BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 124/95/COL van 6 december 1995 betreffende de zesde wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van overheidssteun
BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 124/95/COL van 6 december 1995 betreffende de zesde wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van overheidssteun
BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA Nr. 124/95/COL van 6 december 1995 betreffende de zesde wijziging van de procedurele en materiële regels op het gebied van overheidssteun
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,
heeft de formele en materiële regels op het gebied van overheidssteun (1), welke op 19 januari 1994 zijn vastgesteld (2) en laatstelijk op 9 juni 1995 zijn gewijzigd (3), als volgt gewijzigd:
1. De tekst van hoofdstuk 6 van de richtsnoeren voor overheidssteun wordt vervangen door de volgende tekst
"6. NADERE REGELS BETREFFENDE STEUN DIE OM PROCEDUREREDENEN ONRECHTMATIG IS
(1) Behoudens de hieronder besproken specifieke kenmerken verloopt de procedure met betrekking tot steun die om procedureredenen onrechtmatig is, volgens hetzelfde patroon als de procedure bij aanmeldingen.
6.1. Begrip "steun die om procedureredenen onrechtmatig is"
(1) Aangezien de term "niet-aangemelde steun" te eng zou zijn om alle steunmaatregelen te dekken die inbreuk maken op de laatste zin van artikel 1, lid 3, van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst, heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA besloten het begrip "steun die om procedureredenen onrechtmatig is" te gebruiken (verder "onrechtmatige steun" te noemen).
Hieronder wordt verstaan:
a) steun die zonder aanmelding wordt verleend;
b) steun die wordt verleend door een onjuiste toepassing van een goedgekeurde steunregeling (steun die in de zin van artikel 1, lid 2, van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst wordt "misbruikt");
c) steun die te laat wordt aangemeld, d.w.z. na "tot uitvoering te zijn gebracht", en
d) steun die vooraf is aangemeld maar "tot uitvoering wordt gebracht" vooraleer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zich daarover heeft uitgesproken (1).
6.2. Verzoek om informatie
(1) Wanneer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA kennis krijgt van een geval van mogelijk onrechtmatige steun, verzoekt zij de betrokken EVA-Staat om haar normaliter binnen 20 werkdagen alle bijzonderheden betreffende de steun mede te delen. Dit is dezelfde termijn als die welke gebruikelijk is voor het verstrekken van nadere informatie in geval van aangemelde steunmaatregelen (zie punt 3.2.4.2). Zo nodig wordt een rappelbrief gezonden.
(2) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is gerechtigd op te treden en op basis van de beschikbare informatie een beslissing te nemen (zie punt 5.4.3), zelfs zonder dat de betrokken EVA-Staat enig tegenargument heeft geformuleerd.
6.2.1. Voorlopige maatregelen (bevel tot opschorting)
(1) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA kan de EVA-Staat bij voorlopige beschikking gelasten de uitkering van de steun in afwachting van de uitkomst van het onderzoek op te schorten (2). De procedure verloopt als volgt:
(2) Zodra vaststaat dat op onrechtmatige wijze steun is verleend, moet de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de betrokken EVA-Staat in de gelegenheid stellen zijn opmerkingen te maken. Eerst daarna kan zij hem bij beschikking gelasten de uitkering van de steun in afwachting van de uitkomst van het onderzoek onmiddellijk op te schorten (3).
(4) Geeft de EVA-Staat aan het bevel tot opschorting geen gevolg, dan kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, hangende het onderzoek ten principale, de zaak rechtstreeks aan het EVA-Hof voorleggen en het Hof verzoeken vast te stellen dat de uitkering van de steun een schending van de overeenkomst oplevert (5).
6.2.2. Verloop van de procedure
(1) In gevallen van onrechtmatige steun tracht de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA binnen twee maanden na ontvangst van alle gegevens een beslissing te nemen.
(2) Indien de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in gevallen van onrechtmatige steun tot de bevinding komt dat de steun verenigbaar is met de werking van de EER-Overeenkomst, moet zij op grond van een inhoudelijke afweging een positieve beslissing nemen.
6.2.3. Bevel tot terugvordering
(1) In een negatieve beschikking betreffende gevallen van onrechtmatige steun gelast de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de EVA-Staat die steun van de begunstigde terug te vorderen (6).
(2) De terugvordering moet overeenkomstig het nationale recht geschieden. Ook de nationale bepalingen inzake rente bij laattijdige betaling aan de overheid zijn hierop van toepassing, en deze rente wordt normaliter berekend vanaf de dag waarop de onwettige steun is verleend. De ter zake dienende nationale wettelijke bepalingen moeten op zodanige wijze worden toegepast dat de terugvordering in de praktijk niet onmogelijk wordt gemaakt (7).
