 Argumenten van rekwiranten

8        Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten in wezen twee middelen aan.

9        Ten eerste betogen zij dat het Gerecht de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat de verzoeker individueel wordt geraakt, onjuist heeft beoordeeld.

10      Krachtens artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie genieten advocaten buiten de context van een geschil namelijk het grondrecht op eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de gesprekken met hun cliënten. De bij de litigieuze verordening ingevoerde beperkingen van dit recht maken het evenwel mogelijk om advocaten te identificeren als een beperkte groep van personen op wie die beperkingen van toepassing zijn. Onder de juridische adviseurs vormen fiscaal advocaten zoals rekwiranten een bijzonder beperkte groep van wie de eerdere rechten bij die verordening zijn gewijzigd. Deze groep wordt namelijk het zwaarst getroffen omdat de activiteiten van deze advocaten bestaan in het verstrekken van advies op belastinggebied. Ten aanzien van hen is dus aan de genoemde voorwaarde voldaan. Bovendien had het Gerecht de grond van de zaak samen met die voorwaarde moeten beoordelen door afzonderlijk te onderzoeken hoe de in geding zijnde bepalingen van die verordening rekwiranten bij elk van deze activiteiten individueel konden raken.

11      Ten tweede is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat een groep personen die bij de vaststelling van een handeling identificeerbaar zijn, kan worden beschouwd als een beperkte groep die door deze handeling wordt geraakt, met name wanneer de eerdere rechten van die personen worden gewijzigd. Advocaten, in het bijzonder advocaten die advies op belastinggebied verstrekken, vormen een numeriek zeer beperkte en inhoudelijk afgebakende groep onder de marktdeelnemers die juridisch advies verstrekken in het kader van de in artikel 3 van de litigieuze verordening opgesomde activiteiten, zodat zij kunnen worden geïdentificeerd als een individueel geraakte groep personen van wie de eerdere rechten zijn gewijzigd.

 Beoordeling door het Hof

12      De twee middelen van rekwiranten, die samen moeten worden onderzocht, strekken ertoe aan te tonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij door de litigieuze verordening niet individueel werden geraakt. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, die in punt 26 van de bestreden beschikking in herinnering is gebracht, een natuurlijke of rechtspersoon slechts individueel wordt geraakt door een handeling die niet tot hem is gericht, indien deze handeling hem raakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C‑274/12 P, EU:C:2013:852, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht heeft de situatie van rekwiranten onderzocht en in punt 30 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de litigieuze verordening de leden van bepaalde beroepsgroepen op abstracte en onpersoonlijke wijze heeft gedefinieerd als „meldingsplichtige entiteiten”, waaronder de onafhankelijke juridische beroepen. In punt 33 van deze beschikking heeft het daaraan toegevoegd dat deze verordening met name van toepassing is op alle fiscaal advocaten die op het grondgebied van een lidstaat werkzaam zijn, met inbegrip van personen die met de uitoefening van dit beroep beginnen, zodat het om een open categorie gaat. Bovendien heeft het Gerecht in punt 34 van die beschikking benadrukt dat rekwiranten geen enkele omstandigheid hadden aangevoerd die hen onderscheidt van alle andere fiscaal advocaten op wie die verordening van toepassing is.

13      Rekwiranten betogen in het bijzonder dat fiscaal advocaten zoals zij, die hun werkzaamheden binnen de Europese Unie uitoefenen, een beperkte categorie vormen onder de burgers van de Unie die de in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten neergelegde rechten genieten, alsook binnen de categorie van advocaten die advies verstrekken aan hun cliënten. In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat, zoals het Gerecht in punt 31 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt, fiscaal advocaten in het algemeen, als ongedifferentieerde groep, onder de litigieuze verordening vallen „op grond van objectief bepaalde overwegingen die met het doel zelf van [deze] verordening verband houden”, aangezien er, zoals blijkt uit overweging 12 van die verordening, in het kader van hun activiteiten een risico bestaat dat hun diensten worden misbruikt om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen of terrorisme te financieren.

14      Uit het betoog van rekwiranten kan weliswaar worden afgeleid dat fiscaal advocaten een beperkte groep vormen binnen de groep van advocaten, die zelf deel uitmaakt van de ruimere groep van juridische beroepen die advies verstrekken, maar dit betoog toont niet aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwiranten niet individueel worden geraakt door de litigieuze verordening.

15      Bovendien, en ook al vormen fiscaal advocaten een beperkte categorie binnen de ruimere groep van advocaten, heeft het Gerecht in punt 34 van de bestreden beschikking hoe dan ook geoordeeld dat „[rekwiranten] geen enkele omstandigheid aanvoeren die hen onderscheidt van alle andere fiscaal advocaten [op wie] de [litigieuze] verordening [...] van toepassing is”.

16      Met betrekking tot het argument van rekwiranten dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat advocaten die advies op belastinggebied verstrekken een identificeerbare groep personen vormen van wie de eerdere rechten bij de litigieuze verordening zijn gewijzigd, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat deze verordening met name van toepassing is op alle fiscaal advocaten die op het grondgebied van een lidstaat van de Unie werkzaam zijn. Aangezien die verordening van toepassing is op een open categorie van marktdeelnemers met dezelfde rechten, kan niet worden geoordeeld dat zij alleen aan advocaten die advies op belastinggebied verstrekken het genot ontneemt van een verworven recht dat specifiek aan hen toekomt.

17      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat rekwiranten tot staving van hun hogere voorziening geen enkel argument hebben aangevoerd waaruit blijkt dat het Gerecht, door te oordelen dat er geen reden was om hen anders te beoordelen dan de groep van fiscaal advocaten waartoe zij behoren, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn analyse of de feiten onjuist heeft opgevat.

18      Gelet op een en ander dient de hogere voorziening overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering kennelijk ongegrond te worden verklaard.

 Kosten

19      Overeenkomstig artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.

20      Aangezien de onderhavige beschikking is vastgesteld voordat de hogere voorziening is betekend aan de andere partijen in de procedure en dus voordat deze kosten hebben kunnen maken, moet worden beslist dat rekwiranten hun eigen kosten zullen dragen.

Het Hof (Zevende kamer) beschikt:

1)      De hogere voorziening wordt kennelijk ongegrond verklaard.

2)      Robin Messiaen en Ferenc Ballegeer dragen hun eigen kosten.

Luxemburg, 2 oktober 2025.

De griffier

 

De kamerpresident

A. Calot Escobar

 

M. Gavalec