Home

SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2234/00 van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie. Vermindering van een Oostenrijks overheidspensioenuitkering als gevolg van vrijwillige premiebetaling aan het overheidspensioen van het VK.

SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2234/00 van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie. Vermindering van een Oostenrijks overheidspensioenuitkering als gevolg van vrijwillige premiebetaling aan het overheidspensioen van het VK.

SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2234/00 van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie. Vermindering van een Oostenrijks overheidspensioenuitkering als gevolg van vrijwillige premiebetaling aan het overheidspensioen van het VK.

Publicatieblad Nr. 053 E van 20/02/2001 blz. 0202 - 0203


SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2234/00

van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie

(28 juni 2000)

Betreft: Vermindering van een Oostenrijks overheidspensioenuitkering als gevolg van vrijwillige premiebetaling aan het overheidspensioen van het VK

Bij schrijven van 9 november 1999 aan Commissielid Diamantopoulou vroeg ik de Commissie om de oplossing van een zeer ernstig probleem waarmee de heer R.J.E. Girdler in mijn kiesdistrict wordt geconfronteerd. Zijn geval heeft te maken met zijn Oostenrijks overheidspensioen en het feit dat de Oostenrijkse regering zich niet houdt aan EG-verordening 574/72(1) die, volgens het departement van sociale zekerheid van het VK, inhoudt dat een land bij de berekening van zijn pensioenbetalingsverplichtingen geen rekening mag houden met vrijwillige premiebetalingen aan de overheidspensioenfondsen van een ander land. De heer Girdler heeft tussen 1992 en 1997 vrijwillig premie betaald aan het pensioenfonds van de Britse sociale zekerheid nadat hij uit Oostenrijk naar het Verenigd Koninkrijk was teruggekeerd.

De heer Girdler heeft tal van brieven waarvan een groot aantal sinds november 1999 van het bureau van de Oostenrijkse overheidspensioenen ontvangen waarin steeds het standpunt werd gehandhaafd dat het zijn Oostenrijkse overheidspensioen mag verminderen op grond van de vrijwillige bijdragen die hij betaald heeft. Ondanks herhaalde verzekeringen dat deze zaak wordt onderzocht, heb ik nog steeds geen bevredigend antwoord van de Commissie ontvangen.

Kan de Commissie mij daarom ten eerste mededelen of zij een onderzoek heeft gewijd aan de kwesties die ik in mijn brief van 9 november 1999 aan de orde stelde?

Kan zij mij ten tweede mededelen of de Oostenrijkse regering in strijd handelt met EG-verordening 574/72?

Kan zij mij ten derde mededelen wat zij mocht worden vastgesteld dat de Oostenrijkse regering in strijd met het Gemeenschapsrecht handelt zal doen om deze situatie op te lossen en ervoor te zorgen dat het pensioenverlies dat de heer Girdler heeft ondervonden billijk en overeenkomstig de wet wordt vergoed?

(1) PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1.

Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie

(17 juli 2000)

De Commissie kan het geachte parlementslid mededelen dat zij na ontvangst van haar schrijven van 9 november 1999 de Oostenrijkse autoriteiten schriftelijk om hun opmerkingen heeft verzocht betreffende de door haar aan de orde gestelde zaak. De Oostenrijkse autoriteiten hebben nog niet geantwoord, maar hebben de Commissie medegedeeld dat zij dit binnenkort zullen doen.

Zodra de Commissie een antwoord van de Oostenrijkse autoriteiten zal hebben ontvangen, zal zij onderzoeken of er in deze zaak sprake is van een schending van het Gemeenschapsrecht, met name van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(1) en Verordening (EEG) nr.574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71(2). Indien zij van oordeel is dat er sprake is van een schending, kan zij vervolgens krachtens artikel 226 (ex artikel 164) van het EG-Verdrag een zaak aanhangig maken.

Wat betreft de vraag inzake de vergoeding van een pensioenverlies: de verantwoordelijkheid voor het waarborgen dat nationale autoriteiten de communautaire wetgeving naleven berust in de eerste plaats bij de nationale rechterlijke instanties.

(1) PB L 149 van 5.7.1971.

(2) PB L 74 van 27.3.1972 Laatste geconsolideerde versie: Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 PB L 28 van 30.1.1997.