(3) (8) De Toezichthoudende Autoriteit is van mening dat met het oog op het herstellen van de voorgaande situatie de commerciële rentetarieven een passende maatstaf zijn voor het onrechtmatige voordeel dat de ontvanger van de steun heeft genoten. De Autoriteit deelt de EVA-Staten derhalve mee dat zij bij eventuele beschikkingen tot terugvordering van onrechtmatig verleende steun het referentiepercentage zal toepassen dat gebruikt wordt bij de berekening van het netto-subsidie-equivalent van regionale steunmaatregelen (9) als basis voor het commerciële tarief.
(1) Zie punt 3.3 voor de uitlegging van de term "tot uitvoering brengen".
(2) HvJEG, 14. 2. 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307, overwegingen 19-20.
(3) Ibid., blz. 356, overweging 19.
(5) Ibid., blz. 357, overweging 23.
(6) Voor het eerst bevestigd in HvJEG, 12. 7. 1973, zaak 70/72, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 813, inzonderheid blz. 828 en 829, overwegingen 10-13; zie eveneens HvJEG, 21. 3. 1990, zaak C 142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, inzonderheid blz. 10 20, overwegingen 65 en 66, en HvJEG, 24. 2. 1987, zaak 310/85, Deufil/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 901, inzonderheid blz. 927, overweging 24.
(7) Zie HvJEG, 21. 3. 1990, zaak C 142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959, inzonderheid blz. 1018-1020, overwegingen 58-63; zie eveneens HvJEG, 20. 9. 1990, zaak 5/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1990, blz. I-3437, inzonderheid blz. 3456, overweging 12; HvJEG, 21. 2. 1990, zaak C 74/89, Commissie/België, Jurispr. 1990, blz. I-491, en HvJEG, 2. 2. 1989, zaak 94/87, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 175, inzonderheid blz. 192, overweging 12.
(8) Dit punt stemt overeen met het schrijven van de Commissie aan de Lid-Staten van 22 februari 1995 (SG(95) D/1983).
(9) Zie punt 27.3, onder f), van deze richtsnoeren.".
2. De tekst van hoofdstuk 18 van de richtsnoeren voor overheidssteun wordt vervangen door de volgende tekst:
"18. WERKGELEGENHEIDSSTEUN (1)
18.1. Inleiding
(1) Het feit dat de werkloosheid op een te hoog peil blijft stagneren, vormt het voornaamste economische en sociale probleem waarvoor de meeste Europese landen zich gesteld zien. In de jaren tachtig kenden de EVA-Staten relatief lage werkloosheidspercentages in vergelijking met de rest van Europa (tussen ongeveer 1 en 3 % van de beroepsbevolking). De laatste recessie heeft echter een scherpe stijging van de werkloosheidspercentages in Noorwegen en IJsland teweeggebracht, tot het hoogste niveau in tientallen jaren: 6 % in Noorwegen in 1993 en 4,7 % in IJsland in 1994. Liechtenstein daarentegen kon het zeer lage werkloosheidspercentage handhaven.
(2) De EVA-Staten kennen nu evenals een groot deel van Europa een periode van economisch herstel na de recessie van de laatste jaren, en de algehele werkgelegenheidssituatie is enigszins verbeterd, vooral in Noorwegen. De ongunstige werkgelegenheidssituatie in de afgelopen jaren werd evenwel gekenmerkt door een zeer aanzienlijke stijging van de jongerenwerkloosheid en de langdurige werkloosheid, alsmede door werkgelegenheidsproblemen voor oudere personen. Deze structurele werkloosheid is weliswaar minder ernstig dan in de meeste andere Europese landen, maar vormt een hardnekkig probleem dat weinig tekenen van verbetering vertoont.
(3) In de meeste EVA-Staten en Lid-Staten van de Europese Gemeenschap kon worden vastgesteld, dat het vaak lang duurt eer werkloos geworden werknemers opnieuw aan de slag geraken, aangezien zij moeilijk een nieuwe betrekking kunnen vinden. Dit heeft ertoe geleid, dat er verhoudingsgewijs te veel langdurig werklozen in Europa zijn (meer dan 40 % van het totaal aantal werklozen), hetgeen in steeds meer gevallen maatschappelijke uitsluiting tot gevolg heeft.
(4) Verwacht mag worden, dat het economisch herstel in de komende jaren tot een positieve ontwikkeling van de werkgelegenheid zal leiden. Toch zal dit niet voldoende zijn om de werkloosheid op een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te brengen. Inmiddels is duidelijk dat de aanhoudend hoge werkloosheid in Europa structurele oorzaken heeft en dat een specifiek beleid gevoerd moet worden om het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkten te vergroten.
(5) De Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en de EVA-Staten hebben op vijf prioritaire gebieden een aantal aanbevelingen geformuleerd (2):
- meer investeringen in onderwijs en opleiding;
- meer externe en interne flexibiliteit om het werkscheppend vermogen van de economische groei te vergroten;
- vermindering van de indirecte loonkosten, met name via verlaging van de directe loonbelasting;
- verbetering van de doelmatigheid van het actieve arbeidsmarktbeleid, met name door heroriëntering van de overheidsuitgaven voor passieve inkomenssteun aan werklozen;
- versterking van de maatregelen om kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt zoals langdurig werklozen, jongeren en oudere werklozen weer aan de slag te krijgen.
(6) Om bedrijven ertoe aan te zetten, werknemers in dienst te nemen die tot de kansarme categorieën op de arbeidsmarkt behoren, zullen fiscale en financiële maatregelen steeds belangrijker worden. Dergelijke maatregelen kunnen natuurlijk door substitutie-effecten of doordat ze slechts als meevaller worden beschouwd aan efficiency inboeten, maar door steun voor langdurig werklozen die in dienst worden genomen of gerichte vrijstellingen van de sociale lasten kunnen de loonkosten voor de lage categorieën worden verminderd, zodat de relatief lagere arbeidsproduktiviteit wordt gecompenseerd.
(7) Dergelijke maatregelen zijn tevens geschikt om bedrijven te stimuleren meer in de beroepsopleiding te investeren. De subsidie of lastenverlichting moet in dat geval de externe effecten weergeven die verbonden zijn aan de benutting van de nieuw verworven vaardigheden van de werknemer op de arbeidsmarkt.
(8) Hoewel genoemde maatregelen uiteraard ten doel hebben de situatie van de werknemers op de arbeidsmarkt te verbeteren, is duidelijk dat ook het bedrijfsleven ervan profiteert, aangezien het als schakel in de uitvoering van de fiscale en financiële maatregelen zijn loonkosten kan verlagen. Daarom moeten maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de versterking van het werkgelegenheidsbeleid geen afbreuk doet aan het gelijktijdig streven van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA om in het kader van de artikelen 61 en 62 van de EER-Overeenkomst kunstmatige concurrentiedistorsies tegen te gaan.
(9) Met de onderhavige richtsnoeren wordt het volgende beoogd:
- verduidelijking van de interpretatie van artikel 61 van de EER-Overeenkomst en artikel 1 van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst ten aanzien van staatssteun ten behoeve van de werkgelegenheid teneinde meer inzicht te geven in steunbeschikkingen uit hoofde van artikel 1 van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst;
- afstemming tussen de mededingingsvoorschriften en het beleid dat gevoerd wordt ter bestrijding van de werkloosheid;
- definitie van de verschillende soorten steunmaatregelen en hun doelstellingen om aan te geven dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA staatssteunmaatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid in beginsel positief beoordeelt.
18.2. Toepassing van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst
(1) De onderhavige richtsnoeren hebben uitsluitend betrekking op maatregelen die onder het toepassingsgebied van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst vallen. Volgens dit artikel zijn "steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst, voor zover zij het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloeden". Dergelijke steunmaatregelen moeten overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst van tevoren bij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden aangemeld, tenzij zij binnen de grenzen van de "de minimis"-regel blijven. De aanmeldingsverplichting geldt zowel voor steunregelingen als voor "ad hoc"-werkgelegenheidssteun buiten de goedgekeurde regelingen om.
(2) Een aantal maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid vallen niet onder artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst, omdat zij:
- hetzij maatregelen ten gunste van personen zijn en geen ondernemingen of produkties begunstigen;
- hetzij het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen niet beïnvloeden;
- hetzij zogenaamde "algemene maatregelen" zijn.
Hieronder vallen uiteraard maatregelen voor beroepskeuzevoorlichting, begeleiding en opleiding van werklozen (steun ten behoeve van personen zonder dat bepaalde ondernemingen of produkties worden begunstigd) en maatregelen ter verbetering van de algemene arbeidswetgeving of ter aanpassing van het onderwijsstelsel (algemene maatregelen).
18.2.1. Individuele steun zonder begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties
(1) Maatregelen in de vorm van individuele steun die niet tot begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties leiden, zijn geen staatssteunmaatregelen in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst.
(2) Steun aan natuurlijke personen die volgens objectieve criteria automatisch wordt verstrekt en niet leidt tot begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties wordt niet als staatssteun beschouwd, wanneer hiermee bijvoorbeeld beoogd wordt:
- de persoonlijke positie van de werknemers op de arbeidsmarkt te verbeteren of hun intreding in het beroepsleven of de maatschappij mogelijk te maken, met name door middel van de beroepsopleiding of via het leerlingenstelsel;
- de inkomsten van bepaalde werknemers aan te vullen;
- stimulansen te geven voor de aanwerving van vrouwen in typische mannenberoepen of voor de aanwerving van personen uit etnische minderheden;
- gunstige voorwaarden te scheppen voor de mobiliteit van de werknemers, de uitoefening van zelfstandige beroepsbezigheden of de aanwerving van bepaalde categorieën werknemers met tijdelijke sociale en/of beroepsongeschiktheid;
- het in dienst nemen van personen met blijvende lichamelijke en geestelijke handicaps te stimuleren.
18.2.2. Nadelige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten
(1) Steunmaatregelen vallen slechts onder artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst voorzover zij het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen nadelig beïnvloeden. Werkgelegenheidssteun ter bevordering van activiteiten die geen aanleiding geven tot handelsverkeer tussen de Lid-Staten (bijvoorbeeld lokale diensten, bepaalde plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven) vallen niet onder het verbod van artikel 61, lid 1. De Toezichthoudende Autoriteit is van mening dat hetzelfde geldt voor "de minimis"-steun (3), waartoe de meeste steunmaatregelen ten behoeve van het scheppen van een zelfstandige beroepsbezigheid behoren.
18.2.3. Algemene maatregel of staatssteun
(1) Het onderscheid tussen een algemene maatregel en staatssteun valt buiten het kader van de onderhavige richtsnoeren.
(2) In dit verband moet erop worden gewezen dat sommige algemene maatregelen de concurrentievoorwaarden en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen nadelig kunnen beïnvloeden als staatssteunmaatregelen, maar dat zij niet beantwoorden aan de definitie van staatssteun als gegeven in artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. De distorsies van de mededinging die zij eventueel veroorzaken, kunnen dus niet worden opgeheven door controle op staatssteun uit hoofde van de artikelen 61, 62 en 63 van de EER-Overeenkomst.
(3) Onder bevordering van de werkgelegenheid vallen ook maatregelen ten behoeve van beroepsopleiding/herscholing. In dit verband is het wellicht nuttig te vermelden dat steun ten behoeve van beroepsopleiding/herscholing in de meeste gevallen geen staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-Overeenkomst en artikel 1 van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst is en dat deze vorm van steun, indien zij onder de bepalingen van artikel 61, lid 1, valt, door de Toezichthoudende Autoriteit in het algemeen positief wordt beoordeeld.
(4) Hetzelfde geldt voor maatregelen ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden.
18.3. Staatssteun ter bevordering van de werkgelegenheid
(1) Ten aanzien van het toepassingsgebied van de onderhavige richtsnoeren moet worden toegelicht dat het bij steun ter bevordering van de werkgelegenheid uitsluitend gaat om steun die niet in verband staat met een investering.
(2) Zelfs wanneer investeringssteun berekend wordt op basis van het aantal te scheppen arbeidsplaatsen of wanneer zij voor een deel bestaat uit premies voor de schepping van arbeidsplaatsen, is deze vorm van steun als zodanig geen werkgelegenheidssteun, omdat zij niet rechtstreeks gericht is op schepping of handhaving van arbeidsplaatsen. In de strijd tegen de werkloosheid sorteert deze steun slechts indirect effect doordat produktie-investeringen worden verricht met het oog op herstructurering van een onderneming. Het aantal geschapen arbeidsplaatsen is in dit verband slechts een criterium voor de berekening van de te verstrekken investeringssteun. De steun zelf is gezien haar bestemming en haar duurzame effect op de industriële structuur te vergelijken met iedere andere vorm van investeringssteun en dus onderhevig aan de normale beoordelingscriteria hiervoor.
18.3.1. Algemene opmerkingen
(1) Wanneer de overheid bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties werkgelegenheidssteun verstrekt, geeft zij een gedeeltelijke vrijstelling van de loonkosten, die deel uitmaken van de normale bedrijfsuitgaven, en verstrekt zij dus financiële voordelen waardoor deze ondernemingen hun concurrentiepositie kunnen verbeteren. Indien concurrentie mogelijk is tussen de betreffende produkten of diensten en die van ondernemingen uit andere Staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, kan dit de mededinging verstoren en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloeden en is de steun in beginsel onverenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst. Binnen de interne markt kan steun toegekend om de loonkosten te verminderen namelijk aanleiding geven tot verstoringen van de mededinging binnen de EER, gewijzigde aanwending van middelen en mobiele investeringen, alsmede tot verschuiving van de werkloosheid van het ene land naar het andere en verplaatsing van bedrijven.
(2) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is van mening dat bij het ontbreken van strenge controle en strikte beperkingen op macro-economisch niveau werkgelegenheidssteun nadelige effecten kan hebben, die de rechtstreekse gevolgen voor de werkgelegenheid teniet doen. Voor zover werkgelegenheidssteun gegeven wordt om bedrijven tegen de concurrentie binnen de EER te beschermen, kan het gevolg zijn dat de aanpassingen die noodzakelijk zijn om de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven te verzekeren uitgesteld worden. Bij gebrek aan strenge controle zal deze steun zich concentreren in de meest welvarende regio's, hetgeen strijdig is met het streven naar economische en sociale cohesie. Bovendien moet worden voorkomen dat door verlenen van staatssteun een subsidiestroom op gang wordt gebracht die de steun inefficiënt maakt en tot verspilling van overheidsgeld leidt. Ongecontroleerde subsidies zullen het werkloosheidsprobleem slechts verplaatsen zonder op Europees niveau voor een oplossing te zorgen. Zij kunnen dan verstoringen van de mededinging veroorzaken die strijdig zijn met de werking van de EER-Overeenkomst.
(3) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA heeft een positieve houding aangenomen ten aanzien van werkgelegenheidssteun, wanneer deze met name erop gericht was bedrijven ertoe aan te zetten nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen of personen in dienst te nemen die bijzondere moeilijkheden hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden. Dit standpunt wordt enerzijds gerechtvaardigd doordat het bedrijf vanwege de geringere arbeidsproduktiviteit van de betreffende categorieën werknemers slechts een beperkt financieel voordeel heeft en anderzijds doordat ook de werknemers van de maatregel profiteren, omdat zij bij gebrek aan dergelijke stimulansen voor de werkgevers wellicht van de arbeidsmarkt uitgesloten zouden blijven. In de onderhavige mededeling wordt dit standpunt bevestigd.
18.3.3. Staatssteun ten behoeve van de werkgelegenheid
(1) Er moet onderscheid worden gemaakt tussen steun voor het behoud van de werkgelegenheid en steun voor de schepping van werkgelegenheid, omdat dit belangrijk is wanneer wordt gekeken naar de verenigbaarheid van de steun met de werking van de EER-Overeenkomst.
(2) Steun voor het behoud van werkgelegenheid is steun die aan een bedrijf gegeven wordt om werknemers niet te ontslaan, waarbij de steun meestal berekend wordt aan de hand van het totaal aantal werknemers dat op het moment van de toekenning van de steun in dienst is.
(3) Steun voor de schepping van werkgelegenheid wordt daarentegen verstrekt om een arbeidsplaats te creëren voor werknemers die nog geen arbeidsplaats hebben of hun arbeidsplaats verloren hebben. Deze steun is gebaseerd op het aantal geschapen arbeidsplaatsen. Hierbij wordt uitgegaan van de nettotoename van het aantal arbeidsplaatsen, dit wil zeggen de nieuwe arbeidsplaatsen ten opzichte van het bestaande personeelsbestand (gemiddelde over een bepaalde periode) van de betreffende onderneming. Vervanging van werknemers zonder uitbreiding van het personeelsbestand en dus zonder schepping van nieuwe arbeidsplaatsen wordt dus niet als schepping van werkgelegenheid beschouwd.
(4) Een bijzondere vorm van werkschepping waarbij het totaal aantal arbeidsuren per bedrijf niet toeneemt, is verdeling van arbeid. Hierbij wordt de totale hoeveelheid werk verdeeld over een groter aantal arbeidsplaatsen met navenant verkorte arbeidsduur.
18.4. Toepassing van de uitzonderingsbepalingen uit hoofde van artikel 61, leden 2 en 3, van de EER-Overeenkomst
(1) Wanneer werkgelegenheidssteun onder het verbod van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst valt, moet worden onderzocht in hoeverre deze steun in aanmerking kan komen voor één van de uitzonderingen die zijn voorzien in de leden 2 en 3 van dit artikel. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen steun voor de schepping van werkgelegenheid en steun voor het behoud van werkgelegenheid.
(2) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA staat in het algemeen gunstig tegenover steun voor de schepping van werkgelegenheid. Ondanks de risico's voor de mededinging binnen de EER versterkt deze steun namelijk het werkscheppend effect van de groei. Wanneer rekening wordt gehouden met de bijzondere voorschriften voor bepaalde industriesectoren en de steun per werknemer gerechtvaardigd is en geen buitensporig hoog aandeel van de produktiekosten van de onderneming vertegenwoordigt, mag worden aangenomen dat, indien het bedrijf deze inspanning doet, de hiervoor toegekende steun in het algemeen in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 61, lid 3, onder c), aangezien de steun bestemd is om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, mits het handelsverkeer daardoor niet zodanig wordt veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
(3) De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zal deze vorm van werkgelegenheidssteun aan de volgende criteria toetsen:
- De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA staat positief tegenover steun voor de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen in het MKB (4) en in de gebieden die voor regionale steun in aanmerking komen (5). Hetzelfde geldt voor steun om de aanwerving te bevorderen van bepaalde categorieën werknemers die het bijzonder moeilijk hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden of opnieuw een arbeidsplaats te vinden. In dit laatste geval is het scheppen van nettowerkgelegenheid geen vereiste, mits de vacature ontstaan is door natuurlijk verloop en niet ten gevolge van een ontslag.
- De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA staat eveneens positief tegenover steunmaatregelen die gericht zijn op verdeling van het werk, waarbij de totale hoeveelheid werk over een groter aantal arbeidsplaatsen met verkorte werktijd wordt gespreid en dus een groter aantal werknemers een deeltijdbetrekking kan vinden.
- Deze positieve benadering van bovengenoemde steunmaatregelen neemt niet weg dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ook op de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zal letten. Zo zal met name worden geëist dat een arbeidsovereenkomst voor onbeperkte duur of voor een voldoende lange termijn wordt gesloten en dat de nieuw geschapen arbeidsplaats gedurende een bepaalde minimumperiode in stand wordt gehouden om de stabiliteit van de nieuwe werkgelegenheid te waarborgen. Tevens zal aandacht worden besteed aan andere voorwaarden die de duurzaamheid van de nieuw geschapen arbeidsplaats waarborgen, zoals de wijze van betaling van de steun.
- De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zal ervoor zorgen dat het steunniveau niet hoger is dan noodzakelijk om de schepping van arbeidsplaatsen te stimuleren en hierbij rekening houden met eventuele moeilijkheden van het MKB en/of handicaps van bepaalde regio's. De steun moet een tijdelijk karakter hebben.
- Indien bij het scheppen van arbeidsplaatsen waarvoor steun wordt toegekend de betrokken werknemers tevens in aanmerking komen voor scholing of bijscholing, zal dit een bijzonder positieve bijdrage leveren voor een gunstige beoordeling van de steun door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.
(4) Steun voor het behoud van de werkgelegenheid is verwant met produktiesteun en kan slechts in de volgende gevallen worden toegestaan:
- Deze steun kan worden toegestaan, indien zij overeenkomstig het in artikel 61, lid 2, onder b), van de EER-Overeenkomst bepaalde dient tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. Onder bepaalde omstandigheden kan steun tot behoud van de werkgelegenheid tevens worden toegestaan in regio's die in aanmerking komen voor de uitzondering van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-Overeenkomst betreffende de economische ontwikkeling in streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst (6).
- Wanneer steun tot behoud van de werkgelegenheid voorzien is in het kader van de redding of het opstellen van een herstructurerings- of omschakelingsplan voor een in moeilijkheden geraakte onderneming, moet deze steun worden aangemeld en zal zij worden beoordeeld conform de desbetreffende kaderregeling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (7).
Al deze overwegingen hebben uiteraard uitsluitend betrekking op steunmaatregelen tot behoud van de werkgelegenheid en het staat de EVA-Staten geheel vrij om de nodige stappen te ondernemen tot behoud van de werkgelegenheid door middel van algemene maatregelen zoals een algemene belastingverlaging of verlichting van de sociale lasten voor het bedrijfsleven.
(5) Ook werkgelegenheidssteun die beperkt is tot één of enkele gevoelige sectoren welke met overcapaciteit kampen of in een crisis verkeren, is meestal van dien aard, dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA deze terughoudender moet behandelen dan steun voor het scheppen van werkgelegenheid die voor alle economische sectoren openstaat.
(6) Sectorale steun bevoordeelt namelijk de betreffende sectoren, die een concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van bedrijven uit andere EVA-Staten of Lid-Staten van de Europese Gemeenschap. Steun die leidt tot lagere loon- of produktiekosten voor een hele of verschillende produktiesectoren, stelt deze sectoren in staat, zowel op nationaal niveau als op het niveau van de export binnen en buiten het door de EER-Overeenkomst bestreken gebied, hun marktaandeel ten koste van hun concurrenten te vergroten met alle mogelijke negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in genoemde sectoren in de andere EVA-Staten of Lid-Staten van de Europese Gemeenschap. Dit heeft tot gevolg dat de beschermende werking van de steun voor de betreffende sector of sectoren, met name wanneer deze in een crisis verkeren, en de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de concurrerende sectoren uit de andere EVA-Staten of Lid-Staten van de Europese Gemeenschap meestal groter zijn dan het gemeenschappelijk belang van actieve maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid. Normaal gesproken kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA deze steun dus niet als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst beschouwen. Wanneer de steun verstrekt wordt in een regio met een ernstig gebrek aan werkgelegenheid, zal de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA hiermee niettemin rekening houden.
(7) Werkgelegenheidssteun die leidt tot de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen in opkomende marktsegmenten of subsectoren met goede werkgelegenheidsvooruitzichten kan daarentegen eerder door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden aanvaard.
18.5. Conclusie
(1) Wanneer de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA na een onderzoek van de door de EVA-Staten voorgenomen werkgelegenheidssteun constateert dat de modaliteiten en voorwaarden ervan overeenstemmen met die van deze richtsnoeren, kan zij deze steun als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst beschouwen uit hoofde van de in artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst toegestane uitzondering voor steun die de ontwikkeling van bepaalde activiteiten bevordert zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
(2) In de gevallen waarin de verlening van werkgelegenheidssteun betrekking heeft op bepaalde sectoren, bepaalde ondernemingen of bepaalde steunvormen waarvoor specifieke communautaire regelingen gelden, mag deze steun alleen als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst worden beschouwd als zij voldoet aan de in deze communautaire regelingen vastgestelde voorwaarden.
(3) Er zal een verslag worden opgesteld over de toepassing van de onderhavige richtsnoeren. De richtsnoeren zullen, indien nodig, vijf jaar na inwerkingtreding kunnen worden herzien.
(1) Dit hoofdstuk stemt overeen met de richtsnoeren betreffende werkgelegenheidssteun die door de Commissie op 19 juli 1995 zijn vastgesteld (PB nr. C 334 van 12. 12. 1995, blz. 4).
(2) Zie de richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot het Witboek inzake groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid, die zijn aangenomen tijdens de Europese top in Essen in 1994, alsmede de gemeenschappelijke verklaring van de voorzitters van de gemeenschappelijke vergadering van ministers van Financiën en Economie van de Europese Unie en de EVA van 18 september 1995.
(3) Zie hoofdstuk 12 van deze richtsnoeren: De toepassing en tenuitvoerlegging van de "de minimis"-regel.
(4) Zie voor een definitie van kleine en middelgrote ondernemingen hoofdstuk 10 van deze richtsnoeren inzake steun ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf.
(5) Zie deel VI van deze richtsnoeren.
(6) Zie deel VI, met name hoofdstuk 28, van deze richtsnoeren.
(7) Zie hoofdstuk 15 van deze richtsnoeren.".
3. De volgende tekst wordt in de richtsnoeren voor overheidssteun ingevoegd als hoofdstuk 30:
"30. STEUN AAN DE LUCHTVAARTSECTOR
In de herfst van 1994 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen richtsnoeren vastgesteld voor de toepassing van de staatssteunregels van het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst in de luchtvaartsector (1).
Bij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zijn nog geen steunmaatregelen van de EVA-Staten ten behoeve van ondernemingen in de luchtvaartsector aangemeld. Bij de beoordeling van dergelijke steunmaatregelen in de toekomst zal de Autoriteit criteria toepassen die overeenstemmen met die welke zijn vervat in voornoemde richtsnoeren van de Commissie.
(1) Toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag en van artikel 61 van de EER-Overeenkomst op Steunmaatregelen van de Staten in de luchtvaartsector (PB nr. C 350 van 10. 12. 1994).".
4. De volgende tekst wordt in de richtsnoeren voor overheidssteun ingevoegd als hoofdstuk 31:
"31. STEUN VOOR SCHEEPSBOUW IN DE VORM VAN ONTWIKKELINGSHULP AAN EEN ONTWIKKELINGSLAND (1)
(1) In artikel 4, lid 7, van de in punt 1b van bijlage XV bij de EER-Overeenkomst bedoelde richtlijn inzake steun aan de scheepsbouw (2) staat dat steun voor scheepsbouw of verbouwing die in de vorm van ontwikkelingshulp aan een ontwikkelingsland wordt verleend niet is onderworpen aan het plafond dat door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de richtlijn.
(2) Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd als zij in overeenstemming is met de bepalingen die de OESO-werkgroep nr. 6 met het oog daarop heeft opgenomen in haar akkoord over de uitlegging van de artikelen 6, 7 en 8 van de OESO-raadsresolutie van 3 augustus 1981 (overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen).
(3) Ieder individueel project van dien aard moet vooraf bij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden aangemeld. Aan de hand van de aanmelding gaat de Autoriteit na wat de specifieke ontwikkelingsaspecten van het steunproject zijn om te zien of het onder het toepassingsgebied van de overeenkomst valt.
(4) Ten aanzien van het laatstgenoemde punt zorgt de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ervoor dat het steunproject in overeenstemming is met de criteria in het OESO-document C/WP6(84) 3 van 18 januari 1984 betreffende de interpretatie van artikel 6 van de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen (3).
(5) Dienovereenkomstig moeten EVA-Staten die ontwikkelingssteun toekennen met de volgende criteria instemmen:
1. De steun mag niet worden toegekend voor de bouw van schepen die onder een goedkope vlag zullen varen.
2. Ingeval de steun niet kan worden ingedeeld als openbare-ontwikkelingssteun in het kader van de OESO moet de donor bevestigen dat hij deel uitmaakt van een overeenkomst tussen regeringen.
3. De donor moet de verzekering geven dat de werkelijke eigenaar inwoner is van het begunstigde land en dat de begunstigde maatschappij niet een niet-operationele dochtermaatschappij van een buitenlandse vennootschap is.
4. De begunstigde moet beloven het schip niet zonder voorafgaande goedkeuring van de regering te verkopen.
Voorts moet de toegekende steun een subsidiepercentage omvatten van ten minste 25 % in overeenstemming met de berekeningsmethode van de OESO (zie OESO C/WP6(85) 62 van 21 oktober 1985).
(6) Anderzijds verschaft de overeenkomst geen criteria die kunnen worden toegepast op de indeling van landen die voor ontwikkelingssteun in aanmerking komen. Rekening houdend met de praktijk van de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA besloten de toekenning van ontwikkelingssteun aan de volgende landen uit hoofde van artikel 4, lid 7, van de richtlijn als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst te beschouwen:
a) ACS-landen (4).
b) Landen en gebieden overzee van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap (5).
c) Alle landen die niet in a) of b) zijn opgenomen zijn onder de OESO-ACS-lijst gerangschikt als minst ontwikkelde landen (LLDC), lage inkomenslanden (LIC) of lagere gemiddelde inkomenslanden (LMIC). Deze landen zijn:
- Afghanistan (LLDC)
- Bangladesh (LLDC)
- Boetan (LLDC)
- Bolivia (LIC)
- Birma (LLDC)
- China (LIC)
- Cook Island (LMIC)
- Costa Rica (LMIC)
- Cuba (LMIC)
- Dominicaanse Republiek (LMIC)
- Ecuador (LMIC)
- Egypte (LIC)
- El Salvador (LMIC)
- Guatemala (LMIC)
- Haïti (LLDC)
- Honduras (LIC)
- India (LIC)
- Indonesië (LIC)
- Cambodja (LIC)
- Noord-Korea (LMIC)
- Laos (LLDC)
- Libanon (LMIC)
- Maldiven (LLDC)
- Mongolië (LIC)
- Marokko (LMIC)
- Nepal (LLDC)
- Nicaragua (LIC)
- Pakistan (LIC)
- Paraguay (LMIC)
- Peru (LMIC)
- Filippijnen (LMIC)
- Sri Lanka (LIC)
- Thailand (LMIC)
- Tunesië (LMIC)
- Turkije (LMIC)
- Viëtnam (LIC)
- Zuid-Jemen (LLDC)
- Noord-Jemen (LLDC).
(7) Landen die in de rangschikking van boven-gemiddelde inkomenslanden (UMIC) zijn opgenomen, zullen niet worden geacht in aanmerking te komen.
(8) Teneinde de scheepsbouwbelangen van de EVA-Staten te beschermen zou de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de EVA-Staten evenwel toestaan ontwikkelingssteun te verstrekken aan landen die niet onder de bovengenoemde categorieën vallen, mits door hen kan worden aangetoond dat een derde land dat aan de OESO-overeenkomst deelneemt voornemens is ontwikkelingssteun voor een bepaald contract te geven. In dat geval kan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA het verenigbaar achten met de werking van de EER-Overeenkomst indien voor dit contract tot hetzelfde niveau steun wordt toegekend als het derde land dat aan de OESO-overeenkomst deelneemt, voornemens is te geven als percentage OESO-subsidie.
(9) Teneinde de toepassing van artikel 4, lid 7, van de richtlijn te verscherpen en de naleving van de criteria onder (5) af te dwingen, wordt van de EVA-Staten verlangd dat zij in elke individuele aanmelding van ontwikkelingssteunprojecten overeenkomstig artikel 4, lid 7, van de richtlijn beloven dat deze criteria in acht genomen worden. Van de EVA-Staten wordt tevens verwacht dat zij de relevante details van het contract meedelen, zodat kan worden vastgesteld hoe de contractprijs zich verhoudt tot de marktprijs van vergelijkbare schepen.
(10) De EVA-Staten wordt medegedeeld dat de Toezichthoudende Autoriteit er bij het criterium van de goedkope vlag van uitgaat dat de volgende landen een goedkope vlag hebben:
- Antigua
- Bahama's
- Bermuda
- Caymaneilanden
- Cyprus
- Gibraltar
- Libanon
- Liberia
- Malta
- Panama
- Sint-Vincent
- Vanuatu.
(11) De bepalingen van dit hoofdstuk gelden tot het tijdstip waarop de in punt 1b van de in bijlage XV bij de EER-Overeenkomst bedoelde richtlijn verstrijkt.
(1) Dit hoofdstuk stemt overeen met de brief van de Commissie aan de Lid-Staten SG(89) D/311 van 3 januari 1989.
(2) Richtlijn 90/684/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijnen 93/115/EG en 94/73/EG van de Raad. Deze richtlijn van de Raad, die aan de EER-Overeenkomst is aangepast bij Besluit nr. 21 van het Gemengd Comité van de EER van 5 april 1995, wordt hierna de richtlijn scheepsbouw genoemd.
(3) Werkgroep nr. 6 van de Raad: Herziening van de definities en administratieve procedures met betrekking tot de overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen.
(4) Zie de beschikking van de Raad en de Commissie van 24 maart 1986 inzake het sluiten van de derde ACS-EEG-overeenkomst (PB nr. L 86 van 31. 3. 1986).
(5) Zie Besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986 over de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (PB nr. L 175 van 1. 7. 1986, blz. 46).".
5. De huidige hoofdstukken 30 en 31 van de richtsnoeren voor overheidssteun ("Gestandaardiseerde jaarlijkse verslagen" en "Andere specifieke bepalingen") worden hernummerd tot respectievelijk hoofdstuk 32 en hoofdstuk 33.
Gedaan te Brussel, 6 december 1995.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Knut ALMESTAD
Voorzitter
(1) Hierna "richtsnoeren voor overheidssteun" genoemd.
(2) PB nr. L 231 van 3. 9. 1994, blz. 1.
(3) PB nr. L 175 van 27. 7. 1995, blz. 59